De stille kracht van de Nederlandse buitenlandpolitiek
Analyse Diplomatie en Buitenlandse Zaken

De stille kracht van de Nederlandse buitenlandpolitiek

Jan Willem Brouwer +1
10 Jul 2018 - 13:37
Photo: Nationaal Archief
Terug naar archief

Max van der Stoel gold als een bijzonder saaie man. Kundig en betrouwbaar, maar kleurloos. In de jaren negentig was de voormalige minister van Buitenlandse Zaken (1973-1977 en 1981-1982) Hoge Commissaris voor de Minderheden bij de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE). The Economist omschreef zijn taak in 1999 als ‘certainly the most unglamorous of the international trouble-shooting post that tend to go to political has-beens.’ Maar volgens het Britse weekblad was Van der Stoel er geknipt voor: ‘with his heavy spectacles and slightly lugubrious, stolid manner, [he] is himself stunningly unglamorous […] even his admirers cannot say for sure whether he has ever cracked a joke.’1

Dat er op deze persoonsschets een en ander af te dingen valt, blijkt wel uit de recente biografie van Anet Bleich. De Stille Diplomaat is een zeer toegankelijke studie van leven en werk van Van der Stoel (1924-2011). Bleichs bevindingen zijn niet allemaal even oorspronkelijk (over de oud-minister is immers al het nodige geschreven2) maar ze presenteert ze op basis van nieuw, gedegen onderzoek met extra overtuigingskracht en vooral: leesbaarheid.

Om te beginnen viel die vermeende saaiheid wel mee, althans voor wie Van der Stoel echt leerde kennen. In vertrouwde kring kon hij volgens Bleich aardig zijn, charmant zelfs, en geestig. Ook blijkt hij een driftkop te zijn geweest, als kind en in zijn latere leven. Na het stranden van zijn dertigjarige huwelijk met de keurige Annemarieke de Kanter begon hij een relatie met de Griekse schone Dionysia Chatzipetrou; vanaf 1989 ontwikkelde hij bovendien een intieme band met de 45 jaar jongere Tsjechische student Martin Mlynar.

Max van der Stoel in zijn dienstauto
Max van der Stoel in zijn dienstauto. Bron: Nationaal Archief

Toch zou Van der Stoel altijd een gereserveerdheid houden, vaak op het kille af. Ook tegenover intimi. Bleich wijt deze houding aan de vroege scheiding van zijn ouders in 1937. De toen dertienjarige Max had moeite om deze ervaring te verwerken, en legde vanaf die periode zijn gevoel ‘aan de ketting, achter een masker van zelfbeheersing’. Ze voegt er tussen haakjes aan toe: het zou hem als diplomaat goed van pas komen.3

Mensenrechten
Andere jeugdervaringen die de vroeg politiek geïnteresseerde Van der Stoel beïnvloedden waren de gefnuikte appeasement van Hitler Duitsland in de late jaren dertig, de Bezetting 1940-1945 en de communistische staatsgreep in Tsjechoslowakije in 1948. Tezamen vormden zij de mentale basis voor zijn doorleefde Atlanticisme en zijn toewijding aan de mensenrechten. Vooral dat laatste thema vormt de rode draad in Van der Stoels carrière. Om zijn inzet ervoor wordt hij nog altijd geëerd, zij het vooral buiten Nederland. Zijn ijver voor het herstel van de democratie in Griekenland na de kolonelscoup van 1967 heeft ervoor gezorgd dat er een universiteit, een straat en een onverhard pad naar hem zijn vernoemd. In Tsjechië heeft hij zeker bij de oudere generatie een heldenstatus, vanwege zijn morele en diplomatieke steun aan de dissidenten van Charta 77. De ultieme erkenning – de Nobelprijs voor de Vrede – heeft hij echter nooit gekregen. Tweemaal droeg een Nederlands kabinet hem voor als kandidaat, maar tevergeefs.

Ronduit kritisch is Bleich over zijn steun aan de Amerikaanse inval in Irak in 2003

In haar beschrijving van zijn inzet voor de mensenrechten blijkt duidelijk dat Bleich gecharmeerd is van haar protagonist. Maar daarmee is niet gezegd dat ze met hem dweept. Zo laat ze zien dat hij niet bevroedde dat zijn succesvolle inzet voor de erkenning van de mensenrechten in Oost-Europa tijdens de vermaarde Helsinki-onderhandelingen in 1975 (tussen onder meer de Sovjetunie en haar bondgenoten enerzijds en NAVO-landen anderzijds) zo’n impact zou hebben achter het IJzeren Gordijn. Er was geen sprake van een masterplan van Van der Stoel om het communisme in Oost-Europa te ondermijnen. Integendeel, de toenemende en uiteindelijk effectieve roep om meer inspraak en democratie in Oost-Europa verraste hem.

Ronduit kritisch is Bleich over zijn steun aan de Amerikaanse inval in Irak in 2003. Zijn weerzin jegens het regime-Saddam zorgde er volgens haar voor dat hij als VN-rapporteur voor de Mensenrechten al te gemakkelijk steun gaf aan de Amerikaanse interventiepolitiek gericht op regime change in Irak.

