75 jaar Spectator: het herlezen waard (1947-1987: longread)
Redactioneel

75 jaar Spectator: het herlezen waard (1947-1987: longread)

18 Jan 2022 - 16:39
Photo: Het Huys Clingendael op het landgoed Clingendael. Datum en bron onbekend.
Terug naar archief

Het online magazine Clingendael Spectator verscheen in januari 19471 als papieren tijdschrift Internationale Spectator en groeide de volgende decennia uit tot een toonaangevend tijdschrift voor internationale politiek, sinds 1983 onder de hoede van het Instituut Clingendael. Gerard J. Telkamp diende als eindredacteur onder zes hoofdredacteuren en biedt naar aanleiding van het 75-jarig jubileum een geschiedschrijving van de eerste veertig jaar. Een beknopte versie vindt u hier.

In november 1946, nu 75 jaar geleden, verscheen onder auspiciën van het een jaar eerder opgerichte Nederlandsch Genootschap voor Internationale Zaken (NGIZ) als experiment een gestencild blaadje met samenvattingen van het wereldnieuws. Onder de titel Internationale Spectator groeide dit stencil in de volgende decennia uit tot een volwaardig tijdschrift voor internationale politiek.

Spectator 1947Het tijdschrift, dat sinds 1983 onder de hoede van Instituut Clingendael valt, wordt sinds 2015 niet meer op papier maar uitsluitend digitaal uitgegeven onder de naam Clingendael Spectator of Clingendael Magazine. Dit artikel biedt een overzicht van de eerste veertig jaar.

Wat volgt is een poging tot geschiedschrijving van de Internationale Spectator door een gepensioneerd eindredacteur die onder zes hoofdredacteuren heeft gediend. Het is geen ambitieuze wetenschappelijke verhandeling; dan zouden een statistische en inhouds-analytische benadering van zo’n zesduizend artikelen en andere bijdragen nodig zijn, alsook nog een min of meer grondige rubricering van functie en achtergrond van de paar duizend auteurs.

En het zou aardig zijn te weten of ook voor de Spectator de bekende 20/80-regel gold, oftewel dat 20 procent van de auteurs verantwoordelijk is voor 80 procent van de bijdragen. Tijd en ruimte ontbraken daar echter voor. In plaats daarvan is gekozen voor een soms wat impressionistisch en incidenteel een wat persoonlijk verhaal van een blad dat in die 75 jaar een belangrijke rol speelde in de Nederlandse kennisvorming van het grote buitenland.

Met wat uitstapjes in verband met de ontstaansgeschiedenis en enkele speciale thema’s geeft dit verhaal voor een aantal tijdvakken telkens een driedeling. In de eerste plaats gaat het om de achtereenvolgende hoofdredacteuren die in meer of mindere mate hun stempel op het blad gedrukt hebben, alleen al omdat ze vrijwel allemaal ook directeur waren van de uitgevende instellingen NGIZ en Instituut Clingendael.

Deze hoofdredacteuren als ankerpunten lieten zich vanaf het begin bijstaan door interne en later ook externe redacteuren, die ook enige invloed op de koers en inhoud van het blad uitoefenden. Deze redacteuren, en soms een enkele eindredacteur, verdienen bij tijd en wijle aandacht als schippers naast god.

In de tweede plaats gaat het om de vorm, koers en structuur. Wat was het uiterlijk van het blad, wat was de omvang, wat waren de diverse rubrieken?

En in de derde plaats dient uiteraard iets van de inhoud per jaar of periode gezegd te worden. Hierbij moest voor een opsomming een pijnlijke keuze gemaakt worden van artikelen die opvallend, curieus of typerend voor het tijdsgewricht waren, zo mogelijk met aanduiding van de achtergrond van de auteurs.

Het begin: een nieuw instituut
De Internationale Spectator werd geboren uit de schoot van een één jaar eerder opgericht instituut. Voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog had Nederland meer dan een eeuw van zijn neutraliteit tussen de mogendheden genoten.

De internationale oriëntatie was vooral op handel en cultuur gericht. In de Eerste Wereldoorlog werd het land gespaard en in het interbellum gold een politiek van afzijdigheid. Voor de bescherming van het koloniale rijk in Azië leunde men stilzwijgend op Groot-Brittannië. De inval van de Duitsers en het drama van Pearl Harbor maakten een ruw einde aan de droom van eeuwige vrede.

In het laatste oorlogsjaar en kort na de Bevrijding was in diverse kringen het besef ontstaan dat Nederland na de oorlog een actief buitenlands beleid zou moeten voeren in samenhang met bondgenoten, en dat een welingelichte openbare mening daarvoor noodzakelijk zou zijn. Voor de vorming van dat laatste zou een onafhankelijk wetenschappelijk instituut onontbeerlijk zijn.

advertentie in de Spectator 1947.
Advertentie in de Internationale Spectator uit 1947.

Tot dan toe had Nederland – anders dan verscheidene westerse en West-Europese landen – nooit over zo’n instelling beschikt. Model ter navolging vormde het Britse, al in 1920 gestichte Royal Institute of International Affairs, naar de Londense locatie tot op de dag van vandaag veelal als Chatham House aangeduid.

Er werd dus nagedacht over bijvoorbeeld een “Nederlandsch Instituut voor Internationale Vraagstukken”. Initiatiefnemers en werkgroepsleden vormden een gemengd gezelschap van liberalen, sociaaldemocraten en christendemocraten; van academici, vooral volkenrechtsgeleerden; van praktijkmensen, veelal hoge ambtenaren; en ten slotte van serieuze algemene belangstellenden.

En zo gebeurde het dat diverse groepen zich samenvoegden en op 20 september 1945 het Nederlandsch Genootschap voor Internationale Zaken (NGIZ) oprichtten, met als belangrijkste doel: “Nederland voor het vervullen van zijn internationale taak helpen toerusten, door middel van studie en de verbreiding van resultaten daarvan.”

De eerste secretaris-generaal (de benaming voor de algemeen directeur) van de ledenvereniging wordt de advocaat mr. J.J. Schokking. Op twee adressen in de Haagse Oranjestraat – waar op nummer 4 ook Schokkings rechtspraktijk is gevestigd – worden in 1946 elf vertrekken gehuurd voor het uitdijend personeel, waaronder toekomstige schrijvers, documentalisten en redacteuren voor de Internationale Spectator.

J.J. Schokking: directeur NGIZ 1945-1948
Jan Jurriaan Schokking (1898-1979) was niet alleen de eerste directeur van het NGIZ, maar de facto ook de eerste hoofdredacteur van de Internationale Spectator. Hij stamde uit een familie van bestuurders en Nederlands-Hervormde predikanten. Zijn vader was niet alleen bedienaar des geloofs geweest, maar in de jaren twintig van de 20e eeuw ook minister van Justitie voor de Christelijk-Historische Unie (CHU).

Kort na de Eerste Wereldoorlog nam de jonge Schokking deel aan een reddingsactie van het Rode Kruis om hongersnood in de Oekraïne te bestrijden. In de jaren dertig verzette hij zich in de brochure In de klem der verdeeldheid (1939) tegen de ideologische verzuiling in Nederland.

Onder Schokkings leiding groeide het NGIZ in een paar jaar uit tot mini-denktank met veel activiteiten en schulden. In het voorjaar van 1948 gaf hij gehoor aan een verzoek om hoogleraar politieke wetenschappen te worden aan de universiteit van Keulen.

Wie bedachten het blad?
Uit het In memoriam in de Internationale Spectator van juni 1979 voor de eerste NGIZ-directeur Schokking, geschreven door W. Verkade, blijkt dat een driemanschap 33 jaar geleden verantwoordelijk was voor de lancering van het periodiek. Naast Schokking waren dat twee door hem aangetrokken leden van de wetenschappelijke staf van het NGIZ, te weten: W. Verkade en C.D.J. Brandt. Wie waren zij?

Willem Verkade (1905-1990) was de zoon van de bekende toneelspeler en regisseur Eduard Verkade en kleinzoon van de oprichter van de Verkadefabrieken in Zaandam. Hij studeerde rechten in Leiden en promoveerde daar in 1935 op een Overzicht van de staatkundige denkbeelden van Johan Rudolf Thorbecke (1798-1872).

In 1938 was Verkade medeoprichter van het tijdschrift Het Gemeenebest. In het eerste nummer publiceerde hij als aanhanger van de zogenoemde volkseenheidsgedachte het spraakmakende artikel ‘Scheidslijnen in het Nederlandse volk’.

Hij verliet in 1949 het bureau van het NGIZ om vertegenwoordiger van de UNESCO in de Britse bezettingszone in Duitsland te worden (tot 1952). Daarna werd hij onder meer directeur van de Culturele Raad van Gelderland. De publicist Verkade was een enthousiaste propagandist van de Europese gedachte.

Coenraad Dirk Jan Brandt (1897-1966) was historicus, promoveerde op de Hollandse stadsrechten en was twintig jaar leraar op het Utrechts Stedelijk Gymnasium. Als sociaaldemocraat was hij actief in de antifascistische beweging Eenheid door Democratie.

