VVD kiest stelselmatig partij voor Israël in conflict met Palestijnen
Artikelen Diplomatie en Buitenlandse Zaken

VVD kiest stelselmatig partij voor Israël in conflict met Palestijnen

06 Sep 2016 - 11:09
Photo: Willem van de Poll - Nationaal Archief.jpg
Terug naar archief

Sinds 2010 is de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) de grootste partij in zowel de Tweede Kamer als in de regeringscoalitie. Daarmee speelt zij een sleutelrol in debatten en in beleidsvorming ten aanzien van buitenlandspolitieke vraagstukken waarondede kwestie Israël-Palestina. Onderzoek wijst uit dat de VVD in deze periode de band met de Staat Israël stelselmatig laat prevaleren boven de rechten van de Palestijnen.[1] Maar ook daarvóór blijkt dat het geval te zijn geweest.

De VVD is in 1948 opgericht, hetzelfde jaar dat de Staat Israël tot stand kwam. Nog in datzelfde jaar leverde de partij aan het eerste kabinet-Drees een minister van Buitenlandse Zaken, Dirk Stikker. Diens opstelling en die van zijn ministerie inzake erkenning van de nieuwe staat was aarzelend. Daarmee wilde hij geen haast maken. Dat was omwille van de internationale betrekkingen van Nederland, vooral het veiligstellen van een speciale band met Indonesië – het voormalige Nederlands-Indië, met de grootste moslimbevolking ter wereld. Het duurde dan ook tot januari 1950 voordat Nederland tot officiële erkenning van de Staat Israël overging.

Gedurende de jaren ’50 echter werden pro-Israëlische sentimenten in de Nederlandse samenleving en politiek steeds sterker. Afschuw over de genocide op de Europese – onder wie Nederlandse – joden tijdens de Tweede Wereldoorlog is daarbij vooral bepalend geweest. Elke politieke stroming gaf haar eigen ideologische invulling aan steun aan de Staat Israël. Zo zag de sociaaldemocratische PvdA in de jonge staat aanvankelijk een belangwekkend socialistisch experiment. Voor confessionelen, vooral de protestanten onder hen, speelde het idee van het ‘Beloofde Land’, dat aan het ‘oude verbondsvolk’ toebehoort, een belangrijke rol. De rechts-liberale VVD beschouwde in de context van de Koude Oorlog Israël – een staat die door ondernemende joodse pioniers tot stand was gebracht – vooral als een bolwerk van het Vrije Westen in een vijandig Midden-Oosten.

Zo steunde de VVD tijdens de Suez-crisis van 1956 – rondom de Egyptische nationalisatie van het Suezkanaal – het Israëlische (plus Frans-Britse) militaire offensief tegen het Arabisch nationalistische Egypte van president Gamal Abdul Nasser, die als ‘een handlanger’ van de communistische Sovjetunie werd gezien.

De oorlogen van 1967 en 1973
Kort na de Juni-Oorlog van 1967 – waarbij Israël de legers van Egypte, Syrië en Jordanië versloeg en onder meer de Westelijke Jordaanoever (inclusief Oost-Jeruzalem) en de Gaza-Strook bezette – benadrukte de prominente VVD-senator Harm van Riel, dat Israël politiek gezien aan de kant van het Westen stond en van nature, evenals Zuid-Afrika, een onmisbare militaire bondgenoot was.

Ook na het uitbreken van de Oktober-Oorlog in 1973 stelde de VVD zich aanvankelijk volledig achter Israël op. Toen de Arabische olieproducerende staten echter overgingen tot een olie-embargo tegen Nederland, verweten VVD-politici, onder wie Tweede-Kamerlid Henri de Koster, het kabinet-Den Uyl dat het teveel een getuigenispolitiek ten gunste van Israël had gevoerd en daarmee de Arabische wereld onnodig voor het hoofd had gestoten en Nederlandse economische belangen in gevaar waren gebracht. Dit was echter een uitzondering op de regel: na de opheffing van het olie-embargo in de zomer van 1974 zette de VVD haar uitgesproken pro-Israëllijn weer voort.

