20 jaar strijd tegen terrorisme bleek geldverslindend falen
Serie Conflict en Fragiele Staten

20 jaar strijd tegen terrorisme bleek geldverslindend falen

14 Jul 2021 - 08:45
Photo: Amerikaanse helikopter boven de Afghaanse provincie Khost in 2010. © Expert Infantry / Flickr
Terug naar archief
Author(s):

In de serie ‘20 jaar na 9/11’ staat de Clingendael Spectator stil bij het einde van de langste oorlog uit de Amerikaanse geschiedenis. In deze openingsbijdrage beschrijft terrorismedeskundige Peter Knoope het falen van twintig jaar oorlog tegen het terrorisme en voorspelt hij de fouten die nog gemaakt gaan worden.

De Global War on Terror (GWoT) begon twintig jaar geleden, vrijwel onmiddellijk na de aanslagen op de Twin Towers en het Pentagon. Een belangrijk onderdeel van die oorlog komt nu ten einde. De Amerikanen geven het op.

President Joe Biden zei het als volgt: “We cannot continue the cycle of extending or expanding our military presence in Afghanistan, hoping to create the ideal conditions for our withdrawal [and] expecting a different result.” 1 De Amerikaanse president gaf ook expliciet toe dat een militaire overwinning in Afghanistan onmogelijk is. Dat is nogal wat.

Sommige analisten hebben de vraag of de oorlog een succes is geweest afgezet tegen het oorspronkelijke doel. Dat was immers, in de woorden van de man die het avontuur begon, “to hunt them down and to smoke them out”.2 Dat dreigement was gericht aan de daders van de aanslagen.

Het korte antwoord op de vraag of het oorspronkelijke doel is bereikt, is onlangs door Biden zelf gegeven. Hij beweert immers dat er op dit moment op veel meer plaatsen in de wereld terroristische groeperingen actief zijn dan twintig jaar geleden. Het voortdurend concentreren van de GWoT in Afghanistan is dus ineffectief, aldus de president van de Verenigde Staten.

Knoope - Amerikaanse militair in Afghanistan in 2011. DVIDSHUB - Flickr
Amerikaanse militair in Afghanistan in 2011. © DVIDSHUB / Flickr

Beide constateringen – dat een militaire overwinning op Al Qaida niet haalbaar is en dat er anno 2021 op veel meer plaatsen terroristische organisaties actief zijn dan in 2001 – zouden vergaande consequenties moeten hebben. We zouden niet dezelfde fouten moeten maken in de toekomst. We zouden lessen moeten trekken uit ‘Afghanistan’.

Terrorismebestrijding heeft immers in de afgelopen twintig jaar hoog op de agenda gestaan. En de behoefte aan succesverhalen is evenredig groot. Afghanistan als speerpunt in de GWoT lijkt daar dus niet bij te horen.

Strategieën van de terrorismebestrijder
De strategische keuzes binnen het werkterrein van de terrorismebestrijder zijn beperkt. Grofweg kun je terrorisme bestrijden langs vier strategische hoofdlijnen: met harde hand (met inzet van alle militaire middelen die ter beschikking staan), met zachte hand (en dus met alle politieke en maatschappelijke instrumenten die daarvoor ontwikkeld zijn), door toegang tot de benodigde middelen voor terroristen (geld, wapens, doelwitten) te blokkeren, of door terrorisme als ‘reguliere’ misdaad te beschouwen en dus de politie het werk te laten doen als crime fighters.

Irak, Somalië, Mali, Kameroen en Nigeria staan op de lijst van landen waar militarisering van de aanpak faalde

Het is in de afgelopen twintig jaar allemaal geprobeerd. Toegegeven, veruit het meeste geld ging naar de inzet van militaire middelen. Zeker in de eerste tien jaar viel de keuze vooral op het inzetten van het leger tegen terroristen. Dat gebeurde in de wetenschap dat reguliere legers geen adequate tegenmacht vormen bij het bestrijden van groeperingen die guerrilla-achtige strategieën inzetten.

