Hoe Nederland onder de radar betrokken blijft in Afghanistan
Opinie Conflict en Fragiele Staten

Hoe Nederland onder de radar betrokken blijft in Afghanistan

28 Sep 2021 - 12:40
Photo: School in Kabul in 2011 waar kinderen voorzien werden van schrijfmateriaal door een Amerikaanse NGO. © ResoluteSupportMedia / Flickr
Terug naar archief

Met het einde van de ISAF-missie en de overrompelende machtsovername van de Taliban zijn militaire en diplomatieke interventies in Afghanistan niet meer aan de orde. Volgens voormalig Cordaid-directeur René Grotenhuis is het echter wel degelijk mogelijk voor Nederlandse hulporganisaties om onder de radar betrokken te blijven.

Met de machtsovername door de Taliban in Afghanistan ligt somberheid voor de hand bij het opmaken van de balans van twintig jaar International Security Assistance Force (ISAF). De ambitie om het land te vrijwaren van moslimfundamentalisme is niet gelukt. Alle ambities met betrekking tot modernisering, mensenrechten en democratie zijn gesmoord in de overrompelende opmars van de Taliban.

De komende maanden en jaren zal nog lang teruggekeken worden en onderzoek plaatsvinden naar de ISAF-missie en de weinig succesvolle afloop daarvan. Deze bijdrage kijkt niet terug, maar vooruit: wat staat ons te doen in de komende jaren?

Terug naar de doelen
Met de doelen die de internationale gemeenschap zich stelde bij de start van de missie was en is niet zo veel mis. Veel gewone Afghanen – niet alleen de hogere middenklassen – hebben bijvoorbeeld dankbaar gebruikgemaakt van de inzet voor sociale en economische ontwikkeling. Zij stonden niet te juichen bij het ijzige klimaat van religieus fanatisme en een naar binnen gekeerde cultuur onder het bewind van de Taliban, waarbij de behoeften en belangen van de bevolking niet telden en alles ondergeschikt was aan een rigide interpretatie van de Koran.

Taliban-strijders in Kabul in augustus 2001. Reuters
Taliban-strijders in Kabul in augustus 2001. © Reuters

De deksel die de Taliban met geweld op de samenleving hadden gedrukt was na 2002 met internationale hulp verwijderd. Hierna kwam een geweldige energie los en bruiste het aan alle kanten van de plannen en initiatieven.

Bij mijn bezoeken aan het land was ik steeds weer onder de indruk van de energie bij Afghanen en hun ambitie om bij te dragen aan de (her)opbouw en ontwikkeling van hun land. Ondanks het nodige opportunisme van mensen die hun eigen niet-gouvernementele organisatie (ngo) oprichtten om zo toegang te krijgen tot het rijkelijk aanwezige hulpgeld dat in het voetspoor van de militaire interventie het land binnenkwam, was er ook veel integriteit en oprechte wil om bij te dragen aan ontwikkeling en het land weer een plaats te geven in de internationale gemeenschap.

Afghanen met van de Taliban afwijkende opvattingen die voor 2002 onder de radar waren gebleven, lieten zich weer zien en namen de leiding over ngo’s op het terrein van onderwijs, gezondheidszorg, vrouwenrechten en kleinschalige bedrijvigheid. Zij en wij als internationale organisaties vonden elkaar als bondgenoten in de promotie van ontwikkeling en mensenrechten.

Grotenhuis - Een Afghaanse man in een kas van de Farah City Agricultural School in 2010. ResoluteSupportMedia - Flickr
Een Afghaanse man in een kas van de Farah City Agricultural School in 2010. © ResoluteSupportMedia / Flickr

Dit waren ook de mensen die – tijdens gesprekken die ik destijds in Afghanistan voerde – erop aandrongen dat Nederland aan de ISAF-missie mee moest doen. Zij waren ervan overtuigd dat hun werk niet stand kon houden zonder internationale bescherming. De Nederlandse beslissing om deel te nemen aan de ISAF-missie werd dan ook mede ingegeven door de overtuiging dat we deze bondgenoten – die ons steunden in de strijd om een Afghanistan dat gebouwd zou zijn op recht en democratie – niet in de steek konden laten.