Na 1967 heeft zich in de Nederlandse politiek geleidelijk aan een scheiding der geesten ten aanzien van het vraagstuk-Israël/Palestina ontwikkeld. Israël was immers onmiskenbaar een bezetter en kolonisator van Palestijns grondgebied geworden. Daarnaast had het Palestijns nationalisme, belichaamd door de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) van Yasser Arafat, zich op de kaart weten te zetten. Vooral aan de linkerkant van het politieke spectrum groeide de steun voor de rechten van de Palestijnen, waaronder het recht op zelfbeschikking. Dit ging hand in hand met toenemende kritiek op Israël.

 

De Werkgroep Israel demonstreert in 1976 in Utrecht naar aanleiding van de 28e onafhankelijkheidsdag van Israël. Bron: Rob Bogaerts- Anefo-Nationaal Archief

 

Een rechtse partij als de VVD daarentegen stelde zich ten aanzien van Palestijnse rechten veel terughoudender op; zij wenste niet verder te gaan dan het gunnen van (beperkt) zelfbestuur aan de Palestijnen in de sinds 1967 bezette gebieden. Tevens benadrukte de partij het belang van steun aan de Amerikaanse pogingen het conflict tussen Israël en zijn Arabische buren te beslechten en toonde zich huiverig voor Europese initiatieven die deze Amerikaanse aanpak zouden kunnen doorkruisen.

Zo zette VVD-minister van Buitenlandse Zaken Chris van der Klaauw in juni 1980 weliswaar zijn handtekening onder de Europese Verklaring van Venetië, waarin de Europese Gemeenschap het Palestijnse recht op zelfbeschikking voor het eerst erkende en tevens aan de PLO een rol toekende in onderhandelingen, maar wist in de voorafgaande besprekingen met de Europese partners wel te voorkomen dat deze verklaring de status van een officieel Europees vredesinitiatief kreeg.

Toenmalig VVD-buitenlandwoordvoerder in de Tweede Kamer (en de latere VVD-partijleider) Frits Bolkestein stak zijn ongenoegen over de Verklaring van Venetië niet onder stoelen of banken. Met deze verklaring werd volgens hem de strategie van de PLO in de kaart gespeeld en de vrees van de joodse Israëliërs bevestigd. Gedurende de jaren ’80 en ’90 verwezen hij en andere VVD-prominenten herhaaldelijk in negatieve zin naar deze verklaring om te onderstrepen dat Europa de leiding over het onderhandelingsproces maar beter aan de Verenigde Staten kon overlaten.

Ondertussen bleef de VVD de (vermeende) veiligheidsbelangen van Israël, zoals die door mainstream Israëlische politici werden gedefinieerd, vooropstellen. VVD-politici als Jan Kamminga (partijvoorzitter), Joris Voorhoeve (fractievoorzitter) en Frans Weisglas (buitenlandwoordvoerder) trokken in de jaren ’80 daarbij het internationaalrechtelijk illegale karakter van de joodse nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever in twijfel. Kritiek werd er vooral geleverd op de PLO, vanwege haar weigering Israël te erkennen en vanwege beschuldigingen inzake terrorisme.

 

Demonstratie in Amsterdam voor onder andere de erkenning van de PLO en tegen het vermoorden van Palestijnse demonstranten. Bron: Hans van Dijk-Nationaal Archief 

 

Het eerste decennium na de Oslo-Akkoorden
De ondertekening van de Beginselverklaring van Oslo in september 1993 tussen Israël en de PLO leidde in 1994 tot het ontstaan van een Palestijns zelfbestuurslichaam, het Palestijns Nationaal Gezag (PNA), dat geleidelijk aan (formeel) het gezag over de meer dichtbevolkte delen van de Westelijke Jordaanoever en de Gaza-Strook op zich nam. In de jaren daarna bleven VVD-woordvoerders in de Tweede Kamer als Dirk-Jan Blaauw en Frans Weisglas gedurende het daaropvolgende Israëlisch-Palestijnse onderhandelingsproces voor Israël in de bres springen.

