Boeken & Films Diplomatie en Buitenlandse Zaken

Boekbespreking: Het buitensporig geweld in Indonesië

20 Dec 2016 - 15:44
Terug naar archief
 

Rémy Limpach 

De brandende kampongs van Generaal Spoor

Amsterdam: Boom uitgevers, 2016; € 39,90; 920 pp.; ISBN: 978-90-2440-717-0

 

Gert Oostindie 

Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis

Amsterdam: Prometheus Bert Bakker, 2015; € 29,95; 320 pp.; ISBN: 978-90-3514-349-4

 

Heeft Nederland de dekolonisatie van Indonesië ooit verwerkt? Al sinds de Excessennota in 1969 woeden er met de regelmaat van de klok in de media en de publieke opinie debatten, niet over de dekolonisatie als zodanig, maar over de oorlogsmisdrijven die Nederlandse militairen tussen 1945 en 1950 bedreven. Deze zich zelf repeterende discussies leverden zelden iets nieuws op.[1] Wel was er de laatste jaren een breed appèl tot nieuw onderzoek. De respons in de media op Soldaat in Indonesië van Gert Oostindie en De brandende kampongs van generaal Spoor van Remy Limpach was dan ook overweldigend. Alle aandacht concentreerde zich op het ‘harde oordeel’ van beide auteurs dat het Nederlandse leger ‘structureel geweld’ had toegepast. Maar wat voegen beide auteurs toe aan onze kennis? Er is immers in volstrekt contrast tot wat sommige critici beweren,[2] in de loop der jaren over het onderwerp heel wat afgeschreven.

Historische flash back
Het startpunt van alle discussies vormt uiteraard de regeringsnota uit 1969. De Excessennota meldde enerzijds dat het gros van de troepen zich correct had gedragen en dat er geen sprake was van systematisch excessief geweld, maar maakte anderzijds een duidelijke uitzondering voor het optreden van de de inlichtingendiensten en van de speciale eenheden, met name in Zuid-Celebes. De stelling dat het extreem geweld een beperkt karakter had gedragen, zou decennia later grote verontwaardiging wekken, maar werd in feite al in 1970 krachtig ondergraven.

Van Doorn en Hendrix, zelf veteranen, publiceerden toen een briljante studie waarin zij concludeerden dat excessen op ruime schaal waren voorgekomen. [3] Hun baanbrekende studie werd gevolgd door uitvoerige case studies over Zuid-Celebes (W. IJzereef), over Rawa Gedeh (Scholtens), over het optreden van het Korps Speciale Troepen (J.A. de Moor), over de verwerking door de veteranen (Scagliola), over het Indonesisch geweld (J. Th. Bussemaker) en het Brits geweld (R. Macmillan). Deze onderzoeksresultaten vonden hun weg in breed opgezette dekolonisatiestudies, zoals die van L. de Jong, H.W. van den Doel, J.J.P. de Jong en De Moor. Het debat werd daarmee een zaak van historici, niet van regering en parlement en zo hoort dat ook, verklaarde premier Lubbers tijdens een van de vele verhitte excessendiscussies. [4]

De studies
De media bleken echter over een nogal zwak geheugen te beschikken. Toen na 2008 het excessendebat als gevolg van geruchtmakende processen en foto’s weer oplaaide, was er geen enkele referentie aan al het historisch spitwerk. Wel liep men te hoop tegen de lang en breed achterhaalde Excessennota, die als een van boven opgelegde staatscanon werd gezien. De nota, zo luidde de kritiek, zette de excessen als incidenteel neer. Zij moest worden overgedaan. Oostindie en Limpach, met op de achtergrond de hen steunende instituten, [5] springen hierop alert in door het massageweld uitgebreid in kaart te brengen; zij het op verschillende wijze.