Hoe verder?
Het is onduidelijk welke toekomst zich voor Afghanistan aandient. Ik zie twee waarschijnlijke uitkomsten. In de eerste vallen de Taliban terug in het isolationisme van hun eerste bewindsperiode in Afghanistan van 1996 tot 2001 met hun strenge orthodoxe interpretatie van de Islam en sharia waarbij ze zich niet veel gelegen laten liggen aan de buitenwereld. In de tweede optie ontwikkelt het Taliban-bewind zich tot een theocratisch regime zoals Iran kent, met een stevige greep van fundamentalistische religieuze leiders op het openbare leven, maar tegelijkertijd ook met een ambitie om technologisch en economisch mee te doen in de wereld.

Los daarvan is de vraag naar de Nederlandse (en in het verlengde daarvan Europese) betrokkenheid bij het land aan de orde. Hoe verhouden we ons tot de nieuwe machthebbers van Afghanistan en hun agenda?

Met argusogen zullen de Nederlandse overheid, publieke opinie en NGO’s bekijken hoe nieuwe machthebbers omgaan met vrouwenrechten en democratie. Nu militair ingrijpen geen optie meer is, zullen we andere instrumenten van druk inzetten.

In de afgelopen twintig jaar is wel degelijk een basis gelegd voor verandering

Het ligt voor de hand dat we het instrument van politieke veroordelingen regelmatig zullen gebruiken als waarden en principes van democratie en mensenrechten worden aangetast. Vervolgens zullen economische sancties als instrument worden ingezet tegen het regime en leden van de politieke elite.

Het effect van beide instrumenten (denk bijvoorbeeld aan Rusland, Wit-Rusland, Polen, Hongarije en Iran) is twijfelachtig als het gaat om de gewenste veranderingen in de politieke en maatschappelijke verhoudingen. De casus van Iran is wat dat betreft instructief: meer dan veertig jaar na de Iraanse revolutie die de geestelijken aan de macht bracht, is daar nog bitter weinig veranderd. De Iraanse presidentsverkiezingen van dit jaar bevestigden dat de rol van hervormers is uitgespeeld. Mede door het beleid van de Amerikaanse president Donald Trump (die de nucleaire deal opzegde en nieuwe sancties instelde) zijn de politieke stromingen die iets verwachten van betere relaties met het Westen opgedroogd.1

Nieuwe solidariteit
De agenda voor verandering in Afghanistan lijkt ver weg nu de ISAF-missie tot een einde is gekomen en de Taliban de macht hebben gegrepen. Toch is in de afgelopen twintig jaar wel degelijk een basis gelegd voor verandering.

Zo vertelde Pashtana Durrani, de vrouwelijke directeur van de onderwijsorganisatie LEARN, in het NOS-journaal van 18 september: “We vragen om het recht voor onderwijs voor meisjes, voor iedereen. En dat ze vrouwenrechten accepteren, politieke rechten, het recht op werk.” Ze heeft geen vertrouwen in de Taliban maar “wil vechten voor mijn rechten, voor mijn plek in de maatschappij. […] Vrouwen zijn geen slachtoffers. Ze vechten nu hun eigen strijd. Ze hebben geen witte redders nodig. We hebben nu solidariteit nodig van de wereld. Zodat wij onze strijd kunnen voeren en zij ons steunen. […] Wij hoeven niet gered te worden. We moeten zelf onze rechten bevechten en zij moeten solidair zijn.”2

Uiteraard is het mogelijk dat haar oproep verloren gaat in de overdonderende berichtgeving over angst en mensen die weg willen. Die berichten doen ons geloven dat iedereen die iets wilde met mensenrechten en democratie nu weggaat of zich niet meer laat zien.