Het Nederlandse vingertje
De Stille Diplomaat is echter meer dan een beschrijving van de triomfen en missers van een van Nederlands invloedrijkste diplomaten en politici van de twintigste eeuw. Het boek geeft ook een mooi beeld van de ontwikkeling van de naoorlogse Nederlandse buitenlandpolitiek, en dan met name in de periode 1965-1982 – ook wel ‘de lange jaren zeventig’ genoemd. Het waren de jaren van Nieuw Links, van luidruchtige kritiek op Amerikaanse optredens in Vietnam en Chili; en van het ‘mythische’ kabinet-Den Uyl (1973-1977), het meest linkse kabinet dat Nederland gekend heeft, waarin Van der Stoel minister van Buitenlandse Zaken was. Auteurs als Hellema hebben deze periode bestempeld als ‘een progressieve afwijking’ van de ‘rationele’ naoorlogse lijn, gericht op de behartiging van economische en veiligheidsbelangen, waarbij de nauwe band met bondgenoot Amerika voorop stond.4

Progressief Nederland omarmde in deze jaren onder meer het gidsland-ideaal, wat er mede voor zou hebben gezorgd dat de spreekwoordelijke Nederlandse ‘koopman’ nogal eens in de voet werd geschoten door de ‘dominee’ van de linkse kerk. De cabaretier Seth Gaaikema zong er in 1978 smakelijk over:

‘het vingertje van Van der Stoel / dat reist de wereld rond / en overal waar het komt / daar doet het van zich spreken / wat hebben grote mogendheden / op hun neus gekeken / als het vingertje / verontwaardigd / iets niet in orde vond / voor hun verbaasde ogen / maakte het opgewonden sprongetjes / veranderde presidenten / in kleine stoute jongetjes.5

Bleichs analyse toont aan dat er een en ander schort aan dit beeld, dat toch vooral lijkt ingegeven door een overmatige focus op de retoriek van Nieuw Links-politici als Jan Pronk, de toenmalige minister van Ontwikkelingssamenwerking. Deze schrok er inderdaad niet voor terug om bondgenoten en economisch belangrijke partners als Indonesië publiekelijk de les te lezen over zaken als mensenrechten en ontwikkelingssamenwerking. Maar wie kijkt naar het eigenlijke buitenlandbeleid dat Nederland in de lange jaren zeventig implementeerde, ontwaart een ander patroon. Dat beleid bleef welbeschouwd stevig in handen van ervaren diplomaten als Van der Stoel en kenmerkte zich door een grote mate van continuïteit en realisme, waarbij nauwe samenwerking binnen het Atlantisch bondgenootschap de doorslaggevende factor bleef.

Common sense
Anders dan Seth Gaaikema zong, heeft Van der Stoel gedurende zijn ministerschap nooit zijn vingertje geheven, ook niet als het om de voor hem zo belangrijke mensenrechten ging. Hij keek wel uit. Hij was op buitenlandpolitiek gebied naar eigen zeggen ‘heel strijdbaar anti-Nieuw Links’, had een hekel aan getuigenispolitiek en moest, zoals overigens een aanzienlijk deel van het Haagse politieke en diplomatieke establishment, ook niets hebben van het gidsland-ideaal. Dat vond hij veel te pretentieus. In plaats daarvan verkoos hij zoveel mogelijk de stille diplomatie om andere landen te overtuigen om de mensenrechten serieus te nemen.

Van der Stoels inzet voor de mensenrechten stoelde bovendien op common sense. Hij beschouwde ze als een fundament van internationale stabiliteit: ‘voortdurende vertrapping van mensenrechten […] leidt op den duur tot ontlading van spanningen die alle stabiliteit in de wereld kunnen wegvagen’ – dat zou ook een land als Nederland niet ten goede komen.6

Max van der Stoel te water
Max van der Stoel te water. Bron: Nationaal Archief

Mensenrechten was bovendien een thema waar Nederland als klein land zich in de internationale arena effectief voor kon inzetten, en ook mee kon profileren. Hoewel er binnen verschillende EEG-landen aanvankelijk verwondering bestond over Van der Stoels ‘drammerig gezeur’, wist hij de partners in de Europese Gemeenschap in 1977 zover te krijgen dat zij de mensenrechten als een essentieel onderdeel van een Europees buitenlandbeleid bestempelden. Hij beschouwde het, niet ten onrechte, als een van zijn belangrijkste successen.

Bleich kent Van der Stoel wellicht te veel eer toe als ze hem de vader van het mensenrechtenbeleid noemt. Dat beleid was – zoals ze zelf ook aangeeft – al in de maak toen hij minister werd. Zijn voorganger Norbert Schmelzer (KVP) bestempelde de mensenrechten in 1972 al als een belangrijk aandachtpunt. De befaamde nota ‘De rechten van de mens in het buitenlands beleid’, gepresenteerd door het kabinet-van Agt in 1979, was zeker schatplichtig aan Van der Stoel, maar zou er niet zijn geweest zonder de ontvankelijkheid voor het thema binnen het Nederlandse buitenlandpolitieke establishment.