Na de oorlog combineerde Brandt functies zoals politiek hoofdredacteur van het Nieuw Utrechts Dagblad (verbonden aan Het Parool), was hij kort werkzaam voor het NGIZ en in 1947 werd hij in Utrecht benoemd tot de eerste hoogleraar nieuwste geschiedenis in Nederland. Van 1947 tot 1965 presenteerde hij op de radio voor de VARA bovendien een Buitenlands Weekoverzicht.

Naamgeving van het blad
Het bijvoeglijk naamwoord ‘internationale’ (letterlijk: tussen (de) volken), in de negentiende eeuw voor het eerst en in toenemende mate gebruikt, behoeft geen verdere toelichting. De eerste keer dat ik het via de zoekmachine Delpher aantrof, was in de Leydse Courant van 4 december 1818 in een beschouwing over het in dat jaar gehouden Congres van Aken: “Het [Congres] was niet geroepen om eensgezindheid te bepalen om [een] inter-nationale wet vast te stellen, tot het daarstellen van evenwigt van magt […].”

advertentie in de Spectator 1947.
Advertentie in de Spectator uit 1947.

Het woord ‘spectator’ is wat ouder: het werd in de achttiende eeuw in de periode van de Verlichting gebruikt voor algemene politiek-culturele en opiniërende bladen zoals de Hollandsche Spectator van Justus van Effen, een van de zogenoemde spectatoriale geschriften in navolging van de nog steeds bestaande Britse Spectator (links-liberaal weekblad). Spectator betekent dan toeschouwer; waarnemer (van het wereldgebeuren). Het oudste maandblad van Nederland is trouwens de nog steeds verschijnende Militaire Spectator (1832).

Start onder Schokking
De eerste reguliere jaargang was 1947. De uiterlijke vorm in deze tijd van papierschaarste was een dun schriftje van maximaal twaalf tot twintig pagina’s. De frequentie van het “bulletin” was zowel wekelijks als veertiendaags.

Er was een serie A, Chronologie genaamd, met in telegramstijl een korte weergave van algemene politieke ontwikkelingen, nieuws over de Verenigde Naties en feiten per land. Serie B bood plaats aan korte, soms hyperkorte artikeltjes onder het kopje Achtergronden en verklaringen. De auteurs van de artikelen gebruikten de eerste jaren alleen initialen.

De Haagse uitgeverij A.W. Dijkman in de Lange Houtstraat was het verzend- en administratieadres, maar zou het blad tot in de jaren tachtig blijven drukken. Overigens stond op de titelpagina vermeld “Periodiek van het Nederlandsch Genootschap voor Internationale Zaken”, met daaronder “in België verspreid door Het [hoofdletter in bron] Instituut der Internationale Betrekkingen”.

Schokking had al vroeg contact gezocht met de zuiderburen in de vele tientallen jaren ijdele hoop gebleken verwachting er een algemeen-Nederlands blad van te maken. In de eerste jaargangen ziet men veelvuldig advertenties van deftige Haagse middenstanders, zoals een bontwinkel en een zaak in jachtgeweren, alsmede advertenties van een reisbureau met de leus “U vliegt toch ook?”.

KLM-advertentie in de Spectator 1947.
Advertentie in de Spectator uit 1947.

1947-1948: Enkele artikelen
Monogram CDJB [= C.D.J. Brandt], ‘Het Fransch-Engelsche verdrag. Het symbool van Duinkerken’, 1947.
Vl. [= B.H.M Vlekke], ‘Naar de verkiezingen van 1948 in de Verenigde Staten’, 1947.
Vl., ‘Rondom de Britse evacuatie van Palestina’, 1947.
T. [= A.J.P. Tammes?]: ‘Jaarbeurzen en hun politieke invloed’, 1948.

B.M.H. Vlekke: hoofdredacteur 1948-1964
Bernardus Hubertus Maria Vlekke (1899-1970) was de tweede secretaris-generaal en de eerste langjarige hoofdredacteur van de Internationale Spectator. Bernard Vlekke was de zoon van een Brabantse vooruitstrevende katholieke suikerfabrikant.

In 1935 promoveerde hij in Nijmegen op zijn proefschrift Sint Servatius: De eerste Nederlandsche bisschop in historie en legende. Het thema Dichtung und Wahrheit, ook in de internationale betrekkingen, zou een geliefd thema in zijn werk worden.

Vlekke werd secretaris van het Nederlandsch Instituut in Rome. In juni 1940 vertrok hij naar de Verenigde Staten, waar hij medewerker werd van het Nederlandsch Informatie Bureau. In dat kader schreef hij ter voorlichting van Amerikanen het betrekkelijk Indonesië-centrische Nusantara. A History of the East Indian Archipelago (1943) en Evolution of the Dutch Nation (1945). In oorlogstijd doceerde hij ook aan de universiteit Harvard.

Terug in Nederland werd hij per 1 oktober 1947 benoemd tot hoofd van de afdeling Publicaties en Onderzoek van het Nederlandsch Genootschap voor Internationale Zaken. In mei 1948 werd hij hier ook secretaris-generaal van, wat ook het hoofdredacteurschap van de Internationale Spectator inhield, waarin hij talloze artikelen en boekbesprekingen publiceerde. Zijn boek Tweespalt der wereldrijken: de tegenstelling tussen Oost en West in wezen en wording (1953) was wars van ideologische vooringenomenheid.

Na een Leids lectoraat in de actuele internationale staatkunde was Vlekke van 1962 tot 1968 aan de Leidse Universiteit buitengewoon hoogleraar in de internationale betrekkingen van de nieuwste tijd.

Een viermanschap als redactie
Bij het begin van de vijfde jaargang (1950) blijkt de Internationale Spectator voor het eerst een heuse met naam en toenaam genoemde meerkoppige redactie te hebben, een viermanschap – hoewel het om drie mannen en een vrouw gaat. Ex aequo worden in het colofon genoemd dr. B.H.M. Vlekke, dr. L.G.M. Jaquet, H.Chr. Schwencke en jkvr. M.C.J. baronesse Mackay. Zij verdienen het apart belicht te worden. Vlekke kennen we intussen al.

De indoloog L.G.M. Jaquet (1912-1996) was na een carrière in de Nederlands-Indische bestuursdienst gerepatrieerd. Hij was van 1950 tot juli 1952 ambtelijk secretaris (adjunct-directeur) van het NGIZ en in dat kader redacteur van het blad, tot hij verkaste naar het ministerie van Buitenlandse Zaken (in de redactie van de Internationale Spectator is nooit een actief diplomaat of medewerker van dit ministerie opgenomen om de schijn van belangenverstrengeling met de belangrijkste subsidiegever te vermijden). We zullen Jaquet later tegenkomen en uitvoeriger belichten wanneer hij opvolger van Vlekke zal worden.

Hans Christiaan Schwencke (1921-2004) stamde uit een traditionele Haagse familie. Na het behalen van zijn gymnasiumdiploma aan het Gemeentelijk Lyceum raakte hij samen met zijn vader Chr.A. Schwencke, diverse andere familieleden en mr. J. Barents – na de oorlog de eerste hoogleraar politieke wetenschappen aan de Zevende Faculteit van de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam – betrokken bij het illegale verzetsblad TELEX, waarvoor zijn vader in het Oranjehotel terechtkwam.

Nog voor de Bevrijding publiceerde H.Chr. Schwencke onder het pseudoniem Skopos een brochure Schets van ons huidig hoofdprobleem, waarin onder meer gewezen werd op de noodzaak om na de oorlog tot normalisering van de verhoudingen met ‘goede’ Duitsers te komen. Na de oorlog zette hij zijn journalistieke activiteiten voort, onder meer bij het vooruitstrevend christelijk-historisch dagblad De (Nieuwe) Nederlander.

Eind jaren veertig belandde Schwencke bij het NGIZ, waar hij een achttal jaren betrokken was bij publicatie en documentatie. Na zijn vertrek bij het Genootschap werkte hij ruim twintig jaar voor het Kabinet van de Koningin.

Maria Christine Jeanette baronesse Mackay (1907-1995) was dochter van Daniël baron Mackay, onder meer burgemeester van achtereenvolgens Voorburg, Medan (Sumatra), Enkhuizen en Meppel. Jkvr. Mackay studeerde geneeskunde aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam, waar zij zich na haar artsexamen in 1937 specialiseerde in de psychiatrie.

In 1947 kwam zij als wetenschappelijk ambtenaar in dienst van het NGIZ, waar zij zo’n zestien jaar zou werken – tot kort voor het eind van het tijdvak-Vlekke – aan onder meer redactieklussen, het schrijven van vele artikelen en andere NGIZ-publicaties (zoals Het Atoomvraagstuk) met een veelal psychologische invalshoek. Zij rondde haar carrière af met een functie op haar eigen vakgebied bij het ministerie van Justitie.

Vorm en koers onder Vlekke
De schoolcahiervorm van het blad bleef zeven jaar (van 1947 tot en met 1953) gehandhaafd. In 1949 verschijnen vrijwel alle bijdragen nog met alleen de initialen van de auteurs (een kwart met B.M.H.V. …), maar in 1950 worden volledige auteursnamen geïntroduceerd. Vanaf dat jaar zien we ook een toenemend aantal boekbesprekingen.

advertentie in de Spectator 1947.
Advertentie in de Spectator uit 1947.

