75 jaar Spectator: het herlezen waard (deel 1: 1947-1987)
Redactioneel

75 jaar Spectator: het herlezen waard (deel 1: 1947-1987)

18 Jan 2022 - 15:30
Photo: Internationale Spectator 1947 Jaargang 1 serie A No. 1 (3) voorkant allereerste Spectator
Terug naar archief

Het online magazine Clingendael Spectator verscheen in januari 19471 voor het eerst als papieren tijdschrift onder de naam Internationale Spectator. In de decennia die volgden, groeide het uit tot een toonaangevend tijdschrift voor internationale politiek, sinds 1983 onder de hoede van Instituut Clingendael. Gerard J. Telkamp diende als eindredacteur onder zes hoofdredacteuren en biedt naar aanleiding van het 75-jarig jubileum een beknopte geschiedschrijving van de eerste veertig jaar. Een volledige en uitgebreide versie vindt u hier.

De Internationale Spectator werd geboren uit de schoot van een één jaar eerder opgericht instituut. Voor de Tweede Wereldoorlog had Nederland meer dan een eeuw van zijn neutraliteit tussen de mogendheden genoten. In het laatste oorlogsjaar en kort na de Bevrijding was echter in diverse kringen het besef ontstaan dat Nederland na de oorlog een actief buitenlands beleid zou moeten voeren in samenhang met bondgenoten, en dat daarvoor een welingelichte openbare mening noodzakelijk zou zijn.

Spectator 1947Voor de vorming van dat laatste zou een onafhankelijk wetenschappelijk instituut onontbeerlijk zijn. Op 20 september 1945 werd het Nederlandsch Genootschap voor Internationale Zaken (NGIZ) opgericht, met als belangrijkste doel: “Nederland voor het vervullen van zijn internationale taak helpen toerusten, door middel van studie en de verbreiding van resultaten daarvan.”

Jan Jurriaan Schokking (1898-1979) was niet alleen de eerste directeur van het Genootschap, maar de facto ook de eerste hoofdredacteur van de Internationale Spectator. Onder zijn leiding groeide het NGIZ in een paar jaar uit tot mini-denktank met veel activiteiten en schulden.

De eerste reguliere jaargang van de Spectator was 1947. De uiterlijke vorm in deze tijd van papierschaarste was een dun schriftje van maximaal twaalf tot twintig pagina’s. De frequentie van het “bulletin” was zowel wekelijks als veertiendaags.

Er was een serie A, Chronologie genaamd, met in telegramstijl een korte weergave van algemene politieke ontwikkelingen, nieuws over de Verenigde Naties en feiten per land. Serie B bood plaats aan korte, soms hyperkorte artikeltjes onder het kopje Achtergronden en verklaringen. De auteurs van de artikelen gebruikten de eerste jaren alleen initialen.

Op de titelpagina stond vermeld “Periodiek van het Nederlandsch Genootschap voor Internationale Zaken”, met daaronder “in België verspreid door Het Instituut der Internationale Betrekkingen”. Schokking had al vroeg contact gezocht met de zuiderburen in de hoop er een algemeen-Nederlands blad van te maken.

Advertentie
Advertentie in de Internationale Spectator 1947 Jaargang 1.

In de eerste jaargangen ziet men veelvuldig advertenties van deftige Haagse middenstanders, zoals een bontwinkel en een zaak in jachtgeweren, alsmede annonces van een reisbureau met de leus “U vliegt toch ook?”.

B.H.M. Vlekke (hoofdredacteur 1948-1964)
De historicus Bernardus Hubertus Maria Vlekke (1899-1970) was de tweede secretaris-generaal van het NGIZ en de eerste langjarige (1948-1964) hoofdredacteur van de Internationale Spectator. In de jaren vijftig worden vaak verkorte jaarverslagen van het NGIZ in het blad gepubliceerd; hieruit blijkt de innige verwevenheid van blad en instituut en vereniging.