Effectiviteit en haalbaarheid stonden voor hem centraal, ook in het mensenrechtenbeleid

De nota geldt als nog altijd als het moment waarop de mensenrechten een wezenlijk onderdeel werden van het Nederlandse buitenlandbeleid. Hij ademt na herlezing een opvallend realisme, en stelt dat het bevorderen van de mensenrechten ‘als onderdeel van het totale beleid niet onder alle omstandigheden voorrang kan genieten boven de andere doelstellingen van dat beleid’.7 Het is van der Stoel ten voeten uit. Effectiviteit en haalbaarheid stonden voor hem centraal, ook in het mensenrechtenbeleid. Als het opkomen voor de mensenrechten weinig effect sorteerde, of wezenlijke Nederlandse economische of strategische belangen schaadde, was ook hij bereid ze minder te benadrukken. Wat dat betreft paste hij in een traditie.

Het was ook een belangrijke reden waarom hij op Buitenlandse Zaken als eerste sociaaldemocratische minister omarmd werd. Dat was niet vanzelfsprekend op een departement dat ook in de jaren zeventig nog gedomineerd werd door meer behoudende krachten. Van der Stoel wist echter met zijn pragmatisme en realisme snel vertrouwen te winnen. Ambtenaren die onder hem werkten herinneren zich hem met plezier.8

Samenvattend kan gesteld worden dat Van der Stoels realistische diplomatie – veel meer dan het roeptoeter idealisme van wat hij zelf ‘lunatic left’ noemde – het karakter van de Nederlandse buitenlandse politiek in de jaren zeventig weergaf, en wellicht ook van de naoorlogse buitenlandpolitiek als zodanig. Daarbij zijn soms grote, mede door naïef idealisme ingegeven, inschattingsfouten gemaakt (denk bijvoorbeeld aan het Srebrenica-drama). Maar die blunders zijn uitzonderingen, en verhullen dikwijls dat Nederland op een internationaal belangrijk dossier als de mensenrechten met volharding en stille diplomatie het nodige heeft bereikt.9

Aan dit aspect wordt in het politieke, publieke en historische debat nogal eens voorbij gegaan. Met De Stille Diplomaat in de hand is in ieder geval te betogen dat ingesleten typeringen als ‘de koopman en de dominee’ soms het zicht ontnemen op de Dritte im Bunde die de naoorlogse Nederlandse buitenlandpolitiek eveneens karakteriseert: de diplomaat. Deze kan zeer succesvol zijn, zeker als hij / zij in stilte te werk kan gaan. Dit was ook de conclusie van The Economist over Van der Stoel. Het blad besloot in 1999 de analyse van diens optreden als OVSE-gezant voor de minderheden met de opmerking: ‘in his quiet and dogged way, he is also something of an unsung hero. […] Dull he may be. But he has helped make the continent a safer place.’

  • 1. ‘Max van der Stoel, minority man,’ The Economist, 9 september 1999.
  • 2.  Zie: Maarten Kuitenbrouwer, ‘Een realistische idealist. Max van der Stoel’ in: Duco Hellema e.a. (red.), De Nederlandse ministers van Buitenlandse Zaken in de twintigste eeuw (Den Haag, SDU, 1999) p. 243-255 en Lo Casteleijn en Marnix Krop, ‘Rechtlijnig en tegendraads. Max Van der Stoel, Nieuw Links en de buitenlandse politiek van de Partij van de Arbeid’ in: Frans Becker e.a. (red.), Het vijftiende jaarboek voor het democratisch socialisme (Amsterdam, Arbeiderspers, 1994) p. 270-314.
  • 3. Bleich, De stille diplomaat, p. 18.
  • 4. Duco Hellema, Nederland in de wereld. De buitenlande politiek van Nederland (Houten, Unieboek/Het Spectrum) p. 460.
  • 5. Bleich, De stille diplomaat, p. 149-150.
  • 6. Bleich, De stille diplomaat, p. 185.
  • 7. Handelingen Tweede Kamer 1978-1979, Bijl. 15571, nr. 2, Nota ‘De rechten van de mens in het buitenlands beleid’, p. 52.
  • 8. Zie bijvoorbeeld de memoires van Wim van Eekelen, Sporen trekken door strategische jaren (Meppel, Ten Brink, 2000) p. 83-85, Charles Rutten, Aan de wieg van Europa en andere Buitenlandse Zaken. Herinneringen van een diplomaat (Amsterdam, Boom, 2005) p. 133-135 en Bernard Bot, Achteraf bezien. Memoires van een diplomaat en politicus (Amsterdam, Prometheus, 2016) p. 114-117.
  • 9. Vergelijk: Peter Malcontent, ‘Mensenrechten en buitenlands beleid’, Clingendael spectator, 2018 (72) nr. 11.

Auteurs

Jan Willem Brouwer
Onderzoeker bij het Centrum voor parlementaire Geschiedenis (CPG)
Bart Stol
Onderzoeker bij het CPG en Maastricht University