Kritische flashbacks: Het kantelende beeld van dekolonisatie
Analyse Diplomatie en Buitenlandse Zaken

Kritische flashbacks: Het kantelende beeld van dekolonisatie

06 Feb 2018 - 16:54
Photo: Indonesische recruten van de Koninklijke Marine in Nederlands-Indië leren knopen leggen, periode 1940-1942. Bron: Fotocollectie Anefo / Nationaal Archief
Terug naar archief

De dekolonisatie van Nederlands-Indië blijft een omstreden onderwerp. Het verhaal wil dat het dekolonisatieproces elders probleemloos verliep, maar is dat het geval? Week Nederland met militair optreden af van het bestaande patroon? Historicus J.J.P. de Jong vergelijkt het dekolonisatieproces van Nederland met dat van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk.1

“Uitgesneden, verdrongen, verdwenen.” De dekolonisatie van Indië wordt nog steeds geen geschiedenis.2 Al decennia lang houdt dit als frustrerend ervaren Indië-verleden Nederland in een wurggreep. Weliswaar worden wij al sinds 1969 telkens weer met dat verleden geconfronteerd via ‘onthullingen’ over buitensporig geweld, maar het levert – net als in Groundhog day – steeds weer dezelfde feiten op en de geëmotioneerde debatten verdwijnen even snel als ze gekomen zijn. We jagen, aldus Remco Raben, al tientallen jaren achter hetzelfde spook aan.3

Desondanks is er een ‘accepted truth’. De meeste historici mogen er dan van overtuigd zijn dat Nederland het principe van de Indonesische onafhankelijkheid erkende, geen herstel van het koloniaal gezag nastreefde maar dekolonisatie en dat ‘de politionele acties’ uitsluitend plaatsvonden om impasses rond gesloten akkoorden te doorbreken, bij menigeen vormt het militair optreden juist het bewijs dat Nederland koste wat kost de Indonesische onafhankelijkheid in de kiem wilde smoren. Nederland stond, aldus de ministers Bot in 2005 en Hennis in 2016, bij ‘de politionele acties’ ‘aan de verkeerde kant van de geschiedenis’.

Hoe ritueel de gebedsmolens ook draaien, ze leveren desondanks een intrigerende vraag op. Goed, Nederland streefde allesbehalve koloniale restauratie na. Maar week het met zijn militair optreden toch niet wezenlijk af van het bestaande patroon? Immers, het verhaal wil dat de dekolonisatie elders probleemloos en zonder geweld verliep. Maar is dat het geval?

Fight or flight
Dat de dekolonisatie elders, zeker als het om de Britten ging, vrij positief verliep, is een overtuiging die bij vele historici tot ver in de jaren 1980 op het netvlies stond gegrift. Debet daaraan waren ogenschijnlijke succesnummers als het vertrek van de Britten uit het Indiaas subcontinent en het koloniale afscheid in Afrika.

deJong-foto1-De Koninklijke Marine in Nederlands-Indië. Marcherende mariniers tijdens een parade-1940-1942-Fotocollectie Anefo-Nationaal Archief
Marcherende mariniers van de Koninklijke Marine in Nederlands-Indië, begin jaren 40. Bron: Fotocollectie Anefo / Nationaal Archief

Deze nogal rooskleurige visie is echter steeds meer onder vuur komen te liggen. De Fransen worden, zo stelt de Britse historicus Martin Thomas, vanwege hun traumatisch verlopen oorlogen in Indo-China en Algerije veelal negatief beoordeeld, maar de overeenkomsten met Engeland zijn groter dan de verschillen. Er waren zowel voorbeelden van overhaast vertrek, zoals in India in 1947, in Burma en Palestina in 1948, in Marokko en Tunesië in 1956, maar ook voorbeelden hoe de koloniale macht besloot zich in te graven en het uit te vechten. Niet alleen de Fransen, ook de Britten besloten tot oorlog: in Malakka, Kenia en Cyprus.4