Het jaarverslag over 1952 vermeldt trots dat het veertiendaags bulletin de Internationale Spectator “het enige tijdschrift in Nederland [is] dat uitsluitend gewijd is aan vraagstukken van de buitenlandse politiek”. Deze aanprijzing werd met wat marginale wijzigingen ook een halve eeuw later nog gehanteerd.

De ironie is dat tot midden jaren zestig slechts weinig artikelen uitdrukkelijk aandacht vragen voor Nederlandse buitenlandse politiek of de rol van Nederland in het wereldgebeuren. Vaak kwam het neer op historische of technische verhandelingen, zoals het artikel van B.J. Udink (de latere minister) uit 1957 getiteld ‘De economisch-politieke verhouding tussen de Duitse en Nederlandse zeehavens’.

Vanaf zijn aantreden schrijft Vlekke in het eerste nummer van januari vrijwel altijd een Verantwoording voor de afgelopen jaargang of een Ten geleide. Soms met een persoonlijke ontboezeming.

Intrigerend door het karakter van “toch geloof ik” is een passage in het Ten geleide van jaargang 12 (1958): “De tijd, toen men geloofde dat betere informatie automatisch tot versterking van de vredeswil zal leiden is voorbij. Wij geloven echter nog altijd dat goede informatie grotere bedachtzaamheid in het politieke denken en dus grotere stabiliteit ten gevolge zal hebben, waardoor onzerzijds gedaan wordt wat in onze macht ligt, om de internationale spanning te verminderen.”

Begin 1956 spreekt Vlekke zijn vreugde uit over het groeiend aantal student-abonnees, hetgeen getuigt van hun belangstelling voor internationale aangelegenheden. Dat is van belang omdat “uit hun midden de aanstaande intellectuele leidslieden van ons volk” voortkomen.

Jaquet
L.G. H. Jaquet in 1985. © Rob Bogaerts / Anefo / NA

Wegens slechte gezondheid verliet Vlekke begin 1964 het Genootschap en nam hij zodoende ook afscheid van het maandblad, dat steeds meer zijn levenswerk was geworden en steeds meer de kurk waarop het NGIZ dreef qua activiteiten en reputatie. Al in februari 1964 was dr. L.G.M. Jaquet de nieuwe hoofdredacteur.

Vlekke werd geëerd met de eretekens van Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en Commandeur in de Orde van de Kroon van België. Terwijl de aandacht in ‘zijn’ Internationale Spectator voor specifiek het Nederlandse buitenlandbeleid achteraf bezien verbazingwekkend bescheiden was, was het blad onder zijn leiding een belangrijk en bijna onmisbaar verzamelpunt geworden van Nederlandse kennis over internationale machtsverhoudingen, alsmede van landen- en regiokennis.

L.G.M. Jaquet (hoofdredacteur 1964-1972)
De belangrijkste structurele verandering in het blad onder Louis George Martin Jaquet (1912-1995) was de invoering van regionaal of thematisch gerichte series. Deze ontwikkeling was in de nadagen van Vlekke al ingezet met de zogeheten Oost-Europese serie (in samenwerking met het Oost-Europa Instituut van de Universiteit van Amsterdam) en was in de loop van de jaren vijftig met halve themanummers en via banden met externe instituten al embryonaal ontstaan.

Op 22 februari 1965 verscheen het eerste Azië-Midden-Oostennummer van de desbetreffende serie van vier per jaar, in samenwerking met het Instituut voor het Moderne Nabije Oosten van de Universiteit van Amsterdam. Dat voorjaar zag ook het tweede Latijns-Amerikanummer het licht.

Verder liet Jaquet aan het begin van jaargang 20 (1966) weten dat “Voorbereidingen worden getroffen om het 4 x per jaar uitkomende, geheel aan de ontwikkelingsproblematiek gewijde blad Wereld-In-Formatie in 1966 in de Internationale Spectator op te nemen”. Zo ontstond de Ontwikkelingsserie, in samenwerking met de Stichting Nederlandse Organisatie voor Internationale Bijstand (N.O.V.I.B.; tegenwoordig Oxfam Novib), vier keer per jaar verschijnend onder een eigen zeskoppige redactiecommissie (met onder andere drs. J.P. Pronk).