Zij legden sterk de nadruk op het rekening houden met de gevoeligheden, eisen en wensen van Israël. Zo protesteerden zij eind 1995 en begin 1996 krachtig tegen het voorgenomen bezoek van D66-minister van Buitenlandse Zaken, Hans van Mierlo, aan het toenmalige PLO-hoofdkwartier in sinds 1967 bezet Oost-Jeruzalem. Daarmee zouden immers Palestijnse aanspraken op dit stadsdeel impliciet worden onderschreven, hetgeen tegen het zere been van Israël was. Toen in maart 1998 de Britse minister van Buitenlandse Zaken, Robin Cook, tijdens een bezoek namens de Europese Unie aan een locatie bij Oost-Jeruzalem, waar Israël juist begonnen was met de bouw van een nieuwe joodse nederzetting, een ontmoeting had met een Palestijnse parlementariër, trokken Weisglas en zijn toenmalige partijgenoot Geert Wilders daartegen fel van leer in een opinieartikel in NRC-Handelsblad.[2]

 

Minister Van Aartsen legde vooral na het uitbreken van de tweede intifada  een veel kritischer houding ten aanzien van Israël aan de dag dan de meeste andere VVD-kopstukken

 

Volgens hen schoffeerde de EU daarmee Israël en bracht het onderhandelingen in gevaar. Zowel Van Mierlo in januari 1996 als Cook in maart 1998 zouden zich gedragen hebben als “een olifant” die “door de porseleinkast” liep. De EU moest zich volgens beide VVD-woordvoerders verre houden van enige politieke bemoeienis met het Israëlisch-Palestijnse onderhandelingsproces. Dit kon wat hen betreft beter aan de Amerikanen worden overgelaten. Opvallend aan hun argumentatie was dat rekening houden met Israël als de sleutel werd gezien tot een succesvol vredesproces. Voor rekening houden met de Palestijnen ging dit blijkbaar niet op.

In het tweede kabinet-Kok (1998-2002, bestaande uit PvdA, VVD en D66) bekleedde voor de derde maal een VVD’er de post van minister van Buitenlandse Zaken, t.w. Jozias van Aartsen. Vooral na het uitbreken in september 2000 van de Tweede intifada (volksopstand) van de Palestijnen tegen de Israëlische bezetting, legde hij een veel kritischer houding ten aanzien van Israël aan de dag dan de meeste andere VVD-kopstukken. Van Aartsen zag – daarin ongetwijfeld gesteund door zijn coalitiegenoten – in de Israëlische bezettingspolitiek en het kolonisatiebeleid de oorzaak van de opstand en de sterke escalatie van het geweld.

In 2001 zinspeelde Van Aartsen zelfs op drukmaatregelen tegen Israël in EU-verband, bijvoorbeeld in de handelspolitieke sfeer. VVD-buitenlandwoordvoerders in de Tweede Kamer waren daar niet gelukkig mee. Zo uitte Weisglas zijn onbegrip over Van Aartsens kritiek op de verwoestende en bloedige aanpak van de intifada door de Israëlische regering van premier Ariel Sharon. Israël moest immers de eigen burgers beschermen tegen terreur, vond Weisglas. De relaties met andere westerse mogendheden, in het bijzonder de Verenigde Staten, en ook met Israël zelf, weerhielden Van Aartsen er uiteindelijk toch van om tot sancties tegen dat laatste land over te gaan. De minister uitte overigens ook kritiek op PNA-leider Arafat, die hij een gebrek aan daadkracht verweet in het tegengaan van het Palestijnse aandeel in de escalatie van geweld.