Oostindie stortte zich allereerst op de uitgebreide veteranenliteratuur. Hij en zijn team raadpleegden daartoe zo’n 650 egodocumenten. Het resulteerde in een rijke bloemlezing, gecentreerd rond thema’s die het handelen, denken en voelen van de militairen in de periode 1945-1950 weergeven, waaronder de geweldsexcessen. Parallel daaraan werd een database aangelegd met alle relevante informatie over dit extreme geweld. Het is een originele, volstrekt nieuwe bijdrage aan onze kennis.

Limpachs bijdrage ziet er heel anders uit. Zijn grote verdienste is dat hij (Andere Tijden attendeerde er ook al op)[6] alle gefragmenteerd, reeds gepubliceerd materiaal samenvat en van een nieuwe analyse tracht te voorzien. Het leidt tot een gedetailleerde inventarisatie van de eerste golf van geweld (eind 1945 tot eind 1946) en mondt uit in een door archiefonderzoek nader aangevulde schets van een aantal reeds in de Excessennota vermelde cases zoals de Zuid-Celebes-affaire en Rawa Gedeh. Een apart chapiter vormt de uiterst gewelddadige Indonesische Revolutie, de ‘Bersiap periode’, met zijn tienduizenden Nederlandse slachtoffers, een onderwerp waarover in het debat tot dusverre een volstrekt stilzwijgen heerste. Limpach durft – en dat is te prijzen –het taboe te doorbreken. Het is niet de enige verrassing. Ook het massale geweld van Britse zijde wordt fundamenteel en op heldere wijze aan de orde gesteld.

Maar dan beginnen de problemen. Over de volgende, o zo cruciale periode tot eind 1949 is stukken minder gepubliceerd. Ook de archieven blijken, zoals sommigen al voorspelden, betrekkelijk weinig materiaal op te leveren. Dat heeft zijn gevolgen. Limpach probeert het weliswaar op te lossen door de verschillende vormen van geweld te rubriceren en vervolgens via enige voorbeelden (door veteranen aangedragen cases) te adstrueren. Maar van een werkelijke inventarisatie en analyse is geen sprake; het biedt hoogstens een route voor toekomstig onderzoek. Waarom putte hij niet uit de door Oostindie gebruikte veteranenliteratuur? Het is doodzonde; het maakt dit part van zijn studie hybride en stelt zijn conclusies op losse schroeven.

De auteur maakt het enigszins goed via een uitstekende schets van de werking van het juridisch apparaat, waarbij hij rijkelijk put uit de in de nota van 1969 vermelde 141 gevallen van extreem geweld en met name uit het tot dusverre onderbenutte archief Van Rij-Stam. Het leeuwendeel van de gewelddaden werd overigens ‘getutupt’, met een mantel van geheimhouding bedekt.

 

Limpach constateert bij alle strijdende partijen een algehele dispositie tot buitensporig geweld

 

Maar vervolgens slaat hij de plank mis wanneer hij de verantwoordelijkheid voor het gehanteerde buitensporig geweld in kaart probeert te brengen. Van Doorn en Hendrix hebben het nog over enerzijds hogere commandanten die wegkeken en tolereerden, anderzijds over eenheden die zeer zelfstandig opereerden en alles onder de pet hielden. De Moor rept over Spoor die zijn hearts and minds-beleid zag stuklopen en zijn troepen voortdurend kapittelde, en laat tevens zien hoe men herhaaldelijk een strafrechtelijk onderzoek instelde om daarna toch niet tot vervolging over te gaan. Kortom, nogal tegenstrijdige tendenzen.

Limpach gaat echter een stap verder. De hogere autoriteiten in Batavia, klinkt het, wisten wel degelijk van het massageweld op laag niveau, maar gedoogden het en gaven daarmee toestemming, zoniet lokten ze het uit. Het is een stelling die in enkele gevallen, zoals Zuid-Celebes, opgaat, maar die hij – ook Oostindie bekritiseert hem daarom – bij een elementair gebrek aan (bovendien vaak tegenstrijdige) cases niet kan waarmaken.