Zowel de Oost-Europaserie als de Ontwikkelingsserie zou het ruim een kwart eeuw uithouden, tot 1993. Intussen was begin 1965 ook de Afrikaserie gelanceerd, in samenwerking met het Afrika Studiecentrum te Leiden.

In het blad pronkte de redactie in een advertentie met de leus “de Spectator wordt vaak nog na jaren geraadpleegd” en “Uw advertentie leeft langer dan een eendagsvlieg”. In feite werd hiermee het blad in bibliotheektermen als archieftijdschrift gepresenteerd (jaarlijks met register in te binden…). Tegenwoordig zouden we zeggen: alle jaargangen digitaal doorzoekbaar.

Russische dissident Andrej Amalrik en echtgenoot Gjoezel op Schiphol tijdens persconferentie - 15 juli 1976 - Peters, Hans - Anefo - NA (3)-2
De Russische dissident Andrej Amalrik met echtgenoot Gjoezel op Schiphol voor een persconferentie op 15 juli 1976. © Hans Peters/Anefo/NA 

In 1969 was er sprake van een wereldprimeur in de Oost-Europese serie met de bijdrage van Andrej Aleksevic Amalrik, getiteld ‘Zal de Sowjet-Unie tot 1984 voortbestaan?’ Het manuscript van deze Russische dissident was via de door J.W. Bezemer en K. van het Reve opgerichte Herzen-Stichting naar Nederland gekomen.

Vertalingen hiervan waren nog in voorbereiding en de geruchtmakende tekst werd korte tijd later in boekvorm gepubliceerd onder de titel Haalt de Sovjetunie 1984? Naar verluidt geloofde de toenmalige hoofdredacteur aanvankelijk niet dat de tekst authentiek was; was het een list van de KGB?

J.L. Heldring (hoofdredacteur 1972-1985)
De derde, voor een lange periode dienstdoende hoofdredacteur van de Internationale Spectator, mr. Jérôme Louis Heldring (Amsterdam 1917 – Den Haag 2013), werkte zo’n twintig jaar voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC). Daar ontplooide hij zich als buitenlandcommentator en columnist met de rubriek Dezer Dagen, die hij meer dan een halve eeuw vol zou houden. Hij klom op tot hoofdredacteur (1968-1972) van het fusieproduct NRC Handelsblad, waarna hij een nieuwe uitdaging aanging bij het NGIZ – en dus ook als hoofdredacteur van de Internationale Spectator.

Onder Heldring gold de regel dat uitsluitend Nederlandstalige – oorspronkelijke of vertaalde – bijdragen geplaatst zouden worden. Heldring vond dat ook belangstellende autodidacten met alleen een lagere schoolopleiding het blad moesten kunnen lezen.

Jerome Heldring als hoofdredacteur, 1970. Bron Vincent Mentzel  De Beeldunie
Jerome Heldring in 1970. © Vincent Mentzel / De Beeldunie

Wat betreft Heldring was er ook geen voorkeur voor verre boven nabije landen. Hij wilde (dus) geen al te pietepeuterige artikelen over stammentwisten in Midden-Afrika, maar meer aandacht voor de grote lijnen van geopolitieke ontwikkelingen en vooral meer ruimte voor specifiek Nederlands buitenlands beleid en voor de internationale rol van Nederland.

Ten slotte verscheen de Internationale Spectator met ingang van 1975 als maandblad, een frequentie die het meer dan veertig jaar zou aanhouden.

