Desi Bouterse: de lange mars van een putchist naar het presidentschap
Analyse Diplomatie en Buitenlandse Zaken

Desi Bouterse: de lange mars van een putchist naar het presidentschap

25 Jan 2016 - 11:22
Photo: Overheid van de Republiek Suriname
Terug naar archief
Author(s):
De tweede termijn van de Surinaamse president Desi Bouterse is op het moment van schrijven een half jaar oud. De populariteit van Bouterse was bijna dertig jaar geleden in 1987 ondenkbaar geweest. Wat zijn de redenen achter zijn succesvolle terugkeer?
 
Na de sergeantencoup onder leiding van Desi Bouterse op 25 februari 1980 werd Suriname in de periode 1980-1987 een repressieve staat. Bouterse (of Bouta in de volksmond) werd de meest gehate persoon en de personificatie van repressie, dictatuur en executies in Suriname. Ruim drie decennia later ontwikkelde Bouterse zich echter tot een van de populairste politici in Suriname. Hij werd in 2010 gekozen tot president en in 2015 herkozen. Zijn Nationaal Democratische Partij (NDP) behaalde bij de verkiezingen in 2015 zelfs een absolute meerderheid in het parlement (de Nationale Assemblee), een novum in de politieke geschiedenis van Suriname. In deze bijdrage staan de volgende vragen centraal: hoe is de politieke opmars van Bouterse verlopen; wat verklaart de omslag in het denken over Bouterse bij de Surinaamse kiezers; en wat betekent zijn opmars voor de politieke machtsverhoudingen in Suriname na 2010?
 
Herdemocratisering in 1987
De militaire staatsgreep in 1980 had aanvankelijk de sympathie van een meerderheid van de Surinaamse bevolking, die dacht dat met de nieuwe ‘groene bezems’ een grote schoonmaak van de politieke en sociaal-economische Augiasstal zou beginnen. Snel werd echter duidelijk dat de militairen geenszins van plan waren na de grote schoonmaak weer terug te keren naar de kazerne.
 
Toen Suriname zich na de staatsgreep ontwikkelde tot een repressieve staat, bekoelde de sympathie van de bevolking voor de militairen. De repressie bereikte een dieptepunt toen de militairen in december 1982 vijftien vermeende opposanten (waaronder vakbondsleiders, journalisten, advocaten en wetenschappers) standrechtelijk executeerden.
 
De militairen kwamen na de ‘decembermoorden’ en de daarop volgende opschorting van de Nederlandse ontwikkelingshulp die een ineenstorting van de economie tot gevolg had, binnens- en buitenslands in een isolement terecht.[1] In 1985 zochten zij officieel toenadering tot de oude politici. In ruil voor een aantal grondwettelijke politieke garanties gingen de militairen ermee akkoord om in 1987 de democratie te herstellen.[2]
 
Het democratiseringsproces in 1985 viel samen met een gewapende opstand van een deel van de Bosnegers (Jungle Commando) in Oost-Suriname onder leiding van Ronnie Brunswijk. Het leger ondernam bloedige zuiveringsacties in Oost-Suriname, traditioneel het woongebied van veel Bosnegers, en maakte met zijn gewelddadig optreden tegen de guerrilla honderden slachtoffers.[3]
 
1987-1990: Front-regering en de telefooncoup
Politieke partijen die vóór 1980 functioneerden waren voor een belangrijk deel etnisch georiënteerd en hadden over het algemeen geen duidelijke ideologische achtergrond. Sinds de invoering van het algemeen kiesrecht in 1949 is institutionele politiek in Suriname voornamelijk gebaseerd op etnische mobilisering en etnische identificatie. Tussen 1958 en 1967 werd Suriname geregeerd door een coalitie van de drie grootste etnische partijen, de NPS, de VHP en de Javaanse KTPI.[4] Deze samenwerking stond bekend als de verbroederingspolitiek, naar het model van de pacificatiedemocratie van Lijphart, waarin machtsdeling tussen etnische afkomst en soevereiniteit in eigen kring de kern vormen.[5]
 
Met de herdemocratisering in 1987 werd de oude verbroederingscoalitie van Hindoestanen, Creolen en Javanen, verenigd in Het Front voor Democratie en Ontwikkeling (Front), weer van stal gehaald. [6] Door de vorming van dit gelegenheidsfront trachtten deze politici bij de kiezers te appelleren aan de periode van etnische, politieke en sociale stabiliteit onder de verbroederingspolitici tussen 1958 en 1967. Het Front zou het politieke krachtenveld in Suriname tussen 1987 en 2010 domineren; de grootste opponent voor het Front in deze periode was de NDP van Bouterse.
 