De regeerperiode van Balkenende (2002-2010)
Tijdens de diverse kabinetten die onder leiding stonden van CDA-premier Jan Peter Balkenende (met verschillende coalitiepartners), bleef het vertoog van VVD-woordvoerders in de Tweede Kamer ten aanzien van de kwestie-Israël/Palestina gekenmerkt door het omschrijven van Israël als een bolwerk van westerse beschaving en democratie in een niet-westers en ondemocratisch Midden-Oosten, door geringe aandacht voor de Israëlische bezettings- en kolonisatiepolitiek als oorzakelijke factoren en een relatief grote nadruk op het falen van Palestijnse leiders in het werken aan een oplossing van de kwestie.

De woorden van VVD-buitenlandwoordvoerder Hans van Baalen in het VVD-kaderblad Liberaal Reveil van het najaar van 2008 zijn daarvoor illustratief: “Indien zij [de Palestijnse leiding] het uitblijven van een definitieve vredesregeling steeds blijven aangrijpen voor het niet bestrijden van terreur, het niet doorvoeren van goed bestuur in de door hen bestuurde gebieden en het niet verbeteren van het lot van de eigen bevolking, zijn zij en niemand anders verantwoordelijk voor het grote lijden.” [3]

De impliciete ontkenning door Van Baalen van de bezettingscontext als een oorzaak op zich van het Palestijnse lijden, kwam voorts tot uitdrukking in zijn woorden in het Financieele Dagblad van 17 januari 2009: “Palestijnen kunnen een voorbeeld nemen aan hun Joodse buren. Kies voor je kinderen. Kies voor goed onderwijs, voor werk, voor bereikbare oplossingen en jaag geen irreële doelen na […] Verwerp de eeuwige rol van slachtoffer. Beter een toekomst in een kleine staat dan armoede en vervreemding in de diaspora […] Het Vrije Westen heeft geen andere keuze dan het steunen van Israël als democratisch bolwerk in het Midden-Oosten [in de confrontatie met islamistische en terroristische vijanden].”

Tijdens debatten in de Tweede Kamer verdedigde Van Baalen bloedige Israëlische militaire offensieven tegen tegenstanders als Hizbullah in Libanon (2006) en Hamas in Gaza (eind 2008, begin 2009) als noodzakelijk om de infrastructuur van die ‘terroristische’ bewegingen aan te pakken. Het relatief grote aantal burgerslachtoffers van deze offensieven omschreef hij als betreurenswaardige ‘nevenschade’.

Een wat ander geluid liet in de periode 2009-2011 VVD-buitenlandwoordvoerder Atzo Nicolaï in de Tweede Kamer horen. Zijn houding ten aanzien van de Israëlische politiek was kritisch. Zo verlangde hij van de Nederlandse regering dat deze daadwerkelijk consequenties aan haar formele afwijzing van het Israëlische nederzettingenbeleid verbond.

Zijn collega Han ten Broeke, die in diezelfde periode als VVD-buitenlandwoordvoerder naar voren trad, legde zich daarentegen toe op het afremmen van kritiek op Israël. Dergelijke kritiek beantwoordde hij door enerzijds Palestijnse gewelddadige acties (zoals raketaanvallen) tegen Israël te beklemtonen, anderzijds door vermeende positieve aspecten van het Israëlische beleid naar voren te brengen, zoals de wil tot onderhandelen – in dit verband is het ‘Oslo-vredespoces’ wel gekarakteriseerd als ‘veel proces, weinig vrede’ – en de formele toewijding van Israëlische regeringen aan een zogeheten twee staten-oplossing.

 

Premier Rutte op bezoek bij zijn Israelische ambtgenoot Netanyahu in 2013. Bron: Avi Hayun/Nederlandse Ambassade in TelAviv

 

Tijdens de regeerperiode van premier Rutte (2010 – heden)
Sinds 2010 heeft de VVD als de grootste fractie in de Tweede Kamer leiding gegeven aan twee kabinetten, beide onder leiding van premier Mark Rutte. In het eerste kabinet-Rutte (2010-2012; bestaande uit VVD en CDA met de PVV van ex-VVD’er Wilders als gedoogpartner) was de minister van Buitenlandse Zaken opnieuw een VVD’er, te weten Uri Rosenthal. In de regeringsverklaring van dit kabinet werd Israël als enige buitenland bij naam genoemd, in de zinsnede: “Nederland wil verder investeren in de band met de staat Israël.”

