Uit de as herrijzend: Syrië en de Koerdische kwestie
De Syrische burgeroorlog haalde één van de structurele drijfveren van conflict in het Midden-Oosten weer prominent naar de voorgrond, te weten de Koerdische kwestie.
Er worden doorgaans twee verschillende kaders gebruikt om het Koerdische vraagstuk te problematiseren. Het eerste benadrukt dat de Koerden de grootste etnische groep ter wereld zijn zonder staat, en ze er op basis van hun homogeniteit en zelfbeschikkingsrecht één zouden moeten hebben. Het tweede onderstreept dat de Koerden als tweederangsburgers behandeld worden in de vier landen waar ze wonen (met name in Turkije, Iran en Syrië, minder in Irak) en dat hun taal en sociaal-culturele eigenheid grotendeels onderdrukt worden.
In de Syrische burgeroorlog zijn de Syrische Koerden, in de vorm van de Democratische Unie Partij (PYD) en de volksbeschermingseenheden (YPG en YPJ), er opmerkelijk genoeg in geslaagd om bovengenoemd patroon van onderdrukking en marginalisatie fundamenteel te veranderen. Door een mix van sterkere discipline, een hogere organisatiegraad en betere strategische planning dan andere Koerdische partijen in Syrië aan de ene kant, en een tactische terugtocht van het Syrische Arabische Leger (SAL) uit de Koerdische delen van Syrië in 2012 aan de andere kant, slaagden de PYD en YPG er in 2012/2013 in om hun civiel en militaire gezag te vestigen in de noord-Syrische gebieden Jazira, Kobane en Afrin (ook bekend als Rojava).
Het is onwaarschijnlijk dat het ooit tot één Koerdische staat zal komen
In korte tijd ontwikkelde de PYD zich daarnaast tot een betrouwbare bondgenoot van de Verenigde Staten in de strijd tegen de Islamitische Staat (IS). De haast epische strijd om Kobane in 2014/15 vormde hiervan het hoogtepunt en werd een nieuw symbool van Koerdische volharding.
Tot slot startte de PYD een bestuurlijk experiment onder de conceptuele noemer van ‘democratisch confederalisme’ – een notie die door Öcalan tijdens zijn gevangenschap is ontwikkeld - en in de hoofdzaak neerkomt op het creëren van autonome vormen van decentrale co-existentie en Koerdisch zelfbestuur binnen bestaande landsgrenzen op basis van volledige menselijke gelijkheid en lokale democratie.
Deze ontwikkelingen zorgden vooral voor grote consternatie in Turkije. Die werd versterkt door het onverwachte electorale succes van ’s lands eigen Koerdische partij (de Democratische Partij der Volkeren, ofwel HDP) in de Turkse parlementaire verkiezingen van 2015, alsook het mislukken van het vredesproces tussen de Turkse regering en de PKK in datzelfde jaar. Turkse zorgen werden dusdanig groot dat diens overheid haar Koerdische burgers sinds die tijd weer volgens het klassieke ‘het zijn allemaal terroristen, of sympathisanten daarvan’ stramien tegemoet treedt.
De Koerdische kwestie vandaag: Fragmentatie en meerdere snelheden
De ontwikkelingen in Syrië maken deel uit van de bredere Koerdische kwestie die zich in Syrië, Irak, Iran en Turkije afspeelt (zie figuur 1). Het is analytisch nuttiger dit vraagstuk niet te beschouwen als een uitvoering van dezelfde voorstelling in vier verschillende akten, maar als parallelle voorstellingen die deels door concurrerende gezelschappen uitgevoerd worden waarvan de producenten elkaar kennen. Het is dan ook onwaarschijnlijk dat het ooit tot één Koerdische staat zal komen. Nationaal verzet van de betroffen landen, onderlinge verdeeldheid onder de Koerdische elites en verschillen in nationale context zijn simpelweg te groot. Deze argumentatie verdient evenwel nadere toelichting.