"Sinds 1949 is institutionele politiek in Suriname voornamelijk gebaseerd op etnische mobilisering en etnische identificatie"
 
De Front-coalitie behaalde bij de verkiezingen in 1987 een monsteroverwinning (zie tabel 1); die hing echter meer samen met de angst onder de bevolking voor de militairen dan met een keuze voor herstel van de oude verbroederingspolitiek. Prioriteiten voor de nieuw aangetreden Front-regering in 1987 waren het onder controle krijgen van het leger, herstel van de ontwikkelingsrelatie met Nederland om daarmee de Surinaamse economie weer op gang te krijgen en vredesonderhandelingen met het Jungle Commando.
 
De hulprelatie met Nederland kwam moeizaam op gang. Nederland wilde geen betalingsbalanssteun zonder voorwaarden verstrekken en wilde voorkomen dat de ontwikkelingshulp in corruptieve handen terecht zou komen of zou weglekken in de richting van het leger. Het betekende dat het royaal beschikbaar stellen van Nederlands ontwikkelingshulp in de periode 1975-1982 na 1987 werd vervangen door een restrictief beleid.[7]
 

Tabel 1: Aantal behaalde zetels tussen 1987 en 2015

 
1987
1991
1996
2000
2005
2010
2015
 Front / Nieuw Front / V7*
 
40
30
24
33
23
14
18
 NDP**
 
3
12
16
7
15
18
26
* Na 1991 in wisselende samenstellingen. In 1991 werd Front omgedoopt tot Nieuw Front; in 2015 tot V7.
** Bij de verkiezingen van 2000 maakte de NDP deel uit van de Millennium-Combinatie die 10 zetels behaalde, waarvan 7 voor de NDP. In 2010 maakte de NDP deel uit van de Mega-Combinatie die 23 zetels behaalde, waarvan 18 voor de NDP.
 
In de periode 1988-1990 waren de Front-regering en de legerleiding in een machtsstrijd verwikkeld. Zij beschouwden hun relatie als een noodzakelijk kwaad. Volgens de regering was het Militair Gezag een belangrijk obstakel voor het herstel van de democratische rechtsstaat en de wederopbouw van de economie. Binnen het leger bestond groot verzet tegen vredesonderhandelingen met het Jungle Commando van Ronnie Brunswijk in 1989.
 
In december 1990 grepen de militairen opnieuw naar de macht. Directe aanleiding voor deze tweede coup vormde de onheuse behandeling die Bouterse in zijn optiek op Schiphol moest ondergaan, toen hij op doorreis was naar Ghana. Hij verweet president Shankar, die in hetzelfde vliegtuig naar Nederland had gezeten, het niet voor hem te hebben opgenomen.
 
Op 22 december 1990 bood Bouterse zijn ontslag aan, omdat hij niet langer opdrachten wenste uit te voeren van een president die hij als een “joker” beschouwde.[8] De regering besloot het ontslagverzoek in te willigen, waarop de legerleiding middels een telefoontje op kerstavond de regering naar huis zond. Bouterse bleef aan als bevelhebber en de militairen benoemden een burgerregering die binnen een jaar nieuwe verkiezingen moest uitschrijven. De Front-coalitie kwam opnieuw als overwinnaar uit de bus, met Ronald Venetiaan als president.
 
1991-2000: Nieuw Front-regering I versus Bouterse
De nieuwe regering-Venetiaan (1991-1996) gaf met steun van de Verenigde Staten en Nederland grote prioriteit aan het aanpakken van het machtsvraagstuk: terugdringing van de rol van het leger in de politiek en daarmee hervatting van de Nederlandse ontwikkelingshulp. Nederland sloot na 1991 een militaire interventie in Suriname niet uit en stelde in samenwerking met de Verenigde Staten zelfs een worst case scenario op voor militair ingrijpen voor het geval dat Bouterse opnieuw een coup zou plegen.[9] Aan Nederlandse zijde bestonden sterke twijfels aan de loyaliteit van de Surinaamse krijgsmacht aan de regering-Venetiaan. Bouterse gebruikte sinds de herdemocratisering in 1987 de kazerne als een politiek podium waarbij hij voortdurend het regeringsbeleid bekritiseerde.
 