Achtergronden
Limpachs boek is vooral een optelsom van gepleegde wandaden. Over wat er precies in de directe militaire omgeving aan de hand was (zo blijven de faits et gestes van de tegenstander doorgaans onzichtbaar) krijgen we weinig te horen. Pas aan het slot van Limpachs inventarisatie komt de vraag aan de orde waar de lezer al die tijd reikhalzend naar heeft uitgekeken: onder welke omstandigheden kwamen de extreme gewelddaden precies tot stand? Bij zulk onvolledig materiaal is het lastig conclusies te trekken, maar moed kan Limpach niet worden ontzegd. Hij constateert bij alle strijdende partijen een algehele dispositie tot buitensporig geweld. De oorzaken waren aan Nederlandse kant vooral te vinden in uiterst zelfstandig optreden van de militaire eenheden, vage orders, doelstellingen en strategie die voortdurend botsten met een geringe troepensterkte, een demoniserend vijandbeeld en een vooral in 1949 zeer laag moreel.

 

Oostindie vindt dat van systematisch, van bovenaf verordonneerd geweld geen sprake was

 

Het komt in de kern neer op het conceptuele kader dat Van Doorn en Hendrix al in 1970 ontwikkelden, waaraan hij in hun algemeenheid nogal aanvechtbare waarnemingen als slechte commandanten, een gebrekkige discipline en opleiding toevoegt. Opvallend is wel dat hij niet het thema incorporeert dat bij Van Doorn en Hendrix een centrale plaats inneemt: dat van guerilla en contraguerilla. En dat is bijzonder vreemd. De Indonesische revolutie vormde immers het centrale probleem waarom alles draaide. Het gekke is dat Limpach in sommige passages de interactie met de revolutionaire tegenstander als bepalend ziet en dan er een zeker begrip voor op kan brengen om vervolgens weer elders blind te varen op een sterke dispositie tot extreem geweld, voortspruitend uit de betrokken legers zelf.

Structureel geweld
De conclusie van Van Doorn en Hendrix dat het extreem geweld op ruime schaal plaatsvond, wordt – dat is duidelijk – door beide auteurs volstrekt onderschreven. Op twee punten verschillen zij echter van mening. Terwijl Oostindie vindt dat van systematisch, van bovenaf verordonneerd geweld geen sprake was, maakten bepaalde eenheden zich daaraan volgens Limpach wel degelijk schuldig. Beide auteurs zijn het er echter weer roerend over eens dat het leger zich als totaliteit aan structureel extreem geweld bezondigde; zij het dat slechts een minderheid zich misdroeg.

Dit klinkt rijkelijk schizofreen. Maar bij Oostindie is de verklaring vrij simpel. Hij wil alleen maar zeggen dat dat geweld niet incidenteel, maar frequent en massaal was. Dat hij slechts 710 cases kon turven, vindt hij verrassend weinig. Het moeten er, zegt hij verontwaardigd, veel meer zijn geweest: 1000’en zoniet 10.000’en cases. Er was sprake van onderrapportage! Bij Limpach heeft ‘structureel’echter een diepere betekenis. ‘Structureel‘ betekent, legt hij uit, dat een verschijnsel zich steeds weer voordoet en niet toevallig is, maar een diepere oorzaak heeft.

Die diepere oorzaken schetste ik hierboven al. Het lost één vraag niet op. Waarom ging, als die diepere oorzaken voor het gehele leger golden, alleen een minderheid in de fout? ‘Structureel’ is even suggestief als nietszeggend. Van Doorn en Hendrix gebruikten die term niet. Zij spraken over een ‘geweldsfuik’ en trachtten vooral de ‘context’ te schetsen waaronder massageweld bij bepaalde eenheden, in bepaalde periodes en onder bepaalde ‘condities’ mogelijk werd. Een verstandige benadering, omdat die omstandigheden per fase van het militair conflict en per locatie nogal uiteenliepen.