De mislukkingen zijn dan ook bekend. Irak, Somalië, Mali, Kameroen en Nigeria staan op de lijst van landen waar militarisering van de aanpak faalde. Mozambique is zich op dit moment aan het kandideren om toegevoegd te worden aan dit lijstje.

Het is significant om te onderkennen dat toen terroristen van Islamitische Staat (IS) een eigen staat dreigden te vormen, onder de noemer van het kalifaat, de militaire campagne wél succesvol bleek. Legers zijn instrumenten voor oorlogsvoering tussen staten. Ze zijn veel minder geschikt voor een guerrillaoorlog. Zo blijkt eens te meer.

Een stap voorwaarts?
Een decennium geleden introduceerde de Amerikaanse president Barack Obama de term ‘gewelddadig extremisme’. Het tegengaan van dit extremisme werd zijn kenmerkende benadering. Hiermee zorgde Obama voor een gedeeltelijke paradigmawijziging in het terrorismebestrijdingsveld.

De gedachte achter deze nieuwe benadering was om meer met zachte hand te werk te gaan om de grondoorzaken van terrorisme te achterhalen, en daar vervolgens op in te grijpen met niet militaire middelen. Obama hield overigens tegelijkertijd de militaire strijd tegen terrorisme in stand. Het leek desalniettemin een belangrijke stap voorwaarts.

Knoope - Barack Obama bezoekt als Amerikaanse president de troepen in Aghanistan in 2010. Expert Infantry - Flickr
Barack Obama bezoekt als Amerikaanse president de troepen in Afghanistan in 2010. © Expert Infantry - Flickr

Helaas weten we nu dat er grote nadelen kleven aan het concept gewelddadig extremisme en dat de bruikbaarheid ervan zeer beperkt is. Zeker ook in combinatie met de niet-aflatende militarisering van de aanpak van politiek geweld.

De nadelen zijn legio maar hebben vooral te maken met het gebrek aan helderheid van het concept zelf. Er is nooit duidelijk omschreven wat precies ‘extreem’ zou zijn. Dat laat ruimte voor een scala aan interpretaties van de term; in principe kan elke opponent in een politiek systeem als extremistisch gelabeld worden door een regime. Dat gebeurt dan ook.

Bovendien is extremisme een gedachte, een idee. Het is geen daad. Het criminaliseren van een bepaald gedachtegoed heeft voor de hand liggende nadelen. Stigmatisering, inperking van vrijheden en andere mensenrechtenschendingen zijn het gevolg geweest.

De extremisme-aanpak heeft het probleem op veel plaatsen groter gemaakt

Uiteraard zijn door goed bedoelende niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) en donoren pogingen gedaan om Countering Violent Extremisme (CVE) – zoals het in het jargon is gaan heten – zorgvuldig en respectvol ten uitvoer te brengen. Ik heb daar vele voorbeelden van mogen zien. Deze pogingen zijn echter, alle goede bedoelingen ten spijt, veelal zeer kleinschalig en bereiken vooral mensen die al overtuigd waren van de noodzaak om vreedzaam met elkaar te leven.

De CVE-aanpak is bovendien niet opgewassen tegen het geweld dat overheden inzetten en tegen het wantrouwen in overheden die geweld gebruiken tegen eigen burgers. De analyse van de problematiek, wat het CVE-beleid in een bepaald land definieert, laat bovendien de mensenrechtenschendingen, het machtsmisbruik, de corruptie en andere misstappen van overheden meestal onbenoemd. De overheid bepaalt immers in veel gevallen de CVE-plannen. Het is niet in hun belang zichzelf te kritiseren.

Kortom, CVE is een instrument geworden dat overheden gebruiken om de gedachtewereld van hun eigen burgers in de gaten te houden en onderliggende problemen voor een groot deel weg te moffelen. Daarmee heeft de extremisme-aanpak het probleem op veel plaatsen groter gemaakt. Het verkleint immers de politieke speelruimte voor politieke oppositie en de mogelijkheden voor debat, waardoor onvrede alleen nog maar gewelddadig tot uiting kan komen.