Toen Bouterse in november 1992 onder druk van president Venetiaan zijn ontslag als legerleider aanbood, ontstond er binnen het leger een broeierige situatie. Loyale onderdelen binnen het leger werden door Nederland van extra wapens voorzien. Eind 1992 wist de Surinaamse regering de legertop te zuiveren.[10]
 
Daarnaast werd onder druk van Nederland werk gemaakt van het terugdringen van de handel in drugs, omdat er aanwijzingen waren van directe betrokkenheid van de legertop, en met name van Bouterse, bij deze handel. In 1990 was twee derde van de in Nederland onderschepte drugs via Suriname naar Nederland gekomen.[11] In 1992 tekenden Suriname en Nederland een Raamverdrag dat zich onder meer richtte op versterking van de democratie en rechtsstaat. Met dit verdrag sloeg de regering-Venetiaan een belangrijke slag in de machtsstrijd met de legerleiding en werd voorkomen dat de militairen voor de derde maal naar de macht grepen.
 
Om de ontwikkelingsrelatie met Nederland te herstellen, voerde de regering-Venetiaan in de periode 1992-1996 noodgedwongen een structureel aanpassingsprogramma uit. Met dit beleid was zij echter niet in staat de sociale gevolgen van dat programma op te vangen. De verpaupering van de bevolking nam zienderogen toe. De machtsbasis van de Nieuw Front-regering brokkelde dan ook langzaam af.
 
Bij de verkiezingen van 1996 leed Nieuw Front dan ook een nederlaag, al bleef het de grootste partij. Zij had de steun van andere partijen nodig om de president en vice-president met een twee derde meerderheid in De Nationale Assemblee te laten verkiezen. De Nieuw Front-coalitie kreeg in 1996 niet de meerderheid in de Assemblee, waardoor de Verenigde Volksvergadering bijeen moest komen om beide bewindslieden bij gewone meerderheid te kiezen.[12] Die bijeenkomst van de Verenigde Volksvergadering kende een verrassende uitkomst.
 
Oud-president Ronald Venetiaan - Bron: Wikimedia Commons / Wilson Dias
 
In 1996 wist de NDP via omkoping delen van de regeringscoalitie los te weken en een negen partijen tellende combinatie te vormen, die het mogelijk maakte dat Jules Wijdenbosch, secondant van Bouterse, met een krappe meerderheid tot president werd gekozen.[13] De NDP, in 1987 opgericht met Wijdenbosch als voorzitter en bevelhebber Bouterse als prominent lid, werd als de politieke arm van het leger beschouwd. Na zijn ontslag als bevelhebber nam Bouterse het voorzitterschap van deze partij op zich.
 
Bij de verkiezingen van 1987 had de NDP slechts drie zetels in de wacht gesleept, maar dit aantal groeide in 1991 en 1996 naar respectievelijk twaalf en zestien zetels. Algemeen werd aangenomen dat Wijdenbosch de weg moest plaveien voor een presidentschap van Bouterse bij de verkiezingen van 2001 en dat hij slechts een lakei van Bouterse was.
 
De opmars van Bouterses NDP in de eerste helft van de jaren negentig hangt samen met het feit dat deze partij, in tegenstelling tot de andere politieke partijen, niet is opgericht als een emancipatiebeweging van een bevolkingsgroep en dus niet langs etnische lijnen is georganiseerd. Deze partij profiteerde van de gevolgen van het structureel aanpassingsprogramma van de regering-Venetiaan.
 
Narco-staat
In de perceptie van Nederland kreeg Suriname onder de NDP-regering steeds meer het aureool van een narco-staat. In 1995 zou de Nederlandse regering over “harde bewijzen” beschikken dat de Surinaamse legerleider betrokken was bij de drugshandel en contacten onderhield met de Colombiaanse drugsmaffia. Begin 1997 vaardigde Nederland een internationaal arrestatiebevel uit tegen de voormalige legerleider vanwege zijn rol als hoofd van het Surikartel. Hierop benoemde president Wijdenbosch Bouterse in april 1997 tot ‘adviseur van staat’, een speciaal voor Bouterse gecreëerde functie in een poging hem politieke rugdekking te verschaffen. In juli 1997 werd Bouterse bij verstek door een Nederlandse rechtsbank tot zestien jaar gevangenis. In juni 2000 werd dit vonnis in hoger beroep tot elf jaar teruggebracht.
 
Het beleid van de regering-Wijdenbosch (1996-2000) stortte Suriname in de grootste economische crisis in zijn historie en heeft het land in een tijdsbestek van twee jaar totaal verarmd en de economie vrijwel kapot gemaakt.[14] Massale protesten tegen de sociaal-economische verloedering waren het gevolg. Binnen de NDP kwam het ook nog tot een breuk tussen Bouterse en Wijdenbosch. Laatstgenoemde voelde zich vleugellam vanwege het arrestatiebevel tegen Bouterse. Hij stapte uit de NDP en richtte zijn eigen partij op.
 