Van deze wens heeft Rosenthal – van wie naaste verwanten in Israël wonen en die binnen de VVD als een warm pleitbezorger van Israël te boek staat – serieus werk gemaakt. Zo heeft hij zich ingespannen om een Nederlands-Israëlische Samenwerkingsraad van de grond te tillen, die economische, culturele en wetenschappelijke samenwerking met Israël moest bevorderen – samenwerking waar ook andere VVD-kopstukken als Van Baalen en Ten Broeke zich sterk voor maakten. Zo legden zij en andere VVD-prominenten – maar ook VVD-jongeren – herhaaldelijk bezoeken aan Israël af. In dit verband meende Ten Broeke op 6 oktober 2011 tijdens een Algemeen Overleg in de Tweede Kamer dat “vriend zijn van Israël juist kan leiden tot meer invloed en meer relevantie”. Elk voorstel om concrete drukmaatregelen tegen Israël te nemen, ten einde Tel Aviv ertoe te bewegen het internationaal recht te respecteren, wezen deze VVD-prominenten resoluut af.

 

De VVD zag de staat Israël al in een vroeg stadium als een essentiële speler in de verdediging van de westerse belangen in het Midden-Oosten

 

Dergelijke maatregelen – zoals aan de orde gesteld ten tijde van het tweede kabinet-Rutte (vanaf 2012; met de PvdA als coalitiegenoot), waaronder desinvesteringen uit Israëlische bedrijven die diensten verlenen aan de joodse nederzettingen in bezet gebied – zouden volgens Ten Broeke de kans op vredesonderhandelingen ondermijnen. Zoals hij in The Post Online van 19 juni 2013 schreef: “Nu [de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken John] Kerry probeert het Midden-Oosten vredesproces weer vlot te trekken, zouden wij optimisme en steun moeten uitspreken, in plaats van chagrijn te tonen en voor sancties te pleiten. Juist Nederland heeft de plicht tot optimisme, vanwege onze bijzondere banden met beide partijen.” Daarmee werd opnieuw voorbijgegaan aan de implicaties van de enorme machtsongelijkheid tussen Israël en de Palestijnen, evenals aan de Israëlische bezettingspolitiek en het kolonisatiebeleid voor de kans op succesvolle onderhandelingen.

Slechts een enkele VVD’er liet zo nu en dan een tegengeluid horen. Een voorbeeld is voormalig VVD-minister en huidig voorzitter van de Adviesraad Internationale Vraagstukken Frits Korthals Altes. In een vraaggesprek met NRC Handelsblad in december 2013 zei hij, in verband met de formele Nederlandse afwijzing van het Israëlische nederzettingenbeleid: “Practice what you preach. Maar dat gebeurt niet. Omdat men uiteindelijk niet ten nadele van Israël wil optreden.”[4]

Achtergronden van de pro-Israël-benadering
Op buitenlands politiek terrein heeft de VVD, zeker in vergelijking met linkse partijen, altijd een krachtige verdediging voorgestaan van westerse belangen in de wereld tegenover antiwesterse krachten. De partij zag daarbij de staat Israël al in een vroeg stadium als een essentiële speler in de verdediging van die belangen in het Midden-Oosten. Daarnaast is de VVD in de Koude-Oorlogscontext de nadruk gaan leggen op het accepteren van het Amerikaanse leiderschap in de verdediging van westerse belangen in de wereld – ook wat het Midden-Oosten betreft. Na afloop van de Koude Oorlog is die benadering voortgezet.