De Koerdische Regio van Irak wordt sinds 2003 bestuurd door een duopolie van de Koerdistan Democratische Partij (KDP) en de Patriottische Unie van Koerdistan (PUK). Deze partijen zijn niet van zins gebleken hun macht uit handen te geven en opereren autocratisch. Daarnaast hebben ze sinds het einde van de strijd tegen de IS en het mislukte Koerdische onafhankelijkheidsreferendum van september 2017 met steeds meer protest te maken vanwege de matige kwaliteit van hun bestuur, nepotisme en corruptie.
In Turkije gloorde na decennia van onderdrukking van de Koerden kort hoop. In 2002/3 stelde Minister-President Erdogan verrassenderwijs dat een militaire aanpak de Koerdische kwestie niet kon oplossen. Dit leidde tot vredesonderhandelingen tussen de Turkse regering en de PKK van 2006 tot 2011 (het Oslo-proces) en van 2013 tot 2015. Deze positieve ontwikkeling werd in 2015 mede de bodem ingeslagen toen een onverwacht positieve verkiezingsuitslag de HDP boven de kiesdrempel van 10% bracht. Dit dreigde Erdogan’s plannen om het Turkse parlementaire systeem om te vormen tot een presidentieel stelsel te torpederen omdat de HDP daar geen voorstander van is. Met op de achtergrond ontwikkelingen als het succes van de Syrische Koerden, de strijd tussen de AKP en de Gülen-beweging om controle over de Turkse staat en terroristische aanslagen in Turkije zelf, brak in hetzelfde 2015 al snel een nieuwe gewapende confrontatie uit tussen de Turkse strijdkrachten en de PKK, inclusief de ‘stadsoorlog’ in zuidoost Turkije.
Box 1. De rol van Turkije in de Syrische burgeroorlog
Minister-president Erdogan nam al vroeg in de Syrische burgeroorlog hard stelling tegen president Assad door zich op het standpunt te stellen dat de laatstgenoemde diende te vertrekken. Turks beleid werd kracht bijgezet door (in)directe steun voor zowel meer gematigde als meer radicale oppositiegroepen. Turkije wist deze beleidsdoelstelling echter niet te verwezenlijken. Evenwel, in de praktijk verschoof de nadruk in het Turkse Syrië beleid al in de loop van 2015 naar het tegenwerken van de Syrische Koerden. De Turkse regering heeft sindsdien consistent getracht de bewegingsruimte, territoriale controle en machtspositie van de Syrische Koerden te ondermijnen.
In eerste instantie gebeurde dit indirect door het ondersteunen van Syrische oppositiegroepen die bereid waren de strijd aan te gaan met de YPG, en door inzet van president Barzani van de Koerdische Autonome regio van Irak om de PYD politiek te ondermijnen. Deze aanpak was weinig effectief en al gauw zag Turkije zich genoodzaakt haar eigen troepen in te zetten voor respectievelijk operatie Euphrates Shield (2016), het creëren van safe zones aan de Turks-Syrische grens (2017) en operatie Olive Branch in Afrin (2018). De gemene deler van deze operaties is dat ze de territoriale controle van de Syrische Koerden bemoeilijkten of zelfs terugdraaiden. Vooralsnog zijn ze effectief gebleken in het inperken van ‘Syrisch Koerdistan’.
Tot slot is nog van belang dat geen van deze Turkse operaties plaatsvond met instemming van het Syrische regime. Het Turkse verzet tegen een Russisch-Iraans-regime offensief in Idlib kan dan ook mede verklaard worden vanuit de verwachting dat herovering van Idlib de weg vrijmaakt voor het opvoeren van de druk op Turkije om de door haar bezette delen van Syrië te ontruimen.
Bron: International Crisis Group, Saving Idlib from destruction, Beirut/Brussel: ICG, 2018; Van Veen en Yüksel (2018), op.cit.
