Werkt de Nederlandse wijzende vinger bij cyberaanvallen?
Bij cyberaanvallen wordt de oude schuldvraag ‘Wie heeft het gedaan?’ steeds meer vervangen door een andere vraag: ‘Wat doen we als we denken te weten wie het gedaan heeft?’
De verschuiving in de aard van het attributievraagstuk komt deels voort uit het feit dat verschillende actoren beter zijn geworden in het vaststellen van de partij achter een cyberoperatie.
Als een van de weinige landen ter wereld gaat Nederland uitdrukkelijk in op publieke attributie als een belangrijke kwestie in de nieuwe Defensie Cyber Strategie (DCS), die vorig jaar is gepubliceerd.
Het doel van dit artikel
Het openbaar beantwoorden van de schuldvraag is niet altijd beter
Het hoofdargument van dit artikel is dat het ingenomen standpunt in de DCS over publieke attributie wordt gebaseerd op een aantal ongefundeerde aannames. De DCS schiet tekort in het uitleggen van de complexiteit van het publieke attributieproces. Publieke attributie vereist een afweging van meerdere belangrijke factoren.
Het meer benadrukken van de minpunten van attributie suggereert dat Nederland voorzichtiger moet omgaan met het idee dat openbare attributie tot een meer afschrikkende houding en een stabieler cyberspace leidt. Het openbaar beantwoorden van de schuldvraag is niet altijd beter. Feitelijk kan het bijdragen aan een snellere toename van cyberaanvallen en andere negatieve bijeffecten, zoals het verlies van inlichtingen en proliferatie van aanvalstechnieken.
Het nut van openbare toekenning
Het is niet verrassend dat het Nederlandse ministerie van Defensie het onderwerp uitdrukkelijk in de defensiestrategie van 2018 behandelt. Ten eerste past het in de bredere afschrikkingsstrategie die staat vermeld in de DCS. Afschrikking wordt als succesvol beschouwd wanneer een vijand wordt ontmoedigd om aan te vallen; voor een rationele actor is dit wanneer de verwachte kosten van de aanval opwegen tegen de voordelen.
Ten tweede kan de internationale reputatie ook gedeeltelijk een verklaring zijn waarom er in de strategie veel aandacht wordt besteed aan publieke attributie. De internationale publieke perceptie over de technische en forensische mogelijkheden van de Nederlandse overheid is verbeterd als gevolg van een aantal prominente gevallen van cyberaanvallen die in de afgelopen jaren publiekelijk zijn toegekend. Een aantal maanden geleden werd aangekondigd dat de Nederlandse inlichtingendiensten in samenwerking met hun Britse collega’s een cyberoperatie van een Russisch militair inlichtingenteam (GROe) hadden voorkomen. De cyberoperatie was gericht op de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens (OPCW) in Den Haag.
Evenzeer was er de onthulling van Nederlandse verslaggevers van Nieuwsuur en de Volkskrant dat de Joint Sigint Cyber Unit (JSCU) -een gezamenlijk onderdeel van de Nederlandse geheime diensten AIVD en MIVD- in januari 2018 toegang had verkregen tot computersystemen van de Russische hackergroep Cozy Bear. Dit bericht bereikte de internationale krantenkoppen, hoewel er geen direct bewijs voor was. Daarom leek het op een overheidsgestuurde poging om deze informatie te publiceren.
Ten derde kan deze strategie bij het prominent voor het voetlicht brengen van kwesties als publieke attributie -naast de gebruikelijke onderwerpen als afschrikking, veerkracht (resilience) en de samenwerking tussen de openbare en private sector - handig zijn om moeilijke onderwerpen te ontwijken waarover geen consensus bestaat. Er is een doorlopend en intensief debat gaande in de academische literatuur en de internationale beleidsgemeenschap over hoe overheden moeten reageren op vijandige cyberactiviteiten die niet gekwalificeerd kunnen worden als gewapend conflict.
Het is duidelijk geworden dat dit type cyberoperaties op grootschalige basis (zoals bijvoorbeeld de jarenlange, grootschalige diefstal van intellectueel eigendom door China), strategisch nog steeds van waarde kunnen zijn. De Amerikaanse overheid richt haar aandacht steeds meer op de noodzaak om effectiever onder deze grens van gewapend conflict te opereren (en de behoefte om buiten het afschrikkingskader te stappen). De DCS houdt zich over dit onderwerp op de vlakte.
Beperkingen van openbare toekenning
Zoals vermeld in de DCS, gaat de Nederlandse overheid ervan uit dat meer attributie het aantal cyberaanvallen verlaagt, omdat het hierdoor een minder aantrekkelijk doelwit is. Er zijn geen empirische gegevens die deze stelling onderbouwen of tenietdoen. Echter houdt deze stelling theoretisch gezien waarschijnlijk slechts in enkele gevallen stand, indien de voordelen en beperkingen van openbare toekenning in beschouwing worden genomen. Hieronder zullen vijf intergerelateerde kwesties in verband met openbare attributie besproken worden.
Ten eerste het probleem van het verlies van inlichtingen. Het attributieproces om erachter te komen ‘wie het heeft gedaan' wordt vaak omschreven als Sherlock Holmes-achtig speurwerk.
De toekenning kan echter ook uit een heel ander, meer proactief proces voortkomen. Een inlichtingendienst kan ook verregaande toegang hebben verkregen tot de netwerken van een vijand, waarbij deze kan zien hoe de tegenstander op zijn beurt weer toegang heeft tot netwerken van anderen.