Grotenhuis - Afghaanse studenten in het dorp Parachi in oktober 2021. Meryl Curtat - Hans Luca via Reuters
Afghaanse studenten in het dorp Parachi in oktober 2021. © Meryl Curtat / Hans Luca via Reuters

De realiteit is genuanceerder en kansrijker dan we nu denken. Het menselijk potentieel dat zich vanaf 2002 manifesteerde in de ontwikkeling van lokale initiatieven en projecten is er alleen maar groter op geworden.

Overal hebben mensen ervaren en gezien dat het ook anders kan in hun land. Ouders die hun kinderen bijvoorbeeld naar school hebben gestuurd, zullen dat niet opgeven. Mannen die hun vrouwen gesteund hebben om werk te vinden, zullen hen die steun niet onthouden. Ze zullen andere strategieën moeten ontwikkelen, en dat vraagt om meer slimheid en subtiliteit dan in het kader van de ISAF-missie, de daarbij behorende militaire macht en de massieve presentie nodig is geweest.

‘Witte redders’
De opgave voor onze toekomstige relatie met Afghanistan is om zorgvuldig af te stemmen op het eigen geluid en de eigen strategie van veranderingsgezinde krachten in de Afghaanse samenleving. Dat vraagt een flinke mate van bescheidenheid, wat niet de grootste van onze deugden is. We moeten afscheid nemen van – in de termen van Durrani – de door ons zo gekoesterde rol van “witte redders”.

Ze willen dus niet opnieuw door ons gered worden

Meer dan eens hebben leiders van Afghaanse maatschappelijke organisaties mij indertijd verzekerd dat ze onze waarden van democratie, mensenrechten en vrouwenrechten delen, maar dat ze de ruimte wilden om dat vorm te geven binnen hun eigen historische en culturele context.

Ze willen dus niet opnieuw door ons gered worden. Ze willen niet instappen in een ‘copy-paste model’ – niet alleen uit tactische overwegingen (gezien de achterban) maar om principiële redenen. Sociale context, geschiedenis en religie zijn voor hen geen lastige belemmeringen die opgeruimd moeten worden om ruim baan te maken voor de moderniteit, maar voor de pijlers waarop ze de toekomst van hun land willen bouwen.

Grotenhuis - Afghaanse mensenrechtenactivisten roepen tijdens een protest in Kabul op 3 september 2021 de Taliban op om de verworven rechten voor vrouwen te behouden. REUTERS
Afghaanse mensenrechtenactivisten roepen tijdens een protest in Kabul op 3 september 2021 de Taliban op om de verworven rechten voor vrouwen te behouden. © REUTERS 

In internationale samenwerking wordt vaak gesproken over het principe dat ‘partners in the lead’ zijn, maar het komt erop aan dat werkelijk vorm te geven in de solidariteit met Afghanistan. De door Durrani gevraagde solidariteit betekent dat de Afghaanse invulling van gedeelde waarden leidend moet zijn, ook als die invulling er anders uitziet dan partners zelf gewend zijn of graag zouden willen.

Second en third track diplomacy
Zogeheten first track diplomacy (formele onderhandelingen op regeringsniveau) met veel militair en diplomatiek geschut zal voorlopig niet effectief zijn om ruimte te creëren voor Afghanen als Durrani die zich inzetten voor de ontwikkeling van mensenrechten en goed bestuur. Als we in de nieuwe politieke werkelijkheid van Kabul diepere en bredere verbinding zoeken met de Afghaanse samenleving, dan moeten we kapitaliseren, oftewel voortborduren, op het werk dat in de afgelopen twintig jaar is verricht door vele internationale organisaties die zich met het land hebben verbonden.

Hun netwerken zijn het kapitaal waarop vormen van second en third track diplomacy gebouwd kunnen worden. Het gaat hierbij om de contacten en interventies die onder de radar van de officiële diplomatie functioneren. Dat tweede en derde niveau bestaat bijvoorbeeld uit ontwikkelingsorganisaties, vredesorganisaties en grensoverschrijdende sociale en culturele netwerken.