In Syrië zijn de ontwikkelingen complexer. Hoewel de PYD het momenteel voor het zeggen heeft in Rojava, bestaat er de nodige verdeeldheid tussen de PYD en andere Syrische Koerdische partijen. Dit ondanks de oprichting van een gezamenlijk koepelbestuur (TEV-DEM). Daarnaast hebben de Syrische Koerden via hun deelname in de Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF) – een gemengd Koerdische/Arabische oppositie militie tegen Assad - ook flinke stukken Syrië veroverd, zoals de steden Manbij en Raqqa, en delen van het oosten van het land die hoofdzakelijk Arabisch zijn. Dit levert zowel lokale spanningen op, als problemen met het Syrische regime en Turkije. In het kluwen van Koerdische organisaties in Syrië is tot slot de precieze verhouding tussen de PKK en PYD ambigu. Dat ze een innige relatie onderhouden is geen geheim, maar het is niet evident dat deze hiërarchisch van aard is of dat hun doelstellingen op korte termijn hetzelfde zijn.
Net als Turkije heeft ook Iran heeft een gespannen relatie met haar Koerdische bevolking, waarin diens streven naar meer politieke en culturele autonomie over het algemeen met intimidatie en geweld de kop wordt ingedrukt. Hoewel verschillende Iraans Koerdische partijen vandaag de dag de nadruk leggen op politiek en civiel verzet – mede ingegeven door het eindeloze sektarische geweld in Syrië en Irak – ontvouwt zich ook al decennialang een kat-en-muis spel tussen de Iraanse Revolutionaire Garde (ICRG) en diezelfde Iraans Koerdische partijen in de vorm van aanslagen, executies, hinderlagen en strafexpedities. De ICRG-raketaanval op een bijeenkomst van de Koerdistan Democratische Partij van Iran (KDPI) en de Democratische Partij van Iraans Koerdistan (PDKI) begin september, is hiervan een goed recent voorbeeld. De meeste Iraans Koerdische partijen opereren vanuit Iraaks Koerdistan met (in)directe steun van de PUK. De laatste onderhoudt, verrassend genoeg, ook goede banden met Iran. Per saldo wisselen vrede en geweld elkaar in een gespannen verhouding af in de visies en activiteiten van de Iraanse overheid enerzijds, en de Iraanse Koerdische Partij (PJAK), KDPI, PDKI en overige partijen anderzijds.
Per saldo zijn de spelers en krachtenvelden die de Koerdische kwestie in Turkije, Irak, Iran en Syrië kenmerken weliswaar met elkaar verbonden, maar ook verschillend van aard. Het heeft daarom weinig zin heeft om actie-georiënteerd over ‘de Koerdische kwestie’ te spreken, laat staan een pan-Koerdische staat te verwachten. Historisch onderzoek laat ook zien dat de doelstellingen en methoden van de ´Koerdische strijd´ vaak een functie zijn van nationale machtsverhoudingen, de lokale mate van autonomie en verschuivende identiteitsaccenten in de landen waarin specifieke Koerdische gemeenschappen leven.
De baanbrekende prestaties van de Syrische Koerden zijn dus niet persé een opmaat naar een pan-Koerdisch revival. Maar wat zijn ze dan wel? En zijn er verder in het tumult van het Midden-Oosten nog lichtpuntjes te bespeuren in het Koerdische vraagstuk?
Recente mijlpalen in de Koerdische kwestie
Vanuit geopolitiek perspectief blijft de oprichting van de Koerdische Autonome regio van Irak in 2003/5 van belang ondanks al haar bestuurlijke tekortkomingen en familiepolitiek. Het vormt de enige permanente territoriale basis voor een autonoom Koerdisch project. Als de toonaangevende Iraaks Koerdische families zich meer zouden richten op het creëren van een efficiënte overheid die Iraaks Koerdistan sociaaleconomisch klaarstoomt voor de 21e eeuw in plaats van onafhankelijkheid, zich meer zouden laten inspireren door ‘democratisch confederalisme’ in plaats van het in stand houden van hun machtsduopolie, en hun relaties met de PYD en PKK zouden versterken via koepelfora zoals de Unie van Koerdische Gemeenschappen (KCK), dan kan er een filosofische, politieke en territoriale krachtenbundeling plaatsvinden die niet-gewelddadige, positieve verandering voor de Koerden in de regio effectiever nastreeft.