Voor het desastreuze economische beleid van de regering-Wijdenbosch en de interne partijtwisten kreeg de NDP bij de verkiezingen van 2000 de rekening gepresenteerd. De Nieuw Front-coalitie wist zich te herstellen van de teruggang in 1996. Zij profiteerde van het wanbeleid onder de regering-Wijdenbosch (1996-2000) door weer in zetelaantal te groeien.
 
2000-2010: Nieuw Front-regering II en III
Onder de Nieuw Front-regering in de periode 2000-2005 en 2005-2010 met wederom Venetiaan als president kroop Suriname in sociaal-economisch opzicht langzaam uit een diep dal. Zij bracht weer economische en monetaire stabiliteit, op zich zelf een opmerkelijke prestatie, mede in het licht van de failliete boedel die de Nieuw Front-regering in 2000 had overgenomen. Hoewel de Nieuw-Front-regering een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de versterking van de democratische rechtsstaat en voor haar monetair en economisch beleid veel lof kreeg toegezwaaid, onder meer van het IMF en de Wereldbank, heeft zij niet het vertrouwen weten te winnen van grote delen van de bevolking. Dat kwam door de hoge werkloosheid, de toename van de armoede en de corruptieschandalen, waarbij verscheidene ministers in opspraak raakten.[15]
 
Populariteit Nieuw Front slinkt
Onder president Venetiaan vervreemdde de Nieuw Front-coalitie zich van haar achterban. Venetiaan dankte zijn populariteit in het verleden aan zijn onkreukbaar imago, maar hij werd na vijftien jaar presidentschap gezien als een “in zichzelf gekeerde, afstandelijke, onsympathieke bestuurder die dringend toe was aan pensioen”[16] Een lame duck die slechts op de winkel paste. Met zijn beleid en gebrek aan oratorische kwaliteiten vervreemdde hij zich van de traditionele achterban van de NPS, de Creoolse volksklasse. Onder Venetiaan werd de NPS steeds meer de partij van de Creoolse middenklasse.
 
Bij de verkiezingen van 2005 kon de Nieuw Front-coalitie aan de macht blijven door een coalitie aan te gaan met A-combinatie, een bundeling van Marronpartijen onder leiding van rebellenleider Ronnie Brunswijk, die vijf zetels behaalde.
 
Ter verklaring van de afnemende populariteit van het Nieuw Front is het voorts van belang te wijzen op de politieke cultuur binnen de twee grootste partijen binnen deze coalitie. Zowel de NPS als de VHP werd tussen 1987 en 2010 gedomineerd door een oude garde van politici, waarbij nauwelijks ruimte was voor jonge politici. Een groot deel van de kiezers was uitgekeken op het koppel Venetiaan en Sardjoe (vicepresident en leider van de VHP), beiden in 2010 zeventigers die al meer dan veertig jaar in de politiek zaten. De Nieuw Front-regering had stabiliteit gebracht, maar de kiezers gingen haar leiders langzamerhand als dinosauriërs beschouwen en associeerden de coalitie met stilstand, stagnatie, immobilisme, vriendjespolitiek en corruptie.[17]
 
Bouterse op verkiezingscampagne in 2010 - Bron: Ellen de Vries
 
De opmars van Bouterses NDP
Brokkelde tussen 1987 en 2010 de machtsbasis van het (Nieuw) Front langzaam af, in dezelfde periode groeide de NDP van Bouterse als politieke machtsfactor (zie tabel 1). In het eerste decennium van deze eeuw bestond bij een groot deel van de kiezers nog grote ambivalentie tegenover de politieke ambities van Bouterse: toen de NDP voor de verkiezingen van 2005 de verkiezingsslogan Des for pres, neks no fout [“Desi voor het presidentschap, daar is niets mis mee”] voerde, reageerden tegenstanders van de partij door op muren in Paramaribo de tekst Des na soso stress [“Desi zorgt alleen maar voor stress”] te kalken. Ondanks de ambivalente gevoelens bij een deel van de keizers wist de NDP zich in 2005 te herstellen van de terugval bij de verkiezingen van 2000.
 
Met zijn charisma en oratorische kwaliteiten wierp de flamboyante Bouterse zich op als de hoop van Suriname. Als geen ander politicus wist Bouterse tijdens de verkiezingscampagne in 2010 de aandacht op zich te vestigen. Deze campagne kende door het ontbreken van een ideologische basis bij politieke partijen geen issues. Beschuldiging van corruptie en zelfs criminalisering van een politieke tegenstander behoort tot de mores in de Surinaamse politiek.
 