In de jaren vijftig worden vaak verkorte jaarverslagen van het NGIZ in het blad gepubliceerd, soms zelfs een verslagje van de jaarlijkse Algemene Ledenvergadering. Hieruit blijkt de innige verwevenheid van blad en instituut en vereniging. Het jaarverslag over 1952 vermeldt trots dat het veertiendaags bulletin de Internationale Spectator “het enige tijdschrift in Nederland [is] dat uitsluitend gewijd is aan vraagstukken van de buitenlandse politiek” (en deze aanprijzing werd met wat marginale wijzigingen ook een halve eeuw later nog gehanteerd).

De ironie is dat tot midden jaren zestig slechts weinig artikelen uitdrukkelijk aandacht vragen voor Nederlandse buitenlandse politiek of de rol van Nederland in het wereldgebeuren. Vaak kwam het neer op historische of technische verhandelingen, zoals het artikel van B.J. Udink (de latere minister) uit 1957 getiteld ‘De economisch-politieke verhouding tussen de Duitse en Nederlandse zeehavens’.

Wat opvalt als groot contrast met de niet veel jaren later geïntroduceerde redactionele aanpak is de zinsnede “De redactie zorgde uiteraard voor het merendeel der opgenomen artikelen”. In 1953 verhuizen Genootschap en redactie naar de witte 19e-eeuwse suikervilla Alexanderstraat 2, hoek Mauritskade.

Spectator 1954
De Internationale Spectator in 1954.

En dan verschijnt het blad in 1954 in een nieuwe jas en met een drastisch gewijzigde afmeting. Het wordt (tot 1973) een boekjesvorm van gemiddeld ruim zestig pagina’s, nog steeds tweewekelijks en nog steeds een afwisseling van meer documenterende en van vooral beschrijvend-analyserende nummers, zodat aan het eind van het jaar in ingebonden vorm twee delen van elk zes- tot achthonderd pagina’s resulteren. Het laatste nummer van ieder jaar bevat een flink register op beide delen, gesorteerd op auteurs en onderwerpen.

Dankzij een forsere structurele subsidie van het ministerie van Buitenlandse Zaken is de tijd van beknibbelen op papier voorbij. En vanaf nu prijkt – om ieder misverstand te voorkomen – op de titelpagina van elk nummer (later in het colofon) de ondertitel “Tijdschrift voor Internationale Politiek”.

Deel I omvat artikelen en boekbesprekingen; in 1954 zijn die artikelen al voor de helft door auteurs van buiten het NGIZ aangeleverd – een ontwikkeling die zich in volgende jaren en decennia versneld zal voortzetten. (Pas in de Clingendael-situatie zal na verloop van tijd een substantiële minderheid van de bijdragen weer ‘uit eigen stal’, oftewel uit de eigen onderzoeksstaf komen.)

Deel II bevat een groot aantal, aanvankelijk veelal door de redactie c.q. de staf van het NGIZ en later steeds vaker door derden samengestelde “Overzichten van de voornaamste gebeurtenissen en ontwikkelingen in de landen van Latijns-Amerika” / “de satellietstaten van de Sovjetunie” sinds 19.. enzovoorts. Relevante documenten – al dan niet vertaald – begeleiden die overzichtsartikelen.

Maar ook verschijnen in de documentatiereeks steeds meer substantiële thematische  verhandelingen, zoals het stuk ‘Een gewapende macht ten dienste van de Verenigde Naties’ door B.V.A. Röling. In 1961 worden in de algemene nummers aan het eind van elke aflevering korte auteursgegevens opgenomen.

Sinds zijn aantreden schrijft Vlekke in het eerste nummer van januari vrijwel altijd een Verantwoording voor de afgelopen jaargang of een Ten geleide. Soms met een persoonlijke ontboezeming.

Intrigerend door het karakter van “toch geloof ik” is een passage in het Ten geleide van jaargang 12 (1958): “De tijd, toen men geloofde dat betere informatie automatisch tot versterking van de vredeswil zal leiden is voorbij. Wij geloven echter nog altijd dat goede informatie grotere bedachtzaamheid in het politieke denken en dus grotere stabiliteit ten gevolge zal hebben, waardoor onzerzijds gedaan wordt wat in onze macht ligt, om de internationale spanning te verminderen.”

Begin 1956 spreekt Vlekke zijn vreugde uit over het groeiend aantal student-abonnees, hetgeen getuigt van hun belangstelling voor internationale aangelegenheden. Dat is van belang omdat “uit hun midden de aanstaande intellectuele leidslieden van ons volk” voortkomen.

Vlekkes samenwerking met area studies-specialisten van buiten het Genootschap leidt ertoe dat hij aan het begin van zijn zwanenzang in jaargang 18 (1964) de verschijning kan aankondigen van vier nummers per jaar die “aan het gebeuren in Oost-Europa gewijd zullen worden” en dan ook afzonderlijk als “klein abonnement” verkrijgbaar zullen zijn. Deze Oost-Europanummers zullen worden verzorgd door het Oost-Europa Instituut van de Universiteit van Amsterdam, aanvankelijk vertegenwoordigd door dr. M.J. (Marius) Broekmeyer, later vele jaren door dr. M.P. (Martin) van den Heuvel.

Emmanuel Coppieters en de relatie met België
Al eerder was de samenwerking met België nieuw leven ingeblazen. Waren sinds 1954 de namen van de afzonderlijke meewerkende redactieleden van NGIZ-huize uit het colofon verwijderd, in jaargang 15 (1961) verschijnt voor het eerst op de titelpagina van elke aflevering onder Vlekkes naam in iets kleinere letters “redakteur prof. dr. Emmanuel Coppieters”. (Ten tijde van Heldring e.v. staat Coppieters steeds als “redacteur voor België” vermeld in het redactioneel colofon.)

In de jaren zestig leverde Coppieters nog diverse artikelen aan de Internationale Spectator, in de jaren zeventig verflauwde zijn betrokkenheid en in de jaren tachtig en verder liet hij alle contacten over aan Marie-Thérèse Bockstaele (1933-2015), Hoofd van de Diensten (later Executief Directeur) van het intussen Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen (KIIB; Institut Royal de Relations Internationales). Behalve voor de acquisitie van artikelen uit Vlaanderen/België was de afname door het KIIB in de vorm van een collectief abonnement van (in de jaren tachtig) vierhonderd exemplaren voor het NGIZ een belangrijk motief om de samenwerking voort te zetten.

Omdat volgens het samenwerkingscontract alle uitnodigingen via het KIIB zouden moeten verlopen, bleek die samenwerking eerder een rem op toestroom van Belgische kopij te vormen. Daarbij kwam wat betreft het aanbod dat een jonge en kritische generatie Vlaams-Belgische onderzoekers het KIIB vaak als een symbool van ‘La Belgique de mon (grand)père’ zagen, anders dan het huidige Instituut Egmont.

Emmanuel Léon Xavier Claire Théodore Ghislain Coppieters de ter Zaele (sic) (1925-1993) begon zijn rechtenstudie tijdens de Tweede Wereldoorlog in Namen. In 1944 sloot hij zich aan bij het Geheim Leger afdeling Brugge-Oostende. Na de oorlog werd hij officier-vertaler Duits en Engels bij het militaire bestuur in de Britse bezettingszone in Duitsland. Van 1949 tot 1952 was hij voorzitter van de Benelux Students Association in Great Britain. Hij promoveerde in de rechten en economie en werd honorary fellow van de London School of Economics.

Van 1954 tot 1991 was hij directeur-generaal van het Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen te Brussel. Volgens Wikipedia, voornaamste bron van bijgaande informatie, was hij onder meer “de Belgische redacteur van het Nederlands-Belgische tijdschrift Internationale Spectator”. Daarnaast was hij docent aan diverse instellingen, onder meer de faculteit economische wetenschappen van het Rijksuniversitair Centrum Antwerpen. Hij was politiek actief voor de Christelijke Volkspartij (CVP). Onder zijn vele eretekens was die van commandeur in de Orde van Oranje Nassau (1970).

Inhoud onder Vlekke: een keuze
N.B. Medio jaren vijftig schakelt de Internationale Spectator om duistere redenen over op de k-spelling, behalve voor de titel van het blad.

1949:
BHMV, ‘De wereld, Nederland en Indonesië’.

1950:
A.J.P. Tammes, ‘De Internationale Betrekkingen als Universitair Studievak’.

1951:
Dr. ir H.M.J. Hart, ‘Technische hulp aan onontwikkelde gebieden’.

1952:
L.J. van Egeraat, ‘Nationalistische trekken in het socialisme’ (over de Labourpartij).
Dr. W.A. ’t Hart, ‘Een noodzakelijk facet bij de wetenschappelijke studie  van internationale vraagstukken’ (over stereotypen).

1953:
M.C.J. Mackay, ‘Zuid-Afrika’s verdeeldheid’ (vnl. over de witte partijen…).
M.C.J. Mackay, ‘De politieke ontwikkeling der Engelse koloniën in Afrika’.

1954:
B.V.A. Röling (oud-rechter van het Tribunaal van Tokio), ‘Duitsland en het vonnis van Neurenberg’.
M. Schneider (de latere hoogleraar persgeschiedenis; van 1954 tot 1960 secretaris van het NGIZ), ‘Problemen rondom de internationale berichtgeving’.