Fight or flight vormt, kortom, voor Thomas het uitgangspunt. Maar dat lijkt, zeker met de inmiddels uitvoerig bestudeerde cases India en Indonesië in de hand, een toch wat al te strakke, zo niet ongenuanceerde benadering. Wanneer de kolonisator voor flight via soepel overleg koos, bleek dit niet altijd mogelijk. Hij kon worden geconfronteerd met puur geweld, met opstanden, met revolutie – zoals Vietnam, Indonesië, Algerije, Malakka, Kenia, Madagascar en Cyprus lieten zien. De naar onafhankelijkheid snakkende koloniën bevatten soms aanzienlijke Europese groepen die de oude banden niet wilden slaken of zoveel mogelijk wilden handhaven: Indonesië, Algerije, Kenia, Rhodesië, Angola en Mozambique. Soms was er ook geen sprake van een eenduidige nationalistische stroming, maar van uiteenlopende, met elkaar conflicterende stromingen zoals in India, Algerije, Nigeria, Palestina en Cyprus.

Militair ingrijpen door de koloniale macht vormde dan ook een duidelijke factor in het dekolonisatieproces en varieerde van een reactie op opstand of revolutie (Algerije, Indonesië, Kenia), van pogingen om een aanzienlijke invloed na de onafhankelijkheid te verzekeren (Malakka, Indo-China), een ongewenste partij een kopje kleiner te maken en/of de positie van een onderhandelingspartij te versterken (Malakka en Indonesië).

Militair optreden en dekolonisatie sloten elkaar bepaald niet uit

Intussen speelde zich in veel gevallen aan het thuisfront een heftige strijd af. Dat front was daarbij meestal verdeeld tussen voorstanders van een zo snel mogelijke dekolonisatie (veelal linkse groeperingen) en groepen die de oude positie wilden handhaven (onverkort, via een forse koloniale vinger in de pap of via ‘puppet states’ ). Last but not least speelden de nieuwe wereldmachten de Verenigde Staten de Sovjetunie een cruciale rol.

Dit hele complex van krachten en tegenkrachten leverde vaak grote problemen en aanzienlijke verschillen in aanpak op, al was het einde van het liedje vrijwel altijd dekolonisatie en vertrek. Op de vraag die ik hierboven stelde, past dan ook een kort en krachtig antwoord: er bestond geen eenduidig patroon van dekolonisatie. Militair optreden en dekolonisatie sloten elkaar bepaald niet uit. Er bestaat niet zoiets als een ‘goede’ of ‘verkeerde kant van de geschiedenis’.

Deze hele discussie levert wel een andere, dwingende vraag op. Als die dekolonisatie in Engeland en Frankrijk zo weerbarstig was, hoe werkte dat in deze landen na het massale afscheid uit? Vonden er ook daar discussies plaats over het gevoerde beleid? Kwam het net als in Nederland ook elders tot discussies over het gebruikte geweld?

Frankrijk: Een nationaal trauma5
In Frankrijk heerste na de gecompliceerde en bloedige oorlog in Algerije een periode van windstilte. De regering dekte de gebeurtenissen bewust toe. Reeds  tijdens de Guerre d’Algerie werden er debatten gevoerd over geweldsexcessen tussen intellectuelen, zoals de filosoof Jean Paul Sartre en de schrijver François Mauriac en vertegenwoordigers van het leger, maar tot een grootschalig publiek debat kwam het niet, ook niet toen de eerste historici zich op het onderwerp stortten. 6

deJong-foto5-Maqam El Chadid-nationaal herdenkingsmonument in Algerije-herdenkt de Algerijnse slachtoffers van de Algerijnse onafhankelijksoorlog tegen de Fransen-Henry Marion-Flickr
Het nationaal herdenkingsmonument in Algerije ter nagedachtenis van de Algerijnse slachtoffers van de onafhankelijkheidsoorlog tegen de Fransen. Bron: Henry Marion / Flickr

Daar kwam pas in 2000 verandering in, toen Franse generaals na geruchtmakende onthullingen door een Algerijns slachtoffer opening van zaken gaven. Het buitensporig geweld bleek allesbehalve incidenteel en had plaatsgevonden op uitdrukkelijk bevel van de Franse regering. Het handelde, zoals nader historisch onderzoek door Raphaele Branche aanscherpte, om een uitgebreid systeem van folteringen als onderdeel van psychologische oorlogsvoering, van illegale executies, van massale deportatie naar nieuw opgezette bewaakte dorpen.7De verontwaardiging werd nog groter toen het Franse parlement de positieve rol van het Franse kolonialisme wilde vastleggen in het geschiedonderwijs. De maatregel werd daarop snel ingetrokken.