Verkiezings- en partijbijeenkomsten zijn volksfeesten, waar stevig met modder wordt gegooid en waar dans, drank en demagogie de belangrijkste ingrediënten zijn. Verkiezingsbijeenkomsten van de NDP hebben een hoog infotainment gehalte, met daarbij een hoofdrol voor Bouterse die als een popster zingend, dansend het podium betreedt en vervolgens als een great communicator en entertainer de massa onderhoudt, een eigenschap die Bouterse als geen ander Surinaamse politicus beheerst.
 
"Politiek opportunisme is een van de kenmerken van de Surinaamse politiek"
 
Bij de verkiezingen van 2010 behaalde de Megacombinatie van Bouterse (een samenwerking van de NDP met een aantal kleinere partijen) 23 van de 51 zetels. De Nieuw Front-coalitie viel in zetelaantal terug. Na deze verkiezingen was in Suriname sprake van een formatiesoap: het was maanden onduidelijk wie met wie een coalitie zou vormen.[18] Door een coalitie te smeden met zijn vroegere tegenstanders, Ronnie Brunswijk (politiek leider van de A-combinatie) en Paul Somohardjo van Pertjajah Luhur, kon Bouterse vervolgens in de Nationale Assemblee tot president worden gekozen.
 
Een bizar pact
In de Surinaamse media werd de samenwerking tussen Bouterse, Brunswijk en Somohardjo getypeerd als een ‘bizar pact’, omdat het leger van Bouterse en het Jungle Commando van Brunswijk in de jaren tachtig een bloedige strijd hadden gevoerd en Somohardjo het militair regime na de decembermoorden in 1982 had ontvlucht en een van de leiders werd van het Surinaamse verzet in Nederland tegen de militaire dictatuur in Suriname. In NDP-kringen werd om die reden vóór de verkiezingen van 2010 samenwerking tussen beide politici uitgesloten.[19]
 
Echt verrassend kan de samenwerking tussen Bouterse en zijn vroegere opponenten niet worden genoemd. Politiek opportunisme is een van de kenmerken van de Surinaamse politiek. Het gaat daarbij niet om een strijd tussen botsende maatschappijvisies en ideeën over de inrichting van de staat, maar primair om een machtsstrijd tussen coalities, met als belangrijkste kenmerk who gets what, when and how. In de Surinaamse politiek zijn principes en strategieën inwisselbare wapens in de strijd om de macht tussen individuen en machtsblokken.[20]
 
Het beleid van de eerste regering-Bouterse werd gekenmerkt door populisme.[21] Van investeringen in duurzame economische ontwikkeling was nauwelijks sprake. De totale uitgaven van de Staat waren ten opzichte van 2010 in 2012, 2013 en 2014 gestegen met respectievelijk 43, 57 en 53%. De uitgaven zijn ook gedeeltelijk monetair gefinancierd.[22]
 
Vijf jaar populistisch beleid onder president Bouterse vergrootte wel het zelfvertrouwen van de NDP. Zij besloot de verkiezingen van mei 2015 als zelfstandige partij en niet langer in coalitieverband in te gaan; dat leidde tot een politieke aardverschuiving. De NDP behaalde met 26 zetels een absolute meerderheid in het parlement, een novum in de politieke geschiedenis van Suriname. De oude Frontpartijen (in 2015 omgedoopt tot V-7) behaalden 18 zetels. Bouterse kon na mei 2015 aan zijn tweede termijn als president beginnen.
 
Inauguratie van president Bouterse in 2010 - Bron: Hans Ramsoedh
 
Populariteit van Bouterse
In hun verklaring voor de populariteit van politici als Bouterse wijzen diverse auteurs op culturele factoren. In de optiek van Silos overheerst als gevolg van het magisch-mythische denken in de Surinaamse samenleving het geloof in de onfeilbare autoriteit van de leider.[23]Buddingh’ beziet de opmars van Bouterse tegen de achtergrond van de dominantie van een cultuur van reputatie binnen de Creoolse volksklasse, die gestoeld is op erkenning binnen de eigen groep, alsmede een vorm van tegencultuur waarin slimheid, hedonisme en machismo een rol spelen.[24]
 
Wekker plaatst de opkomst van politici als Bouterse in de culturele setting van grote vergevingsgezindheid binnen de volksklasse, waarbij ‘succesvolle’ zonen op verregaande vergevingsgezindheid mogen rekenen, ongeachte de wijze waarop dat succes verkregen is.[25]Reeser wijst op conflictvermijding als een karaktertrek van de Surinaamse samenleving. Volgens hem is de Surinaamse kiezer bereid een politicus veel te vergeven als de zondaar berouw toont en gunsten en bescherming in het vooruitzicht stelt.[26]
 
Deze culturele factoren verklaren echter niet de omslag in het denken over Bouterse als politicus. Minstens zo belangrijk als verklaring voor Bouterses populariteit zijn, mijns inziens, het eerder besproken, falend sociaal-economisch beleid onder opeenvolgende Nieuw Front-regeringen, het karakter van het leiderschap van Venetiaan en het politiek opportunistische karakter van de Surinaamse politiek.
 