1955:
F. Vos (later hoogleraar japanologie), ‘De betrekkingen tussen China en Korea in het perspectief der geschiedenis’.
Prof. J.H. Boeke, ‘Het rassenvraagstuk in de Unie van Zuid-Afrika’.
H.N. Boon (diplomaat, voorzitter NGIZ van 1976 tot 1983), ‘De grenzen van de internationale samenwerking’.

1956:
Prof. Mr. L.G.A. Schlichting, ‘De Katholieke Kerk en de internationale toestand’.
Sir Zafrulla Khan, ‘Islam and international relations’.
C.L. Patijn (lid Tweede Kamer voor de PvdA), ‘De oecumenische beweging en de internationale politiek’.

1957:
Twee Engelstalige artikelen van Nederlandse werkgroepen over politieke en financieel-economische ontwikkelingen in Indonesië.
Dr. J.H. Bezemer (hoogleraar-directeur Oost-Europa Instituut), ‘Overzicht der omwentelingen in Polen en Hongarije’.

1958:
Twee Duitstalige artikelen: ‘Deutsche Einheit, Europäische Sicherheit und Abrüstung’ en ‘Der Schweizerische Bundesrat und der Euromarkt’.

1959:
Themanummer over Frankrijk en de Vijfde Republiek.
Verder van H.M. Bleich een kritisch stuk over ‘Den Haag als centrum van internationale berichtgeving’.

1960:
P. Krug, ‘Afghanistan tussen twee werelden’.
M.C.J. Mackay, ‘Etische [sic] waarden in de internationale politiek’.
W.F. Wertheim en J.M. Romein, ‘En toch beweegt zij’ (polemiek met Vlekke naar aanleiding van hun boek Een wereld beweegt).

1961:
P.J. Idenburg (algemeen secretaris van het Afrika Studiecentrum te Leiden), ‘De nieuwe Afrikaanse staten en de Westers-demokratische normen’.

1962:
Drs. A. Lijphart (de latere Nederlands-Amerikaanse hoogleraar bekend van The Trauma of Decolonization en van publicaties over verzuiling), ‘De Nederlandse publieke opinie inzake het Nieuw-Guineavraagstuk medio 1961’.
Prof. dr. C.C. Berg (hoogleraar Javaans), Taal, myte [sic] en het probleem van de vrede’.

1963:
Prof. dr. K. van het Reve, ‘Schisma in de Rode Wereld’.
Prof. dr. E. Zürcher, ‘De reïnterpretatie van de oude kultuur in het huidige China’.

Wegens slechte gezondheid verliet Bernard Vlekke begin 1964 het Genootschap en nam hij zodoende ook afscheid van het maandblad dat steeds meer zijn levenswerk was geworden en steeds meer de kurk waarop het NGIZ dreef qua activiteiten en reputatie.

Al in februari 1964 was dr. L.G.M. Jaquet de nieuwe hoofdredacteur. Vlekke werd geëerd met de eretekens van ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw en commandeur in de orde van de Kroon van België. Terwijl de aandacht in ‘zijn’ Internationale Spectator voor specifiek het Nederlands buitenlands beleid achteraf bezien verbazingwekkend bescheiden was, was het blad onder zijn leiding een belangrijk en bijna onmisbaar verzamelpunt geworden van Nederlandse kennis over internationale machtsverhoudingen, alsmede van landen- en regiokennis.

L.G.M. Jaquet (hoofdredacteur 1964-1972)
Louis George Martin Jaquet (1912-1995) werd als zoon van een remonstrantse boekhouder geboren in Middelburg, waar hij de Hogere Burgerschool volgde. Zijn vader werd later handelaar, maar vanwege zijn ziekte en de economische crisis was hij niet vermogend genoeg om zijn zoon te laten studeren.

Mede doordat voor deze studie geen gymnasiale vooropleiding vereist was, koos Louis voor de studie Indologie in Leiden, waarvoor hij met succes een vergelijkend examen deed om een rijksstudietoelage te verwerven. Indologie was een multidisciplinaire studie ter voorbereiding op de bestuursdienst in Nederlands-Indië. In 1935 promoveerde Jaquet op de industrialisering van Japan.

L.G. H. Jaquet in 1985. © Rob Bogaerts / Anefo / NA
L.G. H. Jaquet in 1985. © Rob Bogaerts / Anefo / NA

In Indië kwam hij terecht bij het Binnenlands Bestuur, waarna hij gedetacheerd werd bij de Dienst Oost-Aziatische Zaken, afdeling Japan. Na internering door Japan tijdens de Pacific-oorlog kwam hij in dienst bij de NEFIS (Netherlands Forces Intelligence Service). In 1947 werd hij hoofd van de afdeling voorlichting van het Departement van Binnenlandse Zaken in wat toen nog Batavia heette.

Terug in Nederland was hij tweeënhalf jaar als secretaris (adjunct-directeur) in dienst van het Nederlands Genootschap voor Internationale Zaken. Daarna werkte hij twaalf jaar als ambtenaar en diplomaat voor het ministerie van Buitenlandse Zaken, onder andere als plaatsvervangend chef van de Directie Oosten (sic) en directeur voor Afrika en het Midden-Oosten.

Min of meer tegelijkertijd met Jaquet wordt een nieuwe secretaris (adjunct-directeur) benoemd, die ook als medewerker en eindredacteur van de Internationale Spectator fungeert. Het is Tijmen Knecht (1927-2009), die op een geschakeerde carrière kan bogen.

Na een studie politieke wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam werkte hij als publicist en journalist, en in diverse hoedanigheden voor de Anti-Revolutionaire Partij (ARP). Hij publiceerde diverse geschriften waarin hij waarschuwde voor de politieke invloed van de rooms-katholieke kerk in een verenigd Europa en tegen het samengaan van protestantse partijen met de katholieken in één fractie in het Europees Parlement.

Voor de Internationale Spectator schreef hij diverse artikelen en verzorgde hij (een deel van) de rubriek Boekaankondigingen. Ook zijn echtgenote Helen Knecht-Drenth schreef enkele artikelen in het blad, over ontwikkelingen in Latijns-Amerika.

Naar verluidt was de verhouding tussen Louis Jaquet en Tijmen Knecht niet optimaal en zij vertrokken min of meer tegelijkertijd bij het Genootschap. Het echtpaar Knecht-Drenth ontwikkelde zich tot kunstverzamelaars en bij leven schonken zij hun substantiële collecties aan musea in Leeuwarden, Deventer en Madrid.

Vorm en koers onder Jaquet
De belangrijkste structurele verandering in het blad onder Jaquet was de invoering van regionaal of thematisch gerichte series. Deze ontwikkeling was al ingezet in de nadagen van Vlekke met de zogeheten Oost-Europese serie en was in de loop van de jaren vijftig met halve themanummers en via banden met externe instituten al embryonaal ontstaan.

Jaquet legt uit dat voor de nieuwbakken series in samenwerking met regionale instituten gekozen is om praktische en principiële redenen. Dat principiële is niet helemaal duidelijk (wijd is de wereld?), het praktische (Jaquet spreekt bij zijn afscheid in 1972 zelfs van noodzaak) is iets duidelijker. Door de deels in eigen huis vervaardigde overzichtsartikelen langzaam maar zeker in aantal te verminderen kon personeel worden bespaard, terwijl de acquisitie van auteurs gemakkelijker werd of – liever – voor een belangrijk deel kon worden gedelegeerd.

Bovendien konden er zo extra abonnees worden geworven: naast de oplage van 2400 waren er in 1964 al 800 abonnees op de Oost-Europese Serie; in 1965 waren dat er 2600 op de “gehele serie” en 1000 op de Oost-Europese serie. Het aantal student-abonnees liep in die tijd op tot zo’n 500. Dit weerspiegelde enerzijds de toenemende studentenaantallen in het algemeen en de groeiende internationale oriëntatie onder studenten, anderzijds werden wanbetalende studenten niet of met grote vertraging geschorst…

Op 22 februari 1965 verscheen het eerste Azië-Midden-Oostennummer van de desbetreffende serie van vier per jaar, in samenwerking met het Instituut voor het Moderne Nabije Oosten van de Universiteit van Amsterdam. Dat voorjaar zag ook het tweede Latijns-Amerikanummer het licht (het eerste was al in september 1964 verschenen), verzorgd door dr. H. Riemens (1908-1972), die aan het eind van zijn consulaire en diplomatieke loopbaan Nederlands gezant in Venezuela was geweest. Riemens zou voor zestien Latijns-Amerikanummers garant staan.

En bij het begin van jaargang 20 (1966) liet Jaquet weten dat “[v]oorbereidingen worden getroffen om het 4 x per jaar uitkomende, geheel aan de ontwikkelingsproblematiek gewijde blad Wereld-In-Formatie in 1966 in de Internationale Spectator op te nemen”. Zo ontstond de Ontwikkelingsserie, in samenwerking met de Stichting Nederlandse Organisatie voor Internationale Bijstand (N.O.V.I.B.; tegenwoordig Oxfam Novib), vier keer per jaar verschijnend onder een eigen zeskoppige redactiecommissie (met onder andere drs. J.P. Pronk), met aanvankelijk G.J. van Vlijmen, directeur van N.O.V.I.B., als redactiesecretaris.