Van deze factoren ten gunste van een pro-Israël-benadering konden ideologisch gemotiveerde pleitbezorgers van Israël binnen de VVD effectief gebruik maken om het Midden-Oosten-standpunt van de partij in een pro-Israël-richting te blijven sturen. Een vaak genoemde naam in dit verband is die van John Manheim, voormalig voorzitter van het Centrum voor Informatie en Documentatie Israël (CIDI) en honorair consul van Israël in Nederland. Tien jaar lang is hij voorzitter geweest van de Commissie Buitenlandse Zaken van de partij. In die functie had hij grote invloed op wat er namens de partij over de kwestie-Israël/Palestina naar buiten kwam. Door de jaren heen heeft hij met al zijn ingangen in Israël voor prominente VVD’ers politieke oriëntatiereizen naar dat land georganiseerd (onder meer voor toenmalig fractievoorzitter Mark Rutte). Eerder wees ik op Rosenthal en op diverse meer dan gemiddeld pro-Israëlische Tweede-Kamerwoordvoerders als Bolkestein, Weisglas, Van Baalen en Ten Broeke.

Ex-VVD’ers met een Israël-kritische houding hebben de ervaring dat het niet gemakkelijk is binnen de partij de Israëlische bezettingspolitiek en het kolonisatiebeleid, evenals de rechten van de Palestijnen, aan de orde te stellen. Pogingen daartoe worden afgehouden met het argument dat dat alleen maar ‘gedoe’ op zou leveren en de eenheid binnen de partij in gevaar zou kunnen brengen. Aandacht vragen voor de Palestijnse kant van de zaak wordt absoluut niet gewaardeerd en blijkt veel wantrouwen op te roepen. Politicoloog (en VVD’er) Gerry van der List heeft er medio jaren ’90 al op gewezen dat de VVD in het algemeen een zwakke interne debatcultuur kent, zeker waar het buitenlandspolitieke onderwerpen betreft. Binnen de partijorganisatie wordt meestal de voorkeur gegeven aan eenheid en gezelligheid.[5]

Het behoeft in dat licht gezien dan ook geen verbazing dat het animo binnen de partij om een gevoelig thema als de kwestie-Israël/Palestina te bediscussiëren, gering is. Ook om die reden zal het pleitbezorgers van de Staat Israël weinig moeite hebben gekost hun standpunten ingang te doen vinden. Dit is duidelijk ten koste gegaan van aandacht binnen de VVD voor de rol van het internationaal recht in het regelen van de kwestie-Israël/Palestina. Daarmee draagt de partij bij aan een voor de Palestijnen zeer ongunstige status quo, die een oplossing in de weg staat. Zo blijft een van de grote spanningsbronnen in het Midden-Oosten in stand. De rekening daarvoor wordt sinds jaar en dag in de regio – maar in toenemende mate ook daarbuiten – betaald.

 

Egbert Harmsen heeft een achtergrond in Midden-Oosten- en Islamstudies. In 2007 promoveerde hij aan de Universiteit Utrecht op een proefschrift over de rol van particuliere moslimwelzijnsorganisaties in het maatschappelijk middenveld van Jordanië (Islam, Civil Society and Social Work – Muslim Voluntary Welfare Associations in Jordan between Patronage and Empowerment; Amsterdam: Amsterdam University Press, 2008.

 



[1] Zie: Egbert Harmsen, De VVD en de kwestie Israël-Palestina sinds ‘Oslo’ (1993) – een inventarisatie van standpunten, Amsterdam: Stichting Palestina Publikaties, 2016, 194 p.

[2] Frans Weisglas & Geert Wilders, ‘Europa heeft irreële ambities in het Midden-Oosten’, NRC Handelsblad, 19 maart 1998.

[3] Hans van Baalen, ‘Israël is een moderne democratie, elke verwijzing naar de apartheid in Zuid-Afrika gaat mank en is beledigend’, Liberaal Reveil, jrg. 49, nr. 9, 2008, pp. 162-163.

[4] Marc Kranenburg, ‘Poedeldiplomatie in het Midden-Oosten’, NRC Handelsblad, 7 december 2013.

[5] G.A. van der List, De macht van het idee. De VVD en het Nederlandse buitenlands beleid 1948-1994, Leiden: DSWO Press, 1995, pp. 453-455.

 

Auteurs

Egbert Harmsen
Expert Midden-Oosten- en Islamstudies (o.a. Leiden University Institute for Area Studies (LIAS))