A new car smell
Daarnaast kan als verklaring worden aangevoerd de behoefte aan verandering bij de Surinaamse kiezers en met name bij de jonge kiezers, de behoefte aan een new car smell. Het conservatieve concept van propagandavoering van het Nieuw Front was nauwelijks gericht op jongeren, die meer dan de helft van de kiezers uitmaken. Het belangrijkste wapenfeit van de Nieuw Front-coalitie tijdens verkiezingscampagnes was het wijzen op het gevaar Bouterse, een mantra dat na drie decennia bij een groot deel van de kiezers was uitgewerkt. De Front-coalitie werd voor veel kiezers symbool voor oude politiek en etnische politiekvoering, terwijl de NDP stond voor vernieuwing, verjonging en vitaal leiderschap.
 
De NDP is één van de weinige partijen die getalenteerde jongeren op de kieslijst heeft staan. Deze partij gebruikt moderne media (internet, facebook) om kiezers te mobiliseren. Op manifestaties die veel jongeren trekken is de NDP nadrukkelijk aanwezig. Niet verrassend is dat de verkiezingswinst van de NDP in 2010 en 2015 voor een belangrijk deel op het conto kan worden geschreven van jongeren die de militaire repressie en de decembermoorden slechts kennen uit verhalen van ouderen.
 
In de Surinaamse geschiedenisboekjes is er nauwelijks aandacht voor de periode 1980-1987. De NDP afficheert zich met nationalisme, antikolonialisme in de zin van beëindiging van de Surinaamse hulpverslaving aan Nederland en profileert zich als een partij die zich keert tegen etnische politiek. In navolging van president Obama speelde de NDP slim in op de behoefte aan Kenki (“verandering”) bij de kiezers. Op verkiezingsbijeenkomsten in 2010 zong Bouterse regelmatig het nummer A change is gonna come van Sam Cooke.
 
Suriname na 2010
Met de NDP sinds 2010 in het machtscentrum, een absolute meerderheid van deze partij in het parlement sinds 2015 en een gemarginaliseerde Nieuw-Front (of V-7)-coalitie zijn de politieke machtsverhoudingen in Suriname grondig gewijzigd. De machtsbasis van de Nieuw Front-coalitie is weggevaagd. De Creoolse volkspartij NPS, die tussen 1949 en 1980 erg machtig was, werd bij de verkiezingen van 2015 gemarginaliseerd; zij wist slechts twee zetels in de wacht te slepen. De Hindoestaanse VHP heeft zich, onder leiding van de vijftiger Santokhi, oud-commissaris van politie, minister van Justitie tussen 2005 en 2010 en presidentskandidaat voor V-7 bij de verkiezingen van 2015, met negen zetels weten te handhaven, maar wel veel van haar aanhang zien overlopen naar de NDP. Het is nu de NDP die bepaalt wie mag meeregeren.
 
Onder het regime-Bouterse vertoont Suriname volgens Hoefte inmiddels trekken van een hybride politiek systeem waarbinnen democratische en autocratische praktijken samenvallen. Hiermee wijkt het niet af van voorgaande regeringen, maar houdt het wel een versterking in van het leiderschap en de patronagepolitiek in Suriname.[27]
 
Tot de regeringscoalitie van de NDP toetreden, betekent accepteren dat er geen rechtsvervolging komt tegen Bouterse wegens zijn betrokkenheid bij de decembermoorden. Ook bij een vertrek van Bouterse uit de actieve politiek (hij is inmiddels ook een zeventiger), maar met een dominante rol van de NDP in het Surinaamse politieke bestel, is een onafhankelijk onderzoek naar de decembermoorden illusoir geworden. In de optiek van Bouterse en zijn NDP is het decemberproces een politiek proces dat uit is op een politieke veroordeling.[28]
 
Met een door het Internationaal Monetaire Fonds[29] voorspelde economische groei van 1,5% in 2015 en in 2016 van zelfs minder dan 0,5%, gaat president Bouterse in zijn tweede termijn in sociaal-economisch opzicht zwaar weer tegemoet, maar vooralsnog kan Des als pres, tot ongenoegen van Nederland,[30] op grote populariteit onder een aanzienlijk deel van de Surinaamse kiezers rekenen.
 
 
 
Hans Ramsoedh is werkzaam bij de lerarenopleiding in Arnhem van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN) en eindredacteur van OSO, tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch gebied.
 