De leden van deze commissie wisselden in de loop van de tijd via coöptatie, maar er werd altijd voor gezorgd dat ze uit zes verschillende instituten, universiteiten of werkvelden afkomstig waren. Zowel de Oost-Europaserie als de Ontwikkelingsserie zou het ruim een kwart eeuw uithouden, tot 1993. Intussen was begin 1965 ook de zogeheten Afrikaserie gelanceerd, in samenwerking met het Afrika Studiecentrum te Leiden.

Ter onderscheiding van de collega-series en de algemene nummers kreeg na een paar jaar elke serie op het omslag een eigen kleur, die werd herhaald in de vorm van een balkje of stip op de rug van elk ‘boekje’. Die kleuren waren (uiteraard) rood voor de Oost-Europaserie, groen voor de Latijns-Amerikaserie, geelbruin (!) voor de Azië-Midden-Oostenserie en zwart (!) voor de Afrikaserie. De algemene nummers werd de kleur blauw toebedeeld, wat men aan een Atlantische oriëntatie zou kunnen toeschrijven.

In 1967 was er een andere noviteit. Voortaan werd elk jaar als speciaal en lijvig nummer de Engelstalige Strategic Survey gepubliceerd, met als eerste keer de ‘Strategic Survey 1966’ in het maartnummer 1967. De Strategic Survey werd verzorgd door het Londense International Institute for Strategic Studies. De Survey bood een jaarlijks overzicht van bewapening, defensie-uitgaven enzovoorts. Diverse malen lezen we notabene dat de Nederlandse co-publicatie de Nederlandse abonnees eerder bereikte dan de internationale versie.

Verder verschenen onder de rubriekstitel Commentaar ten tijde van Jaquet steeds vaker reacties op eerder gepubliceerde artikelen en boekbesprekingen. In deze jaren bevatten de afleveringen ook lijsten relevante literatuur onder het kopje Literatuuroverzichten.

Ten slotte bevatte in 1965 elk nummer voor het eerst korte Engelstalige samenvattingen (“Summaries”) van de artikelen. En dan was er ook in enkele advertenties de leus “de Spectator wordt vaak nog na jaren geraadpleegd”; “Uw advertentie leeft langer dan een eendagsvlieg”.

Inhoud onder Jaquet: een keuze
1964:

E. Coppieters, ‘De invloed van de internationale organisaties op de Belgische nationale instellingen’.
J.L. Heldring, ‘Atlantisch deelgenootschap en Europese eenheid’.
Golda Meir (minister van buitenlandse zaken, later premier, van Israël), ‘Israels position in the world’, lezing in Den Haag.

1965:
B. Landheer en E.H.F. van der Lely, ‘Het Vietnamese vraagstuk’.

1966:
J.P. Pronk en D.W. Zandee, ‘Ruilvoetreeks en ontwikkelingslanden’ (een econometrisch artikel).

1967:
Prof. Dr. H. Baudet (hoogleraar sociaaleconomische geschiedenis in Groningen), ‘The Netherlands Retreat from Empire’.
Theo Sommer, ‘Entspannungspolitik und Wiedervereinigung’.
Ger Harmsen (in 1973 hoogleraar dialectische filosofie in Groningen), ‘De wereldrevolutie: historisch-filosofische kanttekeningen bij een begrip’.

1968:
Jaquet preludeert op het op te richten Nationaal Instituut voor Vredesvraagstukken; themanummer met bijdragen van onder andere Alistair Buchan, Kenneth Younger (na Johan Galtung in november 1967).

F.G. van Hasselt (correspondent NRC in Istanbul), ‘Turkije tussen Mecca en Moskou’.
Z.R. Dittrich, ‘Stroomversnelling in Tsjechoslowakije’.
T. Knecht, ‘Spanje op weg naar Europa’.

1969:
G.A. Wagner (directeur Shell), ‘De organisatie van een internationaal bedrijf’.
L.G.M. Jaquet, ‘De sociale factor in het Japanse industrialisatieproces’.

En dan een wereldprimeur in de Oost-Europese serie: Andrej Aleksevic Amalrik, ‘Zal de Sowjet-Unie tot 1984 voortbestaan?’ (vertaald door drs. W.H. Roobol, wetenschappelijk medewerker van het Oost-Europa Instituut, later hoogleraar Europese studies). Het manuscript van deze Russische dissident was via de Herzen-Stichting naar Nederland gekomen. Vertalingen in andere talen waren nog in voorbereiding. Het pamflet werd onder de titel Haalt de Sowjet-Unie 1984? later in boekvorm uitgebracht. Naar verluidt geloofde de hoofdredacteur aanvankelijk niet dat de tekst authentiek was; was het een list van de KGB?

De Russische dissident Andrej Amalrik met echtgenoot Gjoezel op Schiphol voor een persconferentie op 15 juli 1976. © Hans Peters/Anefo/NA
De Russische dissident Andrej Amalrik met echtgenoot Gjoezel op Schiphol voor een persconferentie op 15 juli 1976. © Hans Peters/Anefo/NA 

1970:
Een knallend begin met een themanummer over Nederlands buitenlands beleid, in het bijzonder de rol van de openbare mening, met bijdragen van onder andere J.L. Heldring, prof. P.R. Baehr, prof. E.H. van der Beugel en jhr. Van Benthem van den Bergh.

1971:
Speciaal Engelstalig nummer ‘Intervention in International Politics’.
En verder onder meer drs. A. van Staden (de latere Leidse hoogleraar en directeur van Clingendael), ‘Opvattingen over het begrip “kleine staat”’.
En ir. J.J.C. Voorhoeve (was werkzaam op Landbouw & Visserij, “studeert thans internationale betrekkingen in de Verenigde Staten”), ‘Internationale noodhulp’.

1972:
L.G.M. Jaquet, Internationale verkenningen: flitsen uit de ontwikkelingen in Europa, Azië en Amerika. Veertien opstellen gepubliceerd in nummer 13 (8 juli). Afscheidsbundel, ook in boekvorm, aangeboden aan Jaquet, met artikelen van zijn hand, deels eerder in de Internationale Spectator verschenen. Laatste artikel in de bundel: ‘Grenzen en grensoverschrijdingen tussen politieke wetenschappen en politiek’.

Jaquets vertrek
Jaquet zou in het voorjaar van 1972 vertrekken als secretaris-generaal van het NGIZ en hoofdredacteur van de Internationale Spectator na een conflict dat niet rechtstreeks maar tot op zekere hoogte wel zijdelings met het Genootschap te maken had. Geen conflict tussen hem en het Genootschap, overigens. Het gaat hier om wat toen al in de pers en ook door de hoofdpersoon zelf werd aangeduid als ‘De Affaire Jaquet’, of soms als ‘De Utrechtse Affaire’. De hele “affaire” duurde zo’n drie jaar en moet het bestaan van Louis Jaquet in die tijd behoorlijk vergald hebben.

Aanvankelijk ging het om Jaquets benoeming tot bijzonder hoogleraar Westelijke – meer in het bijzonder Atlantische – samenwerking, een leerstoel gevestigd aan de Rechtenfaculteit van de Utrechtse universiteit. In een tijd van democratisering en groeiende kritiek op autoritaire verhoudingen aan de universiteit verzetten linkse studenten zich tegen deze benoeming van een man die zij als atlanticus als deel van het establishment achtten en (met het gesubsidieerde NGIZ) een verlengstuk van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Kortom, vandaag de dag zouden we zeggen dat Jaquet niet ‘woke’ genoeg was (of helemaal niet ‘woke’ bevonden werd). (Jaquet was in die tijd trouwens actief lid van D66.)

De controverse leidde tot eindeloze universitair-bureaucratische zigzagbewegingen en herformulering van de leeropdracht, maar slot van het liedje was dat de universiteit door de instelling van de leerstoel in te trekken door de knieën ging. De ironie was dat Jaquet zich uiteindelijk liet benoemen tot adjunct-directeur (Civil Deputy) van het NATO Defence College in Rome, zodat het Genootschap moest uitzien naar een nieuwe directeur-hoofdredacteur. Die werd met enige vertraging gevonden in de persoon van mr. J.L. Heldring.

Interregnum? Toen Jaquet medio 1972 de facto al vertrokken was en Heldring nog niet zijn plaats had kunnen innemen, prijkte op de titelpagina van het nog steeds tweewekelijks blad de naam L.B. Duitz, “hoofdredakteur a.i.”. Kolonel b.d. L.B. Duitz behartigde de algemene zaken op het NGIZ-kantoor en leende zijn naam kortstondig aan het blad.

Louis Bernard Duitz (Amsterdam 1905) was beroepsmilitair geweest bij het Nederlands-Indisch Leger; na krijgsgevangenschap had hij zijn werkzaamheden hervat en hij was bij de onafhankelijkheid van Indonesië een van de leden van de Nederlandse Militaire Missie (tot 1953). (In 1956 vloog hij naar Jakarta als getuige à décharge in het proces-Jungschläger.) Kortom, heel even kende de Internationale Spectator een ‘kolonelsregime’.

