Oorlog, strategie en de westerse belangen in de 21ste eeuw
Boeken & Films Diplomatie en Buitenlandse Zaken

Oorlog, strategie en de westerse belangen in de 21ste eeuw

13 Aug 2018 - 14:00
Photo: Wikimedia Commons
Terug naar archief

 

Boek

In zestien essays over de buitenlandse politiek geeft de bekende analist Robert Kaplan een beeld van Amerika’s rol in de wereld, en de geopolitieke werkelijkheid die de VS hielpen scheppen, ordenen, en die nu dreigt te ontglippen door de terugkeer van oude constanten en nieuwe machtsverschuivingen. Die machtsverschuivingen zijn overigens soms zo onvoorspelbaar dat enkele scenario’s in Kaplans essays al door de rauwe realiteit achterhaald zijn (bijvoorbeeld de goeddeels mislukte Arabische Lente). De auteur is zo sportief om deze niet aan te passen, en de lezer er gemakkelijk formulerend van te overtuigen dat het eigenlijk om de diepere krachten gaat die hij wil blootleggen en die de loop van de wereldpolitiek op lange termijn zullen bepalen. Of Assad in Syrië wint of niet, is minder belangrijk dan de analyse dat het Midden-Oosten honderd jaar geleden artificieel geschapen kruitvat is, een politiek onhoudbare twistregio waar oude rijken (het Perzische, het Ottomaanse en zelfs het Chinese) potentieel zullen uitmaken hoe het grote spel gespeeld wordt, met welke middelen, en door wie.

In ruwe klodders zet Kaplan, Karel Appelsgewijs, de hoofdlijnen op het doek: de Eerste en de Tweede Wereldoorlog zijn eigenlijk één lange oorlog, het gaat in de wereldpolitiek om de positie van Eurazië, waarin Europa een appendix is en China de motor, en de oude zijderoute van Marco Polo na een korte onderbreking van enkele eeuwen de geopolitieke aorta is. De krachtigste manier om de wereldpolitiek te begrijpen,die te verklaren, ja, misschien zelfs te voorspellen is een grootmachtelijk realisme, waarin belangen veel belangrijker zijn dan waarden. Macht is voorwaardelijk. Waarden leg je pas op als belangen zijn veiliggesteld. De VS verkeren in de exceptionele omstandigheid dat ze, begrensd door oceanen (de Pacific en Atlantische) en vredelievende en relatief onmachtige buurlanden (Canada en Mexico), geen veiligheidsprobleem kennen en zich de luxe van een op waardenpolitiek gestoeld hegemonialeleiderschapsrol kunnen veroorloven. Konden veroorloven, moet ik schrijven, want zij is slechts optioneel en voor hetzelfde geld kan de VS zich relatief isolationistisch opstellen en er alleen maar voor zorgen dat geen enkele andere speler de overhand krijgt –zoals het VK in de 19e eeuw er slechts op uit was dat op het vasteland van Europa niemand kon uitgroeien tot een definitieve nummer 1. Daarom zegt iemand als John Mearsheimer, die later in het boek een rehabilitatie-essay van Kaplan krijgt, ook dat de VS met een gerust hart de NAVO aan de Europeanen kan overlaten, zijn troepen uit ons werelddeel kan terugtrekken, want er zal toch niemand de baas worden in dat Euraziatische aanhangsel.

Waarden leg je pas op als belangen zijn veiliggesteld.

Dit klinische primaat van machtspolitiek wil niet zeggen dat het contrair is met een morele politiek. Integendeel soms: de verwijdering van Saddam Hoessein in 2003 wordt –zwaar bekritiseerd vanwege de ellendige nasleep in Irak en niet te vergeten het afwezig zijn van de massavernietigingswapens op grond waarvan de inval plaats vond- wel degelijk ‘moreel’ betiteld door Kaplan, omdat het laten zitten van Saddam Hoessein vermoedelijk tot een nog veel rampzaliger situatie in het Midden-Oosten had geleid. ‘Moreel’ kent gradaties, maar Kaplan erkent dat ‘what if’ scenario’s nooit kunnen bewijzen dat een andere politiek het beste zou zijn geweest.

De afweging is er primair één tussen Amerikaanse (veiligheids-)belangen. De essays van Kaplan zijn doorspekt met voorbeelden. Stel dat er bij de Amerikaanse interventietroepen in Bosnië en Kosovo in de jaren negentig 550 doden en 5000 zwaargewonden waren gevallen, zou de prijs van ingrijpen dan te hoog geweest zijn? Kaplan vindt van niet, omdat de interventiemacht een eind maakte aan etnische zuiveringen. “Maar we moeten de vraag wel altijd blijven stellen”, schrijft hij. Helaas laat Kaplan het daarbij, en is hij niet bij machte een criterium te formuleren wanneer de rode lijn wel of niet overschreden is.

“Maar we moeten de vraag wel altijd blijven stellen”, schrijft Kaplan

Dat wordt nogal pijnlijk duidelijk bij de kille beschrijving van een (HET) ander geval van etnische zuivering dat de geschiedenis biedt, ontleend aan de Tweede Wereldoorlog. Duivelse keuzes moest Franklin Roosevelt maken door met Stalin samen te werken. Kaplan schrijft zuinig: “(D)e Amerikaanse deelname aan de Tweede Wereldoorlog heeft het leven van een aantal joden gered” want dat was slechts een ‘bijkomend gevolg’ van het hoofddoel om de verstoorde machtsbalans in Europa te herstellen. Dus de spoorlijnen die naar de concentratiekampen voerden spaarde hij (door Kaplan een fout genoemd),maar dat de joden de oorlog (toch) hebben overleefd “kan op zijn morele conto worden geschreven” .

Ook op indvidueel niveau worden soms duivelse keuze gemaakt. Toen minister Kissinger begin 1973 het Noord-Vietnamese Hanoi bezocht, bood men daar aan om de latere senator, toen krijgsgevangene John McCain als ‘cadeau’ over te dragen. Kissinger weigerde, omdat andere krijgsgevangenen langer dan McCain vastzaten. Het voorkwam ook een Noord-Vietnamees pr-event. McCain was, hoewel hij langer vastzat en gemarteld werd, Kissinger achteraf “dankbaar” omdat hij zijn eer had gered. Hij wees Kissinger als morele winnaar aan.

Verfijnder dan de grote, zeg gerust grove en weinig innovatieve, schetsen van machtspolitieke paradigmata zijn de hoofdstukken die Kaplan wijdt aan drie hoofdvertegenwoordigers: Henry Kissinger, Samuel Huntington en John Mearsheimer. Ze zijn om diverse redenen verguisd en geprezen, maar Kaplan vindt dat niet terecht en maakt duidelijk waarom zij niet weggezet mogen worden als massamoordenaars, schemadenkers, verheerlijkers van macht, representanten van cultuurdiscriminatie of andere vormen van verwerpelijkheid. Deze hoofdstukken zijn empirisch sterker dan de grofmazige herinterpretaties van de wereldpolitiek vanuit het machtperspectief uit het eerste deel van het boek, en laten zien dat Robert Kaplan niet zomaar een zelfverzekerde en makkelijk schrijvende journalist is, maar ook iemand die zijn wetenschappelijke klassiekers kent.


Robert D. Kaplan (vertaald door Margreet de Beer)
De terugkeer van de wereld van Marco Polo
Spectrum; 2018; 392 pagina's; p: €24,99 
ISBN: 9789000354160 

Auteurs

Ko Colijn
Senior Research Fellow Clingendael