 
 
[1] H. Buddingh’, De geschiedenis van Suriname, Amsterdam: Nieuw Amsterdam, 2012, pp. 348-353; H.E. Chin & H. Buddingh’, Suriname. Politics, Economics and Society 1987, pp. 140-157; R. Janssen, In search of a path. An analysis of the foreign policy of Suriname from 1975 to 1991, Leiden: KITLV Press, 2011, pp. 103-122.
 
[2] In de nieuwe grondwet van 1987 behield het leger een belangrijke plaats in de politiek: de bescherming van de “soevereiniteit en zelfstandigheid” en “de hoogste rechten en vrijheden van land en volk”. In de praktijk betekende dit dat het Militair Gezag nog steeds veel invloed had op de regering.
 
[3] W. Hoogbergen & D. Kruijt, De oorlog van de sergeanten. Surinaamse militairen in de politiek, Amsterdam: Bert Bakker, 2005, pp. 142-188.
 
[4] De rol van de KTPI als belangrijkste Javaanse politieke partij werd na 2000 overgenomen door de Pertjajah Luhur onder leiding van Paul Somohardjo.
 
[5] Lijphart heeft het concept pacificatiepolitiek ontwikkeld. Hiermee beschrijft hij het delen van macht in democratische systemen in gesegmenteerde samenlevingen. De Amerikaanse politicoloog Edward Dew past dit concept toe op de beschrijving van de interetnische politieke samenwerking in Suriname. Zie A. Lijphart, Democracy in Plural Societies: A Comparative Exploration, New Haven: Yale University Press, 1977; en E. Dew, The difficult flowering of Surinam. Ethnicity and politics in a plural society, The Hague: Martinus Nijhoff, 1973.
 
[6] In wisselende samenstellingen na 1991. In 1991 werd het Front omgedoopt tot Nieuw Front, toen de Surinaamse Partij van de Arbeid (SPA) zich bij deze coalitie aansloot. In 2000 werd de Javaanse KTPI vervangen door de Javaanse Pertjajah Luhur. In 2005 sloot DA ’91 zich aan bij het Nieuw Front. In 2010 ging de Pertjajah Luhur zelfstandig de verkiezingen in en werd het Nieuw Front gevormd door NPS, VHP, SPA en DA ’91. In 2015 werd het Nieuw Front omgedoopt tot V-7, bestaande uit de NPS, VHP, SPA, Pertjajah Luhur, DA ’91 en de Marronpartij BEP. Laatstgenoemde partij maakte in 2010 nog deel uit van de A-Combinatie van Ronnie Brunswijk. V-7 (V staat voor het vredesteken) bestond uit zes partijen; de zevende partij (de Javaanse KTPI) trok zich vlak voor de verkiezingen in 2015 terug uit deze politieke combinatie.
 
[7] Zie o.m. Y. Kleistra, Hollen of stilstaan. Beleidsverandering bij het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken, Delft: Eburon, 2002, p. 207; P. Meel, Man van het moment. Een politieke biografie van Henck Arron, Amsterdam: Prometheus/Bert Bakker, 2014, pp. 479-504.
 
[8] W. Hoogbergen & D. Kruijt, De oorlog van de sergeanten. Surinaamse militairen in de politiek, 2005, pp. 142-188.
 
[9] R. ter Beek, Manoeuvreren. Herinneringen aan Plein 4, Amsterdam: Balans, 1996, pp. 117-127; H. Buddingh’, De geschiedenis van Suriname, Amsterdam: Nieuw Amsterdam, 2012, p. 365; J. Jansen van Galen, Afscheid van de koloniën. Het Nederlandse dekolonisatiebeleid 1942-2012, Amsterdam/Antwerpen: Atlas/Contact, 2013, pp. 446-447.
 
[10]  R. ter Beek, Manoeuvreren. Herinneringen aan Plein 4, Amsterdam: Balans, 1996, p. 119.
 
[11] Over de rol van de Surinaamse legerleiding bij de drugshandel, zie: J. van den Heuvel, De jacht op Desi Bouterse. Hoe het Suri-kartel de Nederlandse drugsmarkt veroverde, ’s- Gravenhage: BZZTôH, 1999; M. Haenen, Baas Bouterse. De krankzinnige klopjacht op het Surinaamse drugskartel, Amsterdam: Balans, 1999.
 
[12] Suriname kent sinds 1987 een semi-parlementair systeem met een president die executieve bevoegdheden heeft. De president wordt niet rechtstreeks door de kiezer gekozen, maar in de Nationale Assemblee met een twee derde meerderheid voor een periode van vijf jaar gekozen. Indien die twee derde meerderheid niet aanwezig is, wordt de Verenigde Volksvergadering (bestaande uit 51 leden van de Nationale Assemblee, 116 Districtsraadsleden en 752 Ressortraadsleden in 1996) bijeengeroepen, die vervolgens de president bij gewone meerderheid kiest.
 