J.L. Heldring (hoofdredacteur 1972-1985)
De derde, voor een lange periode dienstdoende hoofdredacteur van de Internationale Spectator, mr. Jérôme Louis Heldring (Amsterdam 1917 – Den Haag 2013), stamde uit een deftige familie van Nederlands-Hervormde predikanten en kooplieden-ondernemers. Zijn vader Ernst Heldring was onder meer directeur van de Koninklijke Nederlandse Stoomvaart Maatschappij (KNSM). Men kan zeggen dat Heldring in de ouderlijke woning aan de Gouden Bocht van de Amsterdamse Herengracht met een zilveren lepel in de mond was geboren, maar van hem werd wel inzet voor een eigen carrière verwacht.

Jerome Heldring © Van Oorschot
Jerome Heldring © Van Oorschot

Na zijn afstuderen in de rechten in Leiden trad hij in dienst bij de Leidse uitgeverij Brill. In 1945 verbond hij zich als redacteur buitenland aan de Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC). Van 1949 tot 1953 had hij – à la Vlekke – eerst een baan als voorlichter, vervolgens werd hij in 1951 directeur bij het Nederlands Informatie Bureau in New York. In dat kader woonde hij de dagelijkse vergaderingen van de Nederlandse delegatie bij de Verenigde Naties bij.

In 1953 hernam hij zijn werk bij de NRC, waar hij zich ontplooide als buitenlandcommentator en als columnist, met de rubriek Dezer Dagen, die hij meer dan een halve eeuw vol zou houden. Bij deze krant klom hij op tot hoofdredacteur (1968-1972) van het fusieproduct NRC Handelsblad, waarna hij een nieuwe uitdaging aanging bij het NGIZ en als hoofdredacteur van de Internationale Spectator. In 1993 werd Heldring een eredoctoraat toegekend door de Universiteit van Amsterdam, en in 2007 kreeg hij de Anne Vondelingprijs (2006), de belangrijkste prijs voor politieke journalistiek.

W.K. Hoekzema (eindredacteur 1972-1981)
Een van de eerste beleidsdaden van Heldring was de aanstelling van de eerste professionele en voltijdse eindredacteur Wim / Willem K. Hoekzema (1925-2008). De in Groningen opgegroeide Hoekzema combineerde in de jaren vijftig een functie op de secretarie van de gemeente Katwijk met een geschiedenisstudie in Leiden.

Hij brak zijn studie af voor een baan bij uitgeverij Keesing in Amsterdam en werkte daar voor het gezaghebbend documentatieblad Keesing’s Historisch Archief. Later was hij ook eindredacteur van de Reflector, een maandblad voor de hoogste klassen van middelbare scholen over actuele nationale en internationale politieke ontwikkelingen. In dat blad schreven vooraanstaande politicologen en historici; velen van hen zou hij later als auteurs werven voor de Internationale Spectator.

Redactioneel beleid onder Heldring & Hoekzema
Hoofd- en eindredacteur Heldring en Hoekzema bedachten in het tweede halfjaar van 1972 wat zij allemaal aan het blad wilden veranderen. Geen publicaties met huid en haar van al te lange verhandelingen. Ook gold de regel dat uitsluitend Nederlandstalige oorspronkelijke of vertaalde bijdragen geplaatst zouden worden (Heldring vond dat ook belangstellende autodidacten met alleen een lagere schoolopleiding het blad moesten kunnen lezen).

Wat betreft Heldring was er ook geen voorkeur voor verre boven nabije landen en (dus) wilde hij geen al te pietepeuterige artikelen over stammentwisten in Midden-Afrika, maar meer aandacht voor de grote lijnen van geopolitieke ontwikkelingen en vooral meer ruimte voor Nederlands buitenlands beleid en de internationale rol van Nederland.

En ten slotte, met handhaving van het caleidoscopisch karakter van het blad, een groter accent op gevraagde artikelen (“geschreven op initiatief van de redactie”) en minder gastvrijheid voor aangeboden artikelen van soms mindere kwaliteit. De taak van de eindredacteur in dit tandem was vooral die van aanjager, van waakhond en ten slotte zo nodig van grondige bewerker van wat in beginsel publicabel werd bevonden.

Het vragen van auteurs verliep in zekere zin soepeler doordat een bescheiden honorarium per geplaatst artikel werd uitgekeerd, aanvankelijk 175 en later 300 gulden. Daarmee konden bijvoorbeeld aan Heldring bekende NRC-correspondenten over de streep worden getrokken.

Om jong talent te stimuleren werd naar het idee van Hoekzema en redacteur Herman Schaper de jaarlijkse Genootschapsprijs ingesteld voor de beste doctoraalscriptie op het terrein van de internationale betrekkingen. De winnaar werd uitgenodigd zijn/haar verhaal te bewerken tot bijdrage aan de Spectator.

In 1973 verscheen het blad met een nieuw uiterlijk dankzij inschakeling van de vooraanstaande typograaf Karel Treebus. Het blad verscheen, net als vóór 1954, in cahiervorm, maar dan kloeker: marineblauw, met binnenwerk in tweekolomspagina’s in de zakelijke Times-letter.

Ook was er grote opruiming gehouden onder de veelheid van series, waardoor de eenheid van het blad verloren was gegaan. Alleen de Oost-Europaserie en Ontwikkelingsserie bleven over. Van de redactiecommissie voor die laatste serie werd de eindredacteur secretaris. Ten slotte verscheen de Internationale Spectator met ingang van 1975 als maandblad, een frequentie die het meer dan veertig jaar zou aanhouden.

Jerome Heldring in 1970. © Vincent Mentzel / De Beeldunie
Jerome Heldring in 1970. © Vincent Mentzel / De Beeldunie

Op aandringen van de Tweede Kamer was begin 1970 het Nederlands Instituut voor Vredesvraagstukken (NIVV) tot stand gekomen, met als doel de voorlichting over en de bevordering en uitvoering van onderzoek naar vrede en veiligheid. Er was sprake van een zekere overlap van het NIVV met de doelstelling van het NGIZ.

Het kwam dan ook goed uit dat ook het NIVV in de Haagse Alexanderstraat terechtkwam, schuin tegenover het NGIZ. De rooms-katholieke/christendemocratische buitenlandcommentator H.J. (Henk) Neuman werd directeur van het nieuwe instituut en de sociaaldemocratische, van het ministerie van Buitenlandse Zaken afkomstige dr. S. (Sam) Rozemond trad als adjunct-directeur aan – een rooms-rode coalitie dus.

Onder het motto If you can’t beat them, let them join you vroeg Heldring Rozemond in 1974 toe te treden tot de Spectator-redactie, waaraan ook de wetenschappelijk medewerker van het NGIZ, de in Utrecht gevormde historicus drs. J.W. (Hans) van der Meulen, deel ging nemen. Hans gaf met behoud van zijn redacteurschap enkele jaren later de voorkeur aan het NIVV als werkplek; hij verzorgde ook de rubriek Boekaankondigingen in het blad. In 1975 trad ook NGIZ-staflid en historicus drs. H.A. (Herman) Schaper toe, tot hij in 1980 naar het ministerie van Buitenlandse Zaken verkaste. Herman Schaper (1949-2021) was van 1980 tot 2015 werkzaam voor Buitenlandse Zaken, onder andere als Permanent Vertegenwoordiger bij de NAVO in Brussel en bij de Verenigde Naties in New York.

S. Rozemond
Redacteur Sam Rozemond (Amsterdam 1934) kwam uit een relevant nest. Zijn vader S. Rozemond was in 1930 als jurist aan de Universiteit van Amsterdam gepromoveerd op Kant en de Volkenbond. In Leiden werd zijn vader directeur van de Gemeentelijke Dienst voor Maatschappelijk Hulpbetoon, en later directeur Gemeentelijke Dienst Sociale Zaken. Na de Tweede Wereldoorlog verliet hij de Christelijk-Historische Unie en met andere vooruitstrevenden van ‘de Doorbraak’ trad hij toe tot de Partij van de Arbeid.

Zoon Sam studeerde rechten in Leiden, werd in 1960 beleidsambtenaar bij Buitenlandse Zaken en promoveerde in 1965 op De politieke strafzaak, rechtsgronden en beleidsoverwegingen. Van 1984 tot 1989 was Rozemond – inmiddels adjunct-directeur van het Instituut Clingendael – de eerste bijzonder hoogleraar namens het NGIZ aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, met als leeropdracht internationale betrekkingen (in het bijzonder het Nederlands buitenlands beleid). (Dit was eigenlijk min of meer een dubbele primeur, want Rozemond was ex aequo met Neuman – die naar Nijmegen ging – in 1984 ook de eerste bijzonder hoogleraar die vanuit de Clingendael-gelederen aan het universitaire landschap werd toegevoegd.)

Leentjebuur
Een andere en belangrijke noviteit was de samenwerking met de Britse en West-Duitse zusterinstituten, die erin resulteerde dat per nummer van de Spectator ten minste één maar soms wel twee artikelen als co-publicatie werden overgenomen van de zusterbladen The World Today (van het Royal Institute of International Affairs) en het bepaald niet alleen over Europa handelende Europa Archiv van de toen nog in Bonn gevestigde Deutsche Gesellschaft für Auswärtige Politik (nu het blad Internationale Politik en gevestigd in Berlijn).