Ontwikkelingsorganisaties zullen zich opnieuw organiseren en hebben voldoende ervaring, slimheid en creativiteit om de basis die is gelegd niet verloren te laten gaan. In de tijd van de Nederlandse missie in Uruzgan moest ik militairen vaak uitleggen dat Cordaid in Afghanistan er was voor de ISAF-missie, en er ook zou zijn na de ISAF-missie.

De internationale netwerken van Afghanen zullen hun contacten in het land zelf blijven benutten. Ze zijn vaak niet zo zichtbaar en het levert ook niet direct grote successen op, maar ze zijn – als het ons echt te doen is om bevordering van mensenrechten, democratie en ontwikkeling – wel ons aanknopingspunt voor de toekomst.

Grotenhuis- Afghaanse schoolkinderen in Kabul in 2010. NATO Training Mission-Afghanistan
Afghaanse schoolkinderen in Kabul in 2010. © NATO Training Mission-Afghanistan

Vanuit Nederland zijn Cordaid, HealthNet-TPO, DCA-VET, Save The Children NL, Stichting Vluchteling en War Child nog steeds actief in Afghanistan. Via internationale koepels blijven onder andere Care, het Rode Kruis en Unicef actief.

Second en third track diplomacy bouwen dus op de realiteit dat de Afghaanse samenleving niet meer hetzelfde is als in 2002. Er is een hele generatie opgegroeid die heeft gezien dat het ook anders kan. Ondanks het vertrek van grote aantallen Afghanen zal er voldoende menselijk potentieel blijven om samen verder te werken.

Deze second en third track diplomacy hebben echter hun eigen dynamiek. Ik heb gedurende de missie in Uruzgan telkens moeite moeten doen om Kamerleden en diplomaten uit te leggen dat ze ngo’s niet voor hun karretje moesten spannen. Juist het eigen mandaat en de eigen aanpak van ngo’s is de komende jaren onmisbaar om bij te dragen aan Afghanistan.

Gaan we na deze chaotische weken het boek sluiten?

Er is, daarentegen, wel behoefte aan een platform waarin ambtenaren, maatschappelijke organisaties en transnationale netwerken van Afghanen elkaar ontmoeten om mogelijkheden op de tweede en derde niveau te onderzoeken en ontwikkelen.

Vluchten of blijven
De machtsovername door de Taliban heeft geleid tot een nieuwe uittocht van goed opgeleide Afghanen. Maar zoals altijd zullen niet alle veranderingsgezinde krachten het land verlaten. Het merendeel, waaronder Pashtana Durrani, zal blijven.
3
Gelukkig maar: zij zijn de mensen die de angst achter zich laten en daarom onmisbaar zijn bij het werken aan een betere toekomst. Zij moeten op ons kunnen rekenen.

Nu ISAF weg is en het Talibanregime aan de macht, dreigt onze betrokkenheid op een laag pitje te komen staan. Nederland heeft geen grote politieke of economische belangen bij het land. Gaan we na deze chaotische weken het boek sluiten? Twintig jaar ISAF-betrokkenheid en de ongetwijfeld moeilijke situatie van het grootste deel van de Afghaanse bevolking in de komende jaren vragen om voortzetting van ons engagement.

Na twintig jaar interventionisme is het tijd om de stap te zetten naar een nieuw tijdperk met nieuwe vormen van betrokkenheid. Zonder die transformatie is er pas echt sprake van een mislukking van de ISAF-missie.

  • 1. Mohammed Ayattolahi Tabaar, ‘Iran’s war within; Ebrahim Raisi and the triumph of the hard-liners, in: Foreign Affairs September October 2021.
  • 2. NOS, Uitzending NOS Journaal, 18 augustus 2021.
  • 3. Zie daarvoor o.a. R. Grotenhuis, Breed kijken: vluchten, migratie en sociale samenhang in mondiaal perspectief, achtergrondstudie voor het Wetenschappelijk Instituut van het CDA, december 2020.

Auteurs

René Grotenhuis
Associate researcher aan de Universiteit Utrecht en voorheen CEO van Cordaid.