[13] H. Ramsoedh,‘Playing Politics: Ethnicity, Clientelism and the Struggle for power’, in: R. Hoefte & P. Meel (red), Twentieth-Century Suriname. Continuities and Discontinuities in a New World Society, Kingston/Leiden: Ian Randle Publishers/KITLV Press, 2001, pp. 91-111.
 
[14] D. Martin, ‘Macroeconomic Developments during the 1990s’, in: P. van Dijck (red.), Suriname. The Economy. Prospects for Sustainable Development, Kingston: Ian Randle Publishers, 2001, pp. 43-91; H. Buddingh’, De geschiedenis van Suriname, Amsterdam: Nieuw Amsterdam, 2012, pp. 402-411.
 
[15] H. Buddingh’, De geschiedenis van Suriname, Amsterdam: Nieuw Amsterdam, 2012, pp. 418-424.
 
[16] I. Evers & P. van Maele, Bouterse aan de macht, Amsterdam: De Bezige Bij, 2012, p. 79.
 
[17] Uit vrees voor een crisis in de regeringscoalitie trad president Venetiaan nauwelijks op tegen malafide praktijken rond gronduitgiftebeleid op het door Pertjajah Luhur van Somohardjo beheerde ministerie. Bij een deel van de bevolking overheerste het beeld van een regering en een president in politieke gijzeling genomen door Somohardjo. Laatstgenoemde wordt getypeerd als een onberekenbare politicus, strateeg, demagoog en een verfijner van de chantagepolitiek.
 
[18] I. Evers & P. van Maele, Bouterse aan de macht, Amsterdam: De Bezige Bij, 2012, pp. 150-168.
 
[19] In 2014 zette Bouterse Somohardjo’s Pertjajah Luhur uit de coalitie vanwege diens voortdurende chantagepolitiek.
 
[20] H. Ramsoedh,‘Playing Politics: Ethnicity, Clientelism and the Struggle for power’, in: R. Hoefte & P. Meel (red), Twentieth-Century Suriname. Continuities and Discontinuities in a New World Society, Kingston/Leiden: Ian Randle Publishers/KITLV Press, 2001, p. 92.
 
[21] Zoals de verhoging van de kinderbijslag en de algemene oudedagsvoorziening (AOV). Voorts is er een gratis ziekteregeling voor kinderen tot 16 jaar en ouderen boven de 60 jaar doorgevoerd. Ook het ambtenarenapparaat is verder gegroeid.
[22] Vereniging van Economisten in Suriname (VES), ‘Niet de wereldmarkt is de hoofdschuldige’, Starnieuws, 12 september 2015.
 
[23] M. Silos, Onderontwikkeling is een keuze, Paramaribo: Leo Victor, 1991, pp. 157-159.
 
[24] H. Buddingh’, De geschiedenis van Suriname, Amsterdam: Nieuw Amsterdam, 2012, pp. 482-483.
 
[25] G. Wekker, ‘Bouterse for president. Een cultuurkritische interpretatie’, in: J. Leerdam & N. Beyer (red.), Suriname en ik: Persoonlijke verhalen van bekende Surinamers over hun vaderland, Amsterdam: Meulenhoff, 2010, pp. 169-173.
 
[26] P. Reeser, Desi Bouterse. Een Surinaamse tragedie, Amsterdam: Prometheus/Bert Bakker, 2015, blz. 304, 326.
 
[27] R. Hoefte, Suriname in the Long Twentieth Century. Domination, Contestation, Globalization, New York: Palgrave Macmillan, 2014, pp. 200-206. Silos spreekt in dit verband van een commando-democratie: een democratisch systeem dat uiterlijke kenmerken van een moderne samenleving vertoont, maar met de innerlijke werking van een plantage uit de koloniale periode; zie M. Silos, Onderontwikkeling is een keuze, Paramaribo: Leo Victor, 1991, p. 155.
 
[28] Door Bouterse is het decemberproces stelselmatig aangeduid als het ‘december-ding’.
 
[29] International Monetary Fund (IMF), World Economic Outlook. Adjusting to Lower Commodity Prices, Washington , oktober 2015, p. 173.
 
[30] H. Ramsoedh, ‘Reframing relatie Suriname-Nederland 1975-2015’, OSO. Tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch gebied, jrg. 34, nr. 1+2, november 2015, pp. 25-50.
 

 

Auteurs

Hans Ramsoedh
Suriname-deskundige