Voordeel van deze uitwisseling was dat men kon putten uit een veel groter reservoir aan schrijvers: voor Tanzania waren bijvoorbeeld dankzij de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking met dat land wel drie of vijf auteurs te vinden, maar er was geen enkele auteur in Nederland die een relevant verhaal over het opkomende Nigeria zou kunnen schrijven. Hoekzema onderhield deze contacten en vertaalde de artikelen uit het Duits of Engels. In de tweede helft van de jaren tachtig kwam er een geruisloos eind aan deze vorm van leentjebuur spelen.

Wisselwerking NGIZ en Spectator
De debat- of forumfunctie van de Spectator werd versterkt doordat het Genootschap onder Heldring een aantal studieconferenties organiseerde waarbij artikelen in het blad over een bepaald thema werden uitgelokt, die uitdrukkelijk als preadviezen dienden. Samen met onder meer discussies en inleidende en concluderende artikelen werd een en ander later in boekvorm gepubliceerd bij uitgeverij In den Toren in Baarn of op andere wijze gebundeld. Enkele voorbeelden: Nederland in de schaduw van Duitsland, en Nederland en de rechten van de mens.

Inhoud onder Heldring & Hoekzema: een keuze
1973
:
M.J. Broekmeyer, ‘Kosovo: een nieuwe Balkanrepubliek’.
P. Dankert [lid Tweede Kamer voor de PvdA, later voorzitter Europees Parlement], ‘Amerika’s veiligheid is de onze niet’.
Bas de Gaay Fortman, ‘De vredespolitiek van de Radicalen’.

1974:
H.W. von der Dunk, ‘Over de rol van de persoonlijkheid in de geschiedenis’.
Stephen Oren, ‘De staatsgreep in Afghanistan en de vrede in Zuid-Azië’.
W.F. van Eekelen (de latere minister van Defensie), ‘Frankrijks kernmacht: ontwikkeling, potentieel, strategie’.
W. Drees sr. (oud-premier), ‘De Europese integratie’.

1975:
H.J. Neuman, ‘De dominotheorie: banaal maar daarom nog niet onwaar’.
H. Hendrikse, ‘De doctrine van het uitgestelde communisme’.
Prof. Dr. H.L. Wesseling, ‘Constanten in de Franse buitenlandse politiek’.

1976:
Drs. J. Colijn (de latere directeur van Clingendael), ‘Finlandisering’.
J.J.P. de Jong, ‘Indonesiëkennis in Nederland als factor in de samenwerking met Indonesië’.

1977:
B.R. Bot (de latere minister van Buitenlandse Zaken), ‘Waarheen met de Europese Politieke Samenwerking?’
R. Kroes, ‘Het eigene aan Amerika’s zelfkritiek’.
O. Kuschpèta, ‘Het Oekraïense vraagstuk’.

1978:
F.W. Weisglas (later voorzitter Tweede Kamer), ‘Het einde van het Amerikaanse lidmaatschap van de Internationale Arbeidsorganisatie’ (over het uittreden van de VS uit de ILO onder president Carter).
Martin van den Heuvel, ‘Topsport in de Sovjetunie’.

1979:
H.O.C.R. Ruding (de latere minister van Financiën), ‘Het IMF: enkele politiek-monetaire en institutionele aspecten’.
Jürgen Hess (medewerker en later hoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam), ‘Het Nederlandse Duitslandbeeld: enkele actuele overwegingen’.

1980:
Themanummer Ontwikkelingsserie Vrouwen en Ontwikkeling.
C.A. van der Klaauw (minister van Buitenlandse Zaken), ‘De mensenrechten en het buitenlandse beleid van Nederland’.
B.W. Schaper, ‘Tussen Detente en Koude Oorlog. De impasse van het bipolair machtssysteem’.

Nog vijf jaar onder Heldring: de overgang naar Clingendael
Anno 1980 was de aanstaande oprichting van het Instituut Clingendael al in volle voorbereiding. Niet alleen vorderde de renovatie van het Huys Clingendael, ook diverse werkgroepen waren ter voorbereiding aan de slag gegaan.

Dezelfde Tweede Kamer die (zij het in iets andere samenstelling en in een ander tijdsgewricht) had besloten dat er een aparte instelling voor bestudering van vraagstukken van oorlog en vrede moest komen, had inmiddels – net als achtereenvolgende kabinetten – geconstateerd dat het aantal elkaar overlappende Haagse instellingen op het terrein der internationale betrekkingen met flinke overheidssubsidie iets te veel van het goede was, en had met succes aangedrongen op een combinatie tot één instituut.

Huys Clingendael Vijftiger jaren
Huys Clingendael in de jaren '50. Bron onbekend.

Aanvankelijk sprak men inderdaad van bijeenbrengen in één pand. De Europese Beweging in Nederland viel af vanwege een te specifieke ideële doelstelling, maar over bleef een kwartet dat al snel in plaats van co-locatie (samenhokken) op fusie afkoerste: NGIZ (een vereniging), NIVV (een stichting), VVN/VIRO (Vereniging voor de Verenigde Naties annex documentatiecentrum) en het Defensiestudiecentrum (een onderwijsinstelling van het ministerie van Defensie, dat geruisloos opgeheven zou kunnen worden).

Afgesproken werd dat het NGIZ zijn personeel, de bibliotheek, de Leergang Buitenlandse Betrekkingen (LBB) en de uitgave van het maandblad aan het nieuw te vormen instituut zou afstaan. Het Genootschap bleef overigens ook na de oprichting van Clingendael voortbestaan als vereniging die lezingen en symposia organiseerde en de jaarlijkse Genootschapsprijs uitreikte.

Voor de Internationale Spectator waren – in afwachting van de definitieve vorming van het instituut en de verhuizing naar de gemeente Wassenaar, waar het Haagse gemeentelijk park Clingendael grotendeels onder valt – vooral twee zaken van belang: de wisseling van de wacht bij de eindredactie en de formulering van een redactiestatuut.

Nieuwe eindredacteur
Willem Hoekzema vond het na bijna negen jaar welletjes en stuurde zichzelf met pensioen. Hij voelde er niets voor om na de betrekkelijk informele verhoudingen bij een bedaagd en kleinschalig instituut als het NGIZ terecht te komen in een nog experimentele grootschalige instelling als Clingendael.

In zijn plaats werd op 1 juni 1981 de aan de Vrije Universiteit Amsterdam gevormde historicus Gerard J. Telkamp (1947) tot eindredacteur benoemd. Na een aanstelling als literatuuronderzoeker op de Centrale Bibliotheek van het Koninklijk Instituut voor de Tropen had hij in dezelfde functie bijna vijf jaar gewerkt bij de Werkgroep voor de Geschiedenis van de Europese Expansie en de Reacties Daarop van de Faculteit der Letteren aan de Rijksuniversiteit Leiden (in de wandeling de Werkgroep-Wesseling) en bij het onderzoeksbulletin Itinerario.

Bij het sollicitatiegesprek van Telkamp in februari 1981 was ook H.J. Neuman aanwezig, de beoogde directeur van het Instituut Clingendael. Hij wees de kandidaat er fijntjes maar correct op dat het eindredacteurschap ook een eindfunctie zou zijn.

In een informeel gesprek nadat de kogel door de kerk was, had Heldring de aanstaande nieuwe eindredacteur gevraagd wat zijn “partijpolitieke affiliatie” was. Het antwoord kwam erop neer dat de toekomstige eindredacteur [toen] principieel en politiek pacifist was en bij tijd en wijle zelfs actief voor de Pacifistisch-Socialistische Partij (PSP). De hoofdredacteur vond het interessant en zei dat hij het toch maar niet zou vertellen aan de oude heren van het bestuur van het NGIZ. Hoofd- en eindredacteur waren het hartroerend eens over de onhoudbaarheid van het zogeheten atoompacifisme.

Niet lang na zijn indiensttreding wist de eindredacteur de hoofdredacteur trouwens over te halen een artikel te plaatsen over de neutronenbom van de hand van generaal b.d. Gé Berkhof. (Overigens was er nog iemand van het NGIZ die de nieuwe eindredacteur naar zijn politieke achtergrond vroeg: het was de wetenschappelijk medewerker van het Genootschap drs. B.R.A. (Bob) van den Bos, die in zijn Clingendaeltijd vanaf 1986 lid van de Eerste Kamer, en daarna van het Europees Parlement en de Tweede Kamer voor D66 zou worden. Een dergelijke vraag was Telkamp in de bijna vijf jaar op de Universiteit Leiden nooit gesteld… .)

Schrijver dezes heeft Heldring, die zich conservatief liet noemen, leren kennen als een hoofdredacteur die eerder liberaal dan krampachtig conservatief optrad. Kwaliteit van kopij en logische en goed opgebouwde argumentatie gaven voor hem de doorslag, waarbij in de beslissing tot plaatsing geen vooringenomen standpunt mocht meespelen.