Mensenrechten versus terrorismebestrijding
En dat binnen een werkveld dat vanaf het begin al niet heel ‘schoon’ was in dat opzicht. Guantánamo Bay, Abu Ghraib, targeted killing, geheime terrorismedetentiecentra in zestig verschillende landen, het zonder vorm van proces of beroepsmogelijkheden plaatsen van individuen op terrorisme watchlists; allemaal bekende vormen van schendingen van internationaal recht.

Het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC) is inmiddels gestopt met het aan de kaak stellen van dit soort praktijken. Ze zijn er stil over of van geworden.

Knoope - Amerikaanse drone MQ-1C Sky Warrior. Expert Infantry - Flickr
Amerikaanse drone MQ-1C Sky Warrior. © Expert Infantry / Flickr

De Verenigde Staten volgden zeker de eerste tien jaar het adagium dat in de strijd tegen het kwaad heel veel gerechtvaardigd zou moeten zijn. En dus zijn er inmiddels zeer veel en schrijnende gevallen van soms grootschalige schendingen van mensenrechten in de strijd tegen terrorisme.

Amnesty International en Human Rights Watch trekken met enige regelmaat nog wél aan de bel. Maar het geluid dat terrorismebestrijding nu eenmaal niet kan samengaan met respect voor mensenrechten wordt steeds luider.

Het is niet alleen zo dat de kritiek verstomd. Het is ook zo dat het schenden van mensenrechten door steeds meer overheden wordt verdedigd met het argument dat terrorismebestrijding niet mogelijk is wanneer de overheid de rechten van extremisten moet respecteren. Dit is de droeve en grimmige werkelijkheid die achter twintig jaar van Global War on Terror tevoorschijn komt.

Financiële blokkade
In de afgelopen twintig jaar is ook zeer veel geïnvesteerd in het afstoppen van financiële stromen in de richting van extremisten. Dat heeft een veelheid aan veiligheidsmaatregelen door financiële instellingen opgeleverd. Banken moeten hun klanten bijvoorbeeld controleren op extremistische connecties en maatregelen treffen wanneer er verdachte relaties zouden kunnen zijn. Let wel: zouden kunnen zijn (in jargon: Know Your Client (KYC)).

Maar hoe doe je dat in Mozambique of Kenia? Het gevolg van het feit dat KYC in die landen veelal zeer lastig is, is dat de toegang tot financiële dienstverlening in grote delen van bijvoorbeeld Sub-Sahara Afrika op de tocht is komen te staan (debanking).

De roep om terroristen te laten ‘verdwijnen’ is op veel plaatsen luid te horen

En zo heeft de GWoT onbedoelde maar vergaande gevolgen voor de politieke en economische bewegingsvrijheid van veel mensen en organisaties in grote delen van de wereld. Het heeft ervoor gezorgd dat grassroot organisaties in grote delen van de wereld scherp gecontroleerd worden en hun werk praktisch onmogelijk gemaakt wordt door de administratieve maatregelen vanuit de financiële sector.

De financiële sector die daartoe verplicht wordt door de internationale gemeenschap. En zo snijdt het mes aan twee kanten. De banken maken het werk van civil society bijna onmogelijk. Het is diezelfde civil society die een luis in de pels kan zijn voor de overheid en die voor de overheid misschien net iets te lastig of net iets te extremistisch is.

De politie als crime fighters
En dan is er nog de politie. De Europese Unie heeft zeker tot enkele jaren geleden3 de politie naar voren geschoven als de belangrijkste speler op het terrorismefront. Daar is veel voor te zeggen.

Het heeft wereldwijd tot veel arrestaties geleid. Naar schatting zitten zo’n honderdduizend individuen gevangen op verdenking van betrokkenheid bij terrorisme of extremisme.