Ten tweede is daar het probleem van tool burning en emulatie. Het openbaar vrijgeven van de technieken, tactieken, en procedures (TTP's) die door de tegenstander worden toegepast, kan ervoor zorgen dat bepaalde offensieve mogelijkheden van actoren teniet worden gedaan.
Het kan daarentegen ook leiden tot aanpassingen bij andere actoren. We hebben gezien hoe minder geavanceerde actoren delen van de Stuxnet-code hebben gebruikt, toen technische gegevens door Symantec en andere werden gepubliceerd.
Niet elke actor die openbaar kenbaar wordt gemaakt zal leiden aan ‘reputatieschade’
Dit betekent dat het onmogelijk is om met strikte richtlijnen te komen omtrent het vrijgeven van de TTP's van een tegenstander. De afweging is als volgt: Als meer geavanceerde actor zul je sneller in staat zijn om de capaciteiten van tegenstanders te ontmantelen, maar daarbij creëer je meer mogelijkheden voor andere actoren om de TTP’s aan te passen op manieren die door een aanzienlijk aantal van hen niet eerder zijn ingezet. Als de tegenstander daartegenover meer algemene TTP's gebruikt, valt er minder te winnen bij het publiekelijk vrijgeven, maar andere actoren hebben deze TTP's dan mogelijk al overgenomen.
Ten derde bestaat het probleem van naming but not shaming. Niet elke actor die openbaar kenbaar wordt gemaakt zal leiden aan, zoals de literatuur het noemt, ‘reputatieschade’.
Als vierde is daar de kwestie van openbare attributie zonder respons. Het toekennen van schuld kan niet los worden gezien van andere (cyber)activiteiten. Een afschrikkende houding kan na publieke attributie zelfs afzwakken indien de overheid (of coalitie van internationale actoren) daarna niet met extra maatregelen komt. Dit geldt vooral bij een uiterst verstorende of destructieve aanval.
Inzicht in het doel van publieke attributie
We moeten erkennen dat het publiekelijk beantwoorden van de schuldvraag meerdere strategische doelen kan dienen, die soms op gespannen voet met elkaar staan. Zoals hierboven reeds werd besproken, kan één doel bestaan uit het afschrikken van de tegenstander door het veranderen van de verhouding tussen de kosten en voordelen van een cyberaanval. Een ander doel kan het stellen van de norm zijn. Het idee hierachter is dat publieke attributie dient voor het beter afbakenen van wat beschouwd wordt als passend gedrag. Dit kan eraan bijdragen dat de tegenstander zich hieraan conformeert. Het verschil in doelen kan invloed hebben op de beslissing om op een prominente manier publiekelijk schuld toe te kennen.
Nadat Nederland na de gepoogde OPCW-hack vier GROe-functionarissen had uitgezet, zeiden de Nederlandse premier Mark Rutte en zijn Britse collega Theresa May het volgende: “Deze poging om de beveiligde systemen van een internationale organisatie die overal ter wereld chemische wapens wil weren binnen te dringen, toont het gebrek aan respect van de GROe tegenover de wereldwijde waarden en richtlijnen die ertoe dienen ons allemaal veilig te houden.”
In feite vervaagde de Nederlandse overheid de grenzen mogelijk nog verder tussen wat wel en niet wordt beschouwd als toegestaan in cyberspace
Het is echter onduidelijk of het gedrag van de Russen de internationale wetgeving heeft geschonden. De operatie leek erg op een klassiek spionagegeval met een cyberelement. Het schond ook geen gestelde normen in documenten van de UN Group of Governmental Experts, de Global Commission on the Stability of Cyberspace of andere (semi-officiële) internationale instanties. In andere woorden; als openbare attributie voornamelijk wordt ingezet als een middel om normen op te stellen, is dit wellicht niet het beste voorbeeld.
Men zou meer geïnteresseerd zijn in publieke activiteiten als industriële spionage, hacking bij verkiezingen of meer ontwrichtende aanvallen op kritieke infrastructuren. In feite vervaagde de Nederlandse overheid de grenzen mogelijk nog verder tussen wat wel en niet wordt beschouwd als toegestaan in cyberspace, door Rusland verantwoordelijk te houden voor deze hackpoging.
Als het afschrikken van Rusland inderdaad het voornaamste doel was van de Nederlandse bekendmaking, kun je in twijfel trekken of dit geval van openbare attributie veel toegevoegde waarde had. Het draaide niet zozeer om Rusland dat een specifieke grens overtrad, maar meer om een bredere diplomatieke confrontatie tussen het Kremlin en diverse Westerse landen.
Conclusie
Maakt publieke attributie van Nederland een minder aantrekkelijk doelwit? Draagt het bij aan het afschrikken van vijanden en leidt het tot een stabieler cyberspace? Mijn analyse geeft aan dat er weinig empirisch of theoretisch bewijs is voor deze veronderstellingen in de Nederlandse DCS.
Dit betekent niet dat de overheid het publiekelijk toekennen van de schuldvraag niet moet overwegen. Het is echter een zeer complex proces dat veel verschillende afwegingen en factoren omvat. In verband met de verschillende doelen wordt ook de coördinatie tussen de diverse overheidsinstanties rondom de strategie van openbare attributie (niet slechts technische gegevens) essentieel.
De overheid kan profiteren van een ‘attributie guidebook’ waarin een balans wordt gezocht tussen enerzijds het verspreiden van informatie onder het publiek over vijandige acties, en anderzijds de kennis omtrent de aanval slechts bij de overheid en mogelijke andere partners te houden.
0 Comments
Add new comment