Symbolisch was Heldrings ietwat provocatieve ontboezeming bij een bezoek van een kleine delegatie van D66 aan het NGIZ in 1981 of 1982: “Mevrouw, mijne heren, het NGIZ – en dat geldt ook voor de Internationale Spectator [met een knikje naar de aanwezige eindredacteur]: wij zijn nergens voor en nergens tegen. Wij zijn zelfs niet voor de vrede.” Nu kan men zeggen dat in geval van een actief acquisitiebeleid het natuurlijk kan uitmaken wie men uitnodigt. Zo stonden de Groningse polemologen in Heldrings tijden bepaald niet op een voorkeurslijstje. Maar ja, die hadden intussen ook een eigen blad (Transaktie).

Redactiestatuut
Begin 1982 trad mr. J.C.F. (Frans) Bletz toe tot de nog steeds bescheiden algemene redactie van de Internationale Spectator. Hij was vernoemd naar zijn grootvader J. Chr.F. Bletz, burgemeester van Weesperkarspel van 1895 tot 1931. Frans’ ouders waren ook juristen.

De jurist Frans Bletz was jarenlang verbonden aan het dagblad het Parool, als correspondent in Londen, Parijs en Bonn en als diplomatiek redacteur en commentator, voordat hij werd benoemd als ambtelijk secretaris van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), gevestigd op een steenworp afstand van het NGIZ aan Plein 1813.

Het was Bletz die er binnen de redactie op aandrong dat, om de onafhankelijke status en de eigen identiteit van het maandblad ook in het aanstaand Instituut Clingendael te bewaren en benadrukken, de invoering van een professioneel redactiestatuut noodzakelijk zou zijn. De redactie ging aan het werk – met instemming maar zonder deelname van Heldring – en presenteerde het Redactiestatuut aan het NGIZ en aan het bestuur van het nieuwe instituut, dat het al in januari 1983 goedkeurde en in mei als de eerste geaccepteerde bijlage toevoegde aan het Huishoudelijk Reglement van Clingendael.

Het Redactiestatuut beklemtoonde het politiek, ideologisch, levensbeschouwelijk, wetenschappelijk ongebonden, onafhankelijke karakter van het blad. Verder zou de algemeen directeur van Clingendael “in de regel” ook hoofdredacteur van de Spectator moeten zijn. Ook zou een meerderheid van de algemene redactie van buiten Clingendael moeten komen.

Bletz herinner ik mij als een wijs redactioneel adviseur met zijn aan de journalistieke praktijk ontleende waarschuwingen en tips. Zo gaf hij bijvoorbeeld aan dat je jezelf bij de beoordeling van kopij – niet alleen als redacteur maar ook en in het bijzonder als denkbeeldige algemene lezer – altijd de vraag moet stellen: moet ik dit lezen? Een andere tip was dat je moest oppassen voor samengevatte doctoraalscripties. En ook: kijk uit met (complete) themanummers, want dan loop je het risico dat een deel van je lezerspubliek je blad meteen bij het oud papier legt.

Eerste jaren onder Clingendael
De eerste jaren toen het blad eenmaal was ondergebracht in het nieuw instituut, kwamen er geen wereldschokkende veranderingen. Integendeel. Hoewel Heldring aan de vooravond van de verhuizing in januari 1983 de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar had bereikt – in december werd hij vereerd met de grotendeels aan hem gewijde bundel Dezer Jaren – vroeg de beoogde Clingendael-directeur H.J. Neuman hem om nog een paar jaar aan te blijven als hoofdredacteur.

Neuman zou daardoor – als directeur van het NIVV naar Clingendael overgekomen – als directeur van het fusie-instituut al zijn krachten kunnen wijden aan de vormgeving van de nieuwe instelling. Het zouden zelfs drie jaren worden.

Directeur H.J. Neuman, koningin Beatrix en minister Van den Broek - Opening Instituut Clingendael - 11-5-1983 - Croes, Rob C. - Anefo - NA
H.J. Neuman, koningin Beatrix en toenmalig minister Van den Broek bij de opening van Instituut Clingendael op 11 mei 1983. © Rob Croes / Anefo / NA

Eens in de maand kwam Heldring na een rit op zijn sportfiets vanuit zijn woongemeente Leidschendam de door hem voor te zitten vergadering van de algemene redactie bijwonen. Met ingang van de nieuwe jaargang in 1984 trad Neuman wel toe tot de algemene redactie om zich warm te lopen.

Spectator 1984
De Internationale Spectator in 1984.

In 1984 werd het omslag aangepast aan de toen ingevoerde huisstijl van Clingendael: een kobaltblauwe kaft met badkamertegelmotief en de Clingendael-C in witte blokjes. Inhoudelijk en qua redactionele formule werd het oude beleid onder Clingendaelvlag voortgezet, terwijl het eindredacteurschap een staffunctie bleef, inhoudelijk rechtstreeks onder de – nu externe –hoofdredacteur.

Nog meer nieuwe redacteuren
In het eerste Clingendaeljaar zocht de algemene redactie voor het eerst uitbreiding met enkele vakspecialisten. In november traden Henk de Haan en Pieter-Jan Kuyper aan.

Dr. H. de Haan was hoogleraar algemene economie in Groningen. Dr. P.J. Kuyper was verbonden aan de Juridische Dienst van de Commissie van de Europese Gemeenschappen in Brussel, maar hij zou weldra benoemd worden tot hoogleraar volkenrecht aan de Universiteit van Amsterdam. Voortaan zou de redactie altijd een volkenrechtsgeleerde en een internationaal econoom in de gelederen tellen.

Statistieken over 1983
Aan het jaarverslag over het eerste Clingendaeljaar ontlenen we de volgende cijfers.

Er werden over 804 bladzijden 91 artikelen gepubliceerd, er waren 10 bijdragen aan de rubriek Commentaar, 40 boekbesprekingen, 4 afleveringen van de rubriek Boekaankondigingen en 2 literatuurlijsten.

Voor zover viel na te gaan, waren 40 artikelen op verzoek van de redactie geschreven, terwijl 51 aangeboden artikelen door de redactionele zeef kwamen.

Van de 89 auteurs kwamen er 44 uit de Nederlandse wetenschapssector, de anderen waren diplomaten, beleidsambtenaren enzovoorts. Bijna de helft van de auteurs werd in het blad voor het eerst welkom geheten.

Het totaal aantal abonnementen op de gehele maandreeks bedroeg zo’n 3300; daarnaast waren er 225 abonnementen op de Oost-Europaserie en 215 op de Ontwikkelingsserie.

Inhoud 1981-1985: een keuze
1981
:
M. Mourik, ‘Naar een actief buitenlands cultureel beleid?’
J.J.C. Voorhoeve, ‘De slinkende rol van Nederland’.
J. Tinbergen, ‘Een wereldwerkgelegenheidspolitiek’.

1982:
Piet Dankert, ‘De Europese Gemeenschap: herstructureren of sterven’.
P.J. Kuyper, ‘De rol van de Europese Gemeenschap in het Europees-Amerikaanse turbineconflict’.
Themanummer Ontwikkelingsserie over Religie & Ontwikkeling.
Drie artikelen over het aanstaande Instituut Clingendael (M.C. Brands, Max Kohnstamm en G. van Benthem van den Bergh).

1983:
P.H. Kooijmans, ‘Actie, harde actie’.
Enige opmerkingen over de volkenrechtelijke toelaatbaarheid van eenzijdige sanctiemaatregelen.
Twee themanummers: China & Oost-Azië en Ontwapening & Ontwikkeling.

1984:
H.J. Neuman, ‘Het voorbehoud’ (inaugurele rede over Nederland en het plaatsingsbesluit voor middellange-afstands-kernwapens als bijzonder hoogleraar op de Rogier-leerstoel aan de Katholieke Universiteit Nijmegen).
W. Kok (voorzitter FNV), ‘Ontwikkelingssamenwerking en werkgelegenheid’.
Bertus Hendriks, ‘Algemene verkiezingen in Egypte: stabiliteit via de stembus?’

1985:
C.B. Arriëns (oud-ambassadeur in Israël), ‘Hoe evenwichtig is het Nederlands beleid inzake het Israëlisch-Arabisch conflict’.
A. Gerrits, ‘De strijd der bureaucraten: Over de totstandkoming van het buitenlands beleid van de Sovjetunie’.
N.G. Schulte Nordholt, ‘Het transformatieproces in Indonesië. Twintig jaar Nieuwe Orde’.
J.L. Heldring (lezing bij het veertigjarig bestaan van het NGIZ), ‘Nederland in de wereld 1945-1985’. (Dit in december 1985 gepubliceerde artikel was Heldrings laatste bijdrage onder zijn eigen hoofdredacteurschap).

N.B. Bronvermelding volgt aan het eind van deel 2. Voor deel 1 dank aan dr. Sam Rozemond voor zijn kanttekeningen bij een eerste versie; en aan mijn oud-collega drs. Peter Schregardus, voor zijn zorgvuldige eindredactionele correcties van het concept-artikel.

logo 75

  • 1In november 1946 verscheen reeds onder auspiciën van het een jaar eerder opgerichte Nederlandsch Genootschap voor Internationale Zaken als experiment een gestencild blaadje met samenvattingen van het wereldnieuws dat in januari 1947 een vervolg kreeg als volwaardig tijdschrift.

Auteurs

Gerard J. Telkamp
Historicus en voormalig eindredacteur van de Internationale Spectator