Er ontwikkelde zich een ware guerre des memoires, waarbij de critici zich spiegelden aan de goed-fout-schema’s van de Tweede Wereldoorlog, aan de wandaden van het Vichy-regime, terwijl hun tegenstanders – de Franse settlers, de ‘pieds noirs’, en veteranen – hun kant van de medaille en met name het extreme Algerijnse geweld schetsten. “Pour la France, ce conflit aura été le second grand traumatisme national du siècle, après l’effondrement de 1940,” constateerde Le Monde.8

Merkwaardig was dat de historici ondanks een stroom van publicaties in dit debat nauwelijks een rol speelden. In 2004 stelden de historicus Benjamin Stora en een Argentijnse collega een imposant overzichtswerk samen: Lagquerre d’Algerie. La fin d’amnesie, waarin een groot aantal Franse en Algerijnse specialisten bestaande stereotypen, mythes en opinies evalueerden. Het boek verraste vriend en vijand door beide kanten van de medaille, zowel de Franse als de Algerijnse, kritisch onder de loep te nemen. Het waren evident belangrijke sprongen vooruit, maar op de debatten hadden zij (met uitzondering uiteraard van Raphaele Branche) weinig invloed. De discussie concentreerde zich louter op het toegepaste Franse geweld. De bredere thematiek kwam niet aan de orde.9

Dit debat der doven duurt dan ook tot op de dag van vandaag voort. Intussen zetten migrantengroepen uit de voormalige koloniën het verleden steeds meer in als hefboom bij hun streven naar emancipatie. Mede onder hun invloed breidde het debat zich uit tot een discussie over het gehele Franse koloniale verleden.

Engeland: Nostalgie en kritiek
In het Verenigd Koninkrijk daarentegen was geen sprake van een langdurige windstilte. Er bestond eerder een neiging tevreden terug te blikken. Politici als Harold Macmillan en historici als Lawrence James waren het roerend eens. Engeland had, geconfronteerd met een weerbarstig nationalisme en de veranderde realiteiten in het wereldgebeuren, de bakens tijdig verzet. Zaten de principes van emancipatie, van ‘home rule’ en dus van vertrek niet in het Britse systeem ingebakken? Al groeide onder historici in Engeland en de voormalige koloniën een kritische onderstroom – met name de ‘Partition’ in India lag onder vuur – bij het grote publiek bestond een duidelijke neiging vast te houden aan de gloriedagen uit het verleden.10

deJong-foto3-India-Souvenir of Wembley 1924 (British Empire Exhibition)-Matt Kleffer-Flickr
 Bij het grote publiek in het Verenigd Koninkrijk bestond een duidelijke neiging vast te houden aan de gloriedagen uit het verleden. Bron: Matt Kleffer / Flickr

Het getij veranderde echter drastisch. In het eerste decennium van de nieuwe eeuw publiceerde een aantal historici uitvoerige studies over het Britse beleid tegenover de Mau Mau-opstand (1952). Van het beeld van een welwillende dekolonisator bleef weinig over. De historici onthulden dat er in Kenia sprake was geweest van systematische repressie: massale internering zonder vorm van proces, folteringen, massale ‘resettlement’ in ‘enclosed villages’ conform het systeem van scheiding van bevolking en guerrillastrijders dat ook in Malakka en eerder al tijdens de oorlog met de Boeren was toegepast.

De discussie spitste zich toe. Vertrok Engeland bij de dekolonisatie nu vrijwillig of werd het gedwongen? Revisionistische historici betoogden het laatste. Volgens anderen was er wel degelijk sprake van vrijwillig vertrek, maar wel strikt op Britse voorwaarden. Om deze