Weg van de geopolitiek zijn de oprichting van de Unie van Koerdische Gemeenschappen in 2005, en het door Öcalan ontwikkelde concept van ‘democratisch confederalisme’ belangrijke mijlpalen voor heroriëntatie van de oplossing voor de Koerdische kwestie van territoriale onafhankelijkheid naar beperkte bestuurlijk/culturele autonomie en vreedzame co-existentie. Deze notie voorziet in een radicaal gelijkwaardige samenleving (onder andere tussen mannen en vrouwen), lokale democratische praktijken in relatie tot zowel de staat als de gemeenschap, en legt een grote nadruk op menselijke ontplooiing. Deze elementen maken het concept ook relevant voor niet-Koerdische bevolkingsgroepen, in ieder geval op papier.
Zodra het Syrische regime Idlib heroverd heeft, zal het haar aandacht onvermijdelijk verleggen naar Rojava
Tot slot is de Syrische burgeroorlog - in het bijzonder de creatie van Rojava in 2013/4 - van belang als mijlpaal omdat dit een ‘lite’ variant van de Iraakse Koerdische regio mogelijk maakte, maar op basis van een geheel andere bestuursfilosofie. Dat dit niet zonder slag of stoot gaat, moge evident zijn. Er circuleren genoeg verhalen van machtsmisbruik, annexatie en mensenrechtenschendingen door de PYD. Het grotere risico voor ‘experiment Rojava’ is evenwel minder de interne spanningen waaraan het blootstaat en meer de zwakke positie van de PYD ten opzichte van het Syrische regime. Zodra het Syrische regime Idlib heroverd heeft, zal het haar aandacht onvermijdelijk verleggen naar Rojava. Nu maakt de Amerikaanse aanwezigheid in dit gebied een regime offensief lastig, maar per saldo is het onwaarschijnlijk dat de Syrische Koerden eraan ontkomen een deal te sluiten met Assad et al. vanuit een betrekkelijk zwakke positie.
Vooruitzichten en beleidsrichtingen
Koerdische statelijke ambities ontloken terwijl ze werden vermorzeld tussen de nationalistische molenstenen die in beweging kwamen na de desintegratie van het Ottomaanse Rijk. Het oprichten van een eigen natie leek lang de beste oplossing - maar vereiste ook existentiële gewapende strijd tegen gevestigde staten en machten. De intellectuele veerkracht van Öcalan, de oprichting van de KCK, de heroriëntatie van de PKK en de totstandkoming van Rojava (Syrië) bieden in principe de mogelijkheid om tot vreedzamere co-existentie te komen binnen bestaande landsgrenzen met respect voor Koerdische taal, cultuur en zelfbestuur. Het probleem is dat de autoritaire machtscultuur van de betroffen landen – Syrië, Iran en Turkije – niet openstaat voor dit scenario.
Landen en organisaties die zich de Koerdische kwestie aantrekken, zetten op basis van het voorgaande daarom in op een meervoudige strategie: het ondersteunen van de Syrische Koerden in hun onderhandelingen met Assad; het uitoefenen van druk op de KDP en PUK in Iraaks Koerdistan om tot een democratischer bestel te komen; en het stimuleren van de Turkse en Iraanse overheden om tot een open dialoog – en uiteindelijk een vergelijk – te komen met hun Koerdische bevolking dat een lokaal recht op zelfbeschikking institutionaliseert binnen het kader van bestaande grenzen. Dat is een stevige opgave, maar de richting is duidelijk.