Slot
Limpach fulmineert tot slot over het volstrekt kansloze beleid van generaal Spoor waaraan Nederlandse militairen werden opgeofferd. Met deze stelling verlaat hij het excessendebat en raakt hij aan het gevoerde dekolonisatiebeleid. Over de grote lijnen van het politieke en militaire dekolonisatiebeleid is de laatste decennia een stroom van onderzoek gepubliceerd dat in het boek zelf grotendeels wordt genegeerd. De lezer krijgt nergens te horen wat er precies aan de hand was, op enkele glossen na. Zowel de bredere militaire als de politiek-diplomatieke context blijft onhelder.

De bekende, maar inmiddels in de historiografie zwaar aangevochten zwart-wit-patronen van een Nederland uit op koloniaal gezagsherstel, verschijnen weer.[7] Vrijwel niets over de pogingen om tot een diplomatieke oplossing te komen en de cruciale rol die het leger daarbij speelde. Zonder militaire factor zouden akkoorden zoals Linggadjati en de RTC[8] onmogelijk zijn geweest. De TNI was in vrijwel de gehele periode 1945-1950 rabiaat tegen een diplomatieke oplossing en wilde maar één ding: de Nederlanders gewapenderhand uit Indonesië verdrijven. De RTC werd pas mogelijk nadat het leger in 1949 een patstelling met de TNI had bevochten en de TNI concludeerde dat alleen een diplomatieke oplossing soelaas bracht.

Uit beide studies wordt één ding duidelijk. We hebben te maken met onvoltooid onderzoek. Limpach en Oostindie hebben weliswaar hun gebreken, maar bieden een constructieve stepping stone voor verdere research. De regering sprak op 2 december jl. haar bereidheid uit om dit financieel te steunen. Dat onderzoek zou echter dan wel, zoals Oostindië voorstelt, in de richting moeten koersen van insurgency and counterinsurgency; net als bij andere internationale dekolonisatiestudies. Het Nederlands en Indonesisch militair beleid, de uitwerking in het veld en de interactie tussen beide dienen het uitgangspunt te zijn en niet een uitsluitende fixatie op oorlogsmisdrijven (de weg die Limpach wil blijven bewandelen). Deze sluit, dat is wel duidelijk, een bredere blik op en analyse van het gevoerde beleid uit.

De Indonesische kant van de medaille, te starten met de Indonesische Revolutie (de Bersiap), zal bij dergelijk onderzoek speciale aandacht moeten krijgen. Het excuus van geen toegang tot de Indonesische archieven geldt niet. Historici als Cribb en Frederick hebben al laten zien dat de Nederlandse archieven het nodige materiaal bevatten.

 

Joop de Jong is historicus. Hij schreef twee uitvoerige boeken over de dekolonisatie die hij recentelijk samenvatte in 'De terugtocht.Nederland en de dekolonisatie van Indonesië' (Amsterdam, 2015).



[1] Zie ‘Tussen trauma en verwerking’, in: J.J.P. de Jong, De terugtocht. Nederland en de dekolonisatie van Indonesië, Amsterdam, 2015.

[2] Zie Anne Lotte Hoek in: NRC-Handelsblad, 16 september 2016; en Beatrice de Graaf in: NRC-Handelsblad, 7 oktober 2016.

[3] J.A.A. van Doorn & W.J. Hendrix, Ontsporing van geweld, Rotterdam, 1970 (tweede druk: Dieren, 1983).

[4] Antwoord van minister-president Lubbers op 7 juni 1988 op vragen van de kamerleden Beckers-de Bruin en Lanckhorst. HTK 1987-1988, nr. 604.

[5] Het Nederlands Instituut voor Militaire Geschiedenis en het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde.

[6] Andere Tijden, 4 oktober 2016.

[7] Voor een schets van de discussie tussen traditionalisten en revisionisten, zie onder meer het voorwoord in J.J.P. de Jong, Avondschot. Hoe Nederland zich terugtrok uit zijn Aziatisch imperium, Amsterdam, 2011.

[8] RTC = Ronde Tafel Conferentie.

 

Auteurs