Niet alle gevangenen zijn veroordeeld. Integendeel: de bewijsvoering, de verdediging en het horen van getuigen zijn niet altijd eenvoudig. Het vereist een strak georganiseerd en goed functionerend juridisch systeem. Dat is er soms. Maar lang niet altijd, zeker niet buiten de EU. De rechten van de verdachten en slachtoffers komen veelal in de knel.

Daarnaast is de re-integratie van voormalige terroristen en terrorismegevangenen meer dan een uitdaging. In de meeste landen willen dorpen of woonwijken geen onderdak bieden aan voormalige extremisten. En daarmee is de roep om terroristen te laten ‘verdwijnen’ op veel plaatsen luid te horen.

Who calls the shots?
Maar, denkt u wellicht als lezer, nu de VS en hun bondgenoten zich terugtrekken uit Afghanistan, zal de strijd tegen terrorisme wellicht gaan veranderen. Deze bijna expliciete erkenning van het falen van de militaire benadering van terrorismebestrijding, het verlies van een grootmacht tegenover  een groep opstandelingen, zal wellicht tot bezinning en heroriëntatie leiden.

Een terugblik en strakke evaluatie van de inzet van miljarden dollars ligt voor de hand. Maar niets wijst erop dat dat gaat gebeuren. En dat heeft te maken met de ingrijpende verandering die zich in de afgelopen jaren in de internationale arena heeft voorgedaan.

Knoope - Amerikaanse militairen tijdens een hardlooptraining in 2010. Expert Infantry - Flickr
Amerikaanse militairen tijdens een hardlooptraining in 2010. © Expert Infantry / Flickr

De VS waren immers een alleenheerser op het internationale toneel op 11 september 2001. They called the shots. Dat is echter niet meer het geval. China en Rusland hebben ieder op hun eigen manier een plaats op het wereldtoneel opgeëist. Die plaats staan ze niet meer af.

Het zijn met name deze nieuwe spelers die de combinatie van mensenrechten en terrorismebestrijding in een bepaald licht zien. Voor hen zijn de twee moeilijk verenigbaar. Het wegzetten van politieke oppositie als extremisten is een handig instrument om korte metten te maken met onwelgevallige kritiek.

En eigenlijk nemen ze daarmee dus in zekere zin de oorspronkelijke positie van de VS over. In de strijd tegen het kwaad is alles geoorloofd. China en Rusland waren het daar toen én zijn het daar nu nog altijd hartgrondig mee eens. Alleen wordt de definitie van ‘het kwaad’ aangepast aan de politieke realiteit in de genoemde landen.

De vraag of extremisten een reden hebben om zich tegen onderdrukking en een gewelddadige of corrupte overheid te verzetten, zal niet meer gesteld kunnen worden

Naarmate de rol van deze nieuwe machten op het internationale toneel toeneemt, zal de strijd tegen extremisme en terrorisme harder en hartelozer worden, de aandacht voor grondoorzaken afnemen en het respect voor de rechten van veronderstelde daders, verdachten, gevangenen en daadwerkelijke daders minder zijn. De roep om terroristen gewoon maar te laten ‘verdwijnen’ zal alleen maar luider worden.

De vraag of extremisten een reden hebben om zich tegen onderdrukking en een gewelddadige of corrupte overheid te verzetten, zal niet meer gesteld kunnen worden. Dat is helaas de werkelijke oogst van twintig jaar oorlog tegen terrorisme. Het is de wrange conclusie na het falen van een aanpak.

Een aanpak die leek te zijn ingegeven door het motto ‘better any action, than the best action’. Wanneer het land wordt aangevallen moet de leider actiebereid en dapper zijn. Dapper was het. Maar zeker niet het beste. Het heeft de deur geopend voor geldverslindend falen. En blijkbaar niet voor het leren van gemaakte fouten. Eerder voor meer fouten in de toekomst.

Auteurs

Peter Knoope
Senior Associate Fellow bij Instituut Clingendael