De debat- of forumfunctie van het blad werd versterkt doordat het Genootschap onder Heldring een aantal studieconferenties organiseerde waarbij artikelen in de Internationale Spectator over een bepaald thema werden uitgelokt, die uitdrukkelijk als preadviezen dienden. Samen met onder meer discussies en inleidende en concluderende artikelen werd een en ander later in boekvorm gepubliceerd of op andere wijze gebundeld. Enkele voorbeelden: ‘Nederland in de schaduw van Duitsland’ en ‘Nederland en de rechten van de mens’.

De overgang naar Clingendael
Anno 1980 was de aanstaande oprichting van het Instituut Clingendael al in volle voorbereiding. De Tweede Kamer had namelijk, net als achtereenvolgende kabinetten, geconstateerd dat het aantal elkaar overlappende Haagse instellingen op het terrein der internationale betrekkingen met flinke overheidssubsidie iets te veel van het goede was.

Begin 1982 trad mr. J.C.F. Bletz toe tot de nog steeds kleinschalige algemene redactie van de Internationale Spectator. Frans Bletz was jarenlang verbonden aan dagblad het Parool – als correspondent in Londen, Parijs en Bonn en als diplomatiek redacteur en commentator – voordat hij werd benoemd als ambtelijk secretaris van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR).

Het was Bletz die er binnen de Spectator-redactie op aandrong dat, om de onafhankelijke status en de eigen identiteit van het maandblad ook in het aanstaand Instituut Clingendael te bewaren en benadrukken, invoering van een professioneel redactiestatuut noodzakelijk zou zijn. Het in 1983 van kracht geworden Redactiestatuut beklemtoonde het politiek, ideologisch, levensbeschouwelijk, wetenschappelijk ongebonden, onafhankelijke karakter van het blad.

Verder zou de algemeen directeur van Clingendael “in de regel” ook hoofdredacteur van de Spectator moeten zijn. Daarnaast zou een meerderheid van de algemene redactie van buiten Clingendael moeten komen.

huys
Het Huys Clingendael op het landgoed Clingendael. Datum en bron onbekend.

Bletz herinner ik mij als een wijs redactioneel adviseur met zijn aan de journalistieke praktijk ontleende waarschuwingen en tips. Zo gaf hij bijvoorbeeld aan dat je jezelf bij de beoordeling van kopij – niet alleen als redacteur maar ook en in het bijzonder als denkbeeldige algemene lezer – altijd de vraag moet stellen: moet ik dit lezen? Een andere tip was dat je moest oppassen voor samengevatte doctoraalscripties. En ook: kijk uit met (complete) themanummers, want dan loop je het risico dat een deel van je lezerspubliek je blad meteen bij het oud papier legt.

Het totaal aantal abonnementen op de gehele maandreeks bedroeg in 1983, het eerste Clingendaeljaar, zo’n 3300. Daarnaast waren er 225 abonnementen op de Oost-Europaserie en 215 op de Ontwikkelingsserie.

Heldring bleef na zijn pensioen bij fusiepartner NGIZ nog drie jaar extern hoofdredacteur van het Clingendaelblad. De eerste directeur van Clingendael, H.J. Neuman, trad in 1984 toe tot de algemene redactie om zich warm te lopen.

In 1984 werd het omslag aangepast aan de toen ingevoerde huisstijl van Clingendael: een kobaltblauwe kaft met badkamertegelmotief en de Clingendael-C in witte blokjes. Inhoudelijk en qua redactionele formule werd het oude beleid onder Clingendaelvlag voortgezet.

Dit is een ingekorte versie van een uitvoeriger geschiedschrijving die u hier kan lezen. Binnenkort verschijnt deel 2 met de geschiedenis van de Spectator vanaf 1987 tot nu.

logo 75

  • 1Al in november 1946 verscheen onder dezelfde titel onder auspiciën van het een jaar eerder opgerichte Nederlandsch Genootschap voor Internationale Zaken als experiment een gestencild blaadje met samenvattingen van het wereldnieuws, dat in januari 1947 een vervolg kreeg als volwaardig tijdschrift.

Auteurs

Gerard J. Telkamp
Historicus en voormalig eindredacteur van de Internationale Spectator