Gezocht: een Nederlandse militaire identiteit
Analyse Veiligheid en Defensie

Gezocht: een Nederlandse militaire identiteit

01 Oct 2019 - 14:49
Photo: Apache AH-64D-gevechtshelikopter op vliegbasis Leeuwarden. © Frans Berkelaar/Flickr
Terug naar archief

Er wachten momenteel drie verzoeken voor Nederland om militaire bijstand te verlenen. In Mali, Syrië en de Straat van Hormuz is de aanwezigheid van Nederlandse strijdkrachten gewenst, maar het is nog de vraag of ons land zal deelnemen aan deze militaire missies. Is Nederland een weinig krijgshaftige natie waar oorlogvoering niet al te serieus wordt genomen? Of heeft ons land wel degelijk een stevig en roemrijk militair verleden? De discussie tussen beide denkrichtingen is soms fel en typerend voor de dubbelzinnige militaire identiteit van ons land.

“Neder­land is niet alleen geen soldateske natie, het is ook een land waarin nimmer lessen worden getrokken uit mili­taire miskleunen. We kunnen niet van ons falen leren, omdat we niet eens weten wat we moeten leren.” Oud-officier Maarten Hoff en militair historicus Menni Roitero lieten in hun dubbelproefschrift Mili­taire misstappen van de Nederlandse Leeuw, 1825-1950 geen spaan heel van de militaire reputatie van Nederland.1 Hoff en Roitero gebruikten behoorlijk scherpe taal, maar stonden zeker niet alleen. Een brede stroming van historici en andere commentatoren bevestigt voortdurend het beeld van Nederland als een weinig krijgshaftige natie.

Klep-Nederlandse artillerie soldaat traint met helikopters. © Camp Heumensoord/Flickr
Nederlandse soldaat artillerie tijdens een oefening in 2016. © Camp Heumensoord/Flickr

Het is een beeld – soms genuanceerd, soms een opeenhoping van clichés – waarin domineesmentaliteit en handelsgeest over elkaar heen buitelen. “Een staat, opgebouwd uit welvarend burgerijen van matig groote steden en uit tamelijk tevreden boerengemeenten, is geen kweekbodem voor hetgeen men het heroïsche noemt”, schreef de befaamde cultuurhistoricus Johan Huizinga in 1935.2

Nederlanders nemen hun oorlogvoering blijkbaar niet al te serieus

Koppel aan dit beeld de weinig roemrijke meidagen van 1940, de langharige dienstplichtigen-nonchalance uit de Koude Oorlog of het debacle van Srebrenica in 1995. Nederlanders nemen hun oorlogvoering blijkbaar niet al te serieus. Dat was in ieder geval de conclusie van een aantal buitenlandse waarnemers die voorafgaand aan beide wereldoorlogen oefeningen van het Nederlandse leger-te-velde bijwoonden.

En voeg daarbij nog onze schijnbaar armoedige omgang met militaire helden. Figureert Jan van Speijk (“Dan liever de lucht in!”) toch niet vooral, als puntje bij paaltje komt, als een wat schlemielige held?3 Van Speijk offerde in 1831 zijn kanonneerboot en bemanning betrekkelijk zinloos op toen Antwerpse opstandelingen het schip belaagden. Heldhaftig wellicht, maar verstandig?

Nederland als krijgshaftige natie
Dit beeld van Nederland als weinig krijgshaftige natie schopt tegen het zere been van diegenen die menen dat ons land wel degelijk een stevig en roemrijk militair verleden heeft. Is Nederland immers niet geboren uit bloed, zweet en tranen? Was het Staatse Leger van de Republiek qua innovatievermogen en discipline geen lichtend voorbeeld hiervan? Zeker voor andere staten die in Nederland de kunst van de oorlogvoering kwamen afkijken, zoals bijvoorbeeld de beroemde en knap ingewikkelde contramars van prins Maurits van Oranje.4

Bracht de Staatse Vloot daarnaast niet maritieme iconen als Michiel de Ruyter en Cornelis Tromp voort?  Zo was de gewaagde tocht naar het Engelse Chatham in 1667 – waar de Britse vloot een gevoelige klap moest incasseren – toch een vermaard staaltje Hollandse zeemansdurf. Tijdens deze operatie voerden Nederlandse mariniers overigens een geslaagde landing uit op de Britse kust. Dit was de eerste – en tot op de dag van vandaag enige – succesvolle landing op de Britse kust sinds Willem de Veroveraar in 1066.5 Het Korps Mariniers mag dit epos dan ook graag in herinnering roepen.

In deze pro-martiale (‘Nederland kan echt wel vechten’) visie was Nederland bovendien tot ver in de twintigste eeuw een koloniaal zwaargewicht, dat niet terugschrok voor zwaar en bloedig vechtwerk overzee. Ook in het buitenland respecteerde men de Nederlandse vechtlust, zo gaat de redenering verder. Kwamen Nederlanders in vreemde krijgsdienst, dan deden ze daar voor niemand onder. Of het nu een Vreemdelingenlegioen betrof, Napoleons Grande Armée of de Duitse Wehrmacht; veel reden om te klagen hadden de buitenlandse broodheren niet.

Een schizofrene militaire identiteit
De discussie over de Nederlandse militaire identiteit is soms fel tussen beide denkrichtingen. Dat is geheel begrijpelijk. De inzet kan immers niet intenser zijn: nationale trots, geloofwaardigheid, moed en lafheid. Of we willen of niet, de militaire identiteit – en de bijbehorende militaire cultuur – is een bouwsteen van elke nationale identiteit.

Veteranen van Dutchbat III op Veteranendag, 2015. © Patrick Rasenberg/Flickr
Veteranen van Dutchbat III op Veteranendag, 2015. © Patrick Rasenberg/Flickr

Wie op een willekeurige dag ’s avonds aanschuift bij de Menenpoort in het Belgische Ieper ziet die hoge inzet voor zijn ogen verstoffelijken. Om acht uur is het doodstil en blazen lokale brandweerlieden The Last Post. Op de Menenpoort zelf staan de namen van 55.000 gesneuvelde militairen van het Britse Gemenebest gegraveerd. Niet voor niets maken elk jaar honderden bussen vol Britse schoolkinderen de overtocht naar Ieper.

Een militaire identiteit kan niet ongedeeld zijn of ‘een beetje’ worden gekoesterd

Dat Nederland geen Menenpoort-equivalent heeft, vloeit uiteraard voort uit de loop der geschiedenis. Maar de geschiedenis heeft Nederland eigenlijk een gunstig lot toebedeeld, zullen velen opmerken. De vreedzame poldermentaliteit zit deze maatschappij-van-burgerlieden als gegoten en heeft Nederland al veel opgeleverd, inclusief een – wellicht wat gezapig overleg plegende – welvaartsstaat. Het onvermijdelijke gevolg is echter een dubbelzinnige, soms zelfs schizofrene militaire identiteit. Een militaire identiteit kan namelijk niet ongedeeld zijn of ‘een beetje’ worden gekoesterd. Toch is dat precies de militaire identiteit die Nederland probeert te handhaven.

Geen kick ass
Enerzijds is er van oudsher voldoende steun voor het in stand houden van een krijgsmacht ter verdediging van het vaderland en onze bondgenoten. Maar in de zogeheten guns-and-butter-discussie wint doorgaans toch het zuivelproduct. Nederland heeft vanouds veel geld in verdedigingslinies gestopt, zoals in de Hollandse Waterlinie, en wel degelijk serieuze strategische plannen bedacht. Tijdens de Koude Oorlog was Nederland een loyale bondgenoot, die zijn bestedingsverplichtingen redelijk zorgvuldig nakwam. Na de Koude Oorlog bouwde ons land zijn krijgsmacht om tot een expeditionaire macht die all over the world de vrede moest bevorderen. Kortom, Nederland blies internationaal zijn partijtje mee.

Anderzijds sijpelde echter altijd weer het besef door dat de Nederlandse veiligheid afhankelijk zou zijn van andere mogendheden. Van de grotere buurlanden of van de (recentelijk vooral Amerikaanse) bondgenoten. Bovendien smeerden opeenvolgende Nederlandse regeringen in de loop van de twintigste eeuw een laag van morele superioriteit over alles heen. De impliciete boodschap was, gewild of ongewild, dat stevig oorlog voeren eigenlijk niet ‘des Nederlanders’ was. Na de Tweede Wereldoorlog kreeg de grondwet zelfs een artikel dat de regering voorschreef de internationale rechtsorde te bevorderen. Dit was wereldwijd gezien een bijna uniek grondwetsartikel.

De Dutch Approach
Zeker na het einde van de Koude Oorlog sleet het idee verder in – met name aan de linkerkant van het politieke speelveld – dat de krijgsmacht er vooral is om ‘goed’ te doen. De term Dutch Approach deed zijn intrede: de gedachte dat Nederlandse militairen bovengemiddeld goed zijn in het uitvoeren van vredesoperaties, vooral als daar veel contact met de lokale bevolking bij komt kijken. We zijn nuchter en spreken onze talen, dat is de boodschap. Een houding die sterk valt te prefereren boven bijvoorbeeld de Amerikaanse kick ass-instelling. Wervingsadvertenties van Defensie weerspiegelen tot de dag van vandaag dan ook het zelfbeeld van een krijgsmacht die er óók – of zelfs in hoge mate – is om mensen te helpen en te redden.

De insteek waarbij de krijgsmacht vooral wordt gezien als politiek verlengstuk om ‘goed’ te doen leidt bijna automatisch tot strakke(re) politieke controle, en zelfs tot politiek micromanagement. De toepassing van geweld moet immers beperkt blijven, op straffe van overschrijding van de ‘goed doen’ grens. Dus ontwikkelden de Tweede Kamer en de regering een complex stramien van toetsingskaders en regeringsbrieven, waarin militaire missies al vooraf tot in detail worden besproken en gepland. Wie ‘goed’ doet, mag immers geen humanitaire brokken maken.

Konvooi van de Koninklijke Marine in Irak, 2004. © Ruud Mol/Koninklijke Marine
Konvooi van de Koninklijke Marine in Irak, 2004. © Ruud Mol/Koninklijke Marine

Een treffende illustratie is de discussie “vechtmissie of wederopbouwmissie?” die vanaf 2006 de Nederlandse inzet in de Afghaanse provincie Uruzgan kenmerkte. “Zo civiel als mogelijk, zo militair als nodig”, was het officiële motto. Flauwekul, vond menig militair ter plekke. We bestreden in Uruzgan toch een hardnekkige en wrede tegenstander? Dit was volgens de soldaten eerder een brute guerrillaoorlog dan een civiel getoonzette wederopbouwmissie.

Juist de twee episodes die hielpen de Nederlandse militaire identiteit te schragen, kwamen steeds meer onder vuur te liggen

De morele saus werd in toenemende mate ook over oudere militaire gebeurtenissen uitgegoten. Juist de twee episodes die hielpen de Nederlandse militaire identiteit te schragen, kwamen steeds meer onder vuur te liggen. Om te beginnen bij de roemruchte daden van Michiel de Ruyter en consorten uit de zeventiende eeuw. Toen enkele jaren geleden de speelfilm Michiel de Ruyter in première ging, deed de actiegroep genaamd Michiel de Rover van zich spreken. Had de beroemde admiraal zich immers niet ook schuldig gemaakt aan slavenhandel?

Niet alleen de Gouden Eeuw – inmiddels op zich al een besmette term – moest het ontgelden. Ook het koloniale vechtwerk kwam onder het morele vergrootglas te liggen. Amsterdammers bediscussieerden bijvoorbeeld wat ze moesten doen met het standbeeld van Neerlands bekendste koloniale veldheer: generaal J.B. van Heutsz.

De laatste jaren laait daarnaast opnieuw de discussie op over de dekolonisatieoorlog van 1945 tot 1949 (eerder bekend als de ‘Politionele Acties’). Verschillende historische studies – met name De Brandende Kampongs van Generaal Spoor door Rémy Limpach uit 2016 – verscherpten de vraag of in die dekolonisatieoorlog sprake was geweest van structureel geweld door Nederlandse militairen, om niet te zeggen van een patroon aan oorlogsmisdaden. Nieuwe onderzoeken moeten deze discussie verder helpen.  

De krijgsmacht als weerspiegeling van de maatschappij
Zo versterkte zich in de afgelopen decennia het gevoel van een dubbelzinnige militaire identiteit, begeleid door een soms wat schizofreen aandoend debat waarin de deelnemers deels op uiteenlopende sporen draaiden en de wissels niet konden vinden. Fascinerend in dit opzicht blijft de vraag in hoeverre een krijgsmacht de weerspiegeling moet zijn – of misschien beter: kán zijn – van de maatschappij en omgekeerd.

Ten tijde van het Staatse Leger was dit in elk geval geen issue. De Republiek huurde beroepskrachten in die uit heel Europa arriveerden. Met de consolidering van het nieuwe Nederlandse koninkrijk sleet in de loop van de negentiende eeuw ook het idee in dat elke geschikte mannelijke burger moest bijdragen aan de verdediging van het vaderland. Vooral via de dienstplicht.

Toen met het einde van de Koude Oorlog de noodzaak van een dienstplicht onder druk kwam te staan – als een oneerlijke last die door de inkrimping van de krijgsmacht een steeds kleinere groep jongens onevenredig trof – schrokken velen toch terug voor het opdoeken van dit instituut. Immers, het gesloten bastion dat het militaire apparaat was, vereiste toch controle van binnenuit en dus contact met de maatschappij via dienstplichtigen?

Met de gevreesde ‘Engelse toestanden’ in het nieuwe beroepsleger (‘hooligans in uniform’) valt het trouwens nogal mee. In polderend Nederland was dat wel te voorspellen.

Missies in Uruzgan, Irak en Mali bevestigden dat de krijgsmacht de tragische episode van Srebrenica achter zich had gelaten

Sterker nog, veel officieren zagen juist in een beroepskrijgsmacht de mogelijkheid om – na het langharige en groetloze dienstplichtigentijdperk – een wat krijgshaftiger imago op te bouwen. Dit lukte deels. Missies in Uruzgan, Irak en Mali bevestigden dat de krijgsmacht de tragische episode van Srebrenica achter zich had gelaten. Toen Taliban-strijders in 2007 massaal het dorpje Chora in Uruzgan aanvielen, liet de Nederlandse commandant ter plaatse de zogeheten Stotersvlag hijsen. Dit is de vlag van het 13e Infanteriebataljon Luchtmobiel van het Regiment Stootroepen Prins Bernhard; dezelfde eenheid die in 1995 in de enclave Srebrenica gestationeerd was. Bij de Slag om Chora zou wel worden standgehouden.

Tot de dag van vandaag is de krijgsmacht een wit en masculien bolwerk

Resteert toch nog wel het punt van de inbedding in de maatschappij. Pogingen om de krijgsmacht daadwerkelijk méér divers te maken, zijn goeddeels stukgelopen. Streefcijfers voor vrouwen en Nederlanders met een migratieachtergrond zijn zachtjesaan weggesluisd. Tot de dag van vandaag is de krijgsmacht een wit en masculien bolwerk.

Een onmogelijke spagaat
Tijd voor een strijdbare conclusie. Nederland kent – en koestert zelfs deels –  een sterk verburgerlijkte en daarmee dubbelzinnige militaire cultuur. Eén voorbeeld zegt ter afsluiting wellicht meer dan duizend woorden. Nederland handhaaft een cultuur waarin militairen de aanwijzing kunnen krijgen (zoals in 2014 gebeurde) om niet in uniform te reizen en pas op de kazerne het militaire pak aan te trekken. Dit alles vanwege een vermeende terreurdreiging.

Menig buitenlands collega bezag dit uniformverbod met enige verbazing. Ook onder militairen en zeker bij de militaire vakbonden werden de wenkbrauwen gefronst. Een afkeurenswaardig voorbeeld van een doorgeschoten verburgerlijkte militaire cultuur? Risicomijdend gedrag dat een serieuze krijgsmacht niet past? Geen probleem, zullen velen zeggen. Houden zo!

Tromgeroffel, trompettergeschal en overal camouflagegroen op straat, dat zit gewoonweg niet in ons nationale DNA. Akkoord, maar dan zullen we nog lang blijven soebatten over een krijgsmacht waar we indien nodig veel krijgshaftigs van verwachten, maar die intussen niet té martiaal mag zijn. Wat mij betreft een onmogelijke spagaat.

  • 1. Maarten Hoff en Menni Roitero, Militaire misstappen van de Nederlandse leeuw, Groningen: Rijksuniversiteit Groningen, 1995.
  • 2. Johan Huizinga, Verzamelde werken, deel 7, Geschiedwetenschap, hedendaagse cultuur, Haarlem: Tjeenk Willink & Zoon, 1950, p. 285.
  • 3. Tijdens de Belgische Opstand (1830-1831) dreef een storm Van Speijks kanonneerboot tegen de Antwerpse Scheldewal. Woedende Belgen bestormden het schip, waarop Van Speijk met pistool, lont of sigaar een vat buskruit tot ontploffing bracht. In verschillende publicaties is Van Speijk ook neergezet als een depressieve jongeman met een minderwaardigheidscomplex.
  • 4. De contramars (‘tegenmars’) vergrootte de vuurkracht van rijen musketiers. De musketiers die gevuurd hadden, liepen meteen naar achteren, zodat de volgende rij een salvo kon afgeven, enzovoort.
  • 5. In 1066 greep de Normandische hertog Willem de Veroveraar de macht in Engeland, nadat hij bij de plaats Hastings een Engelse troepenmacht had verslagen.

Auteurs

Christ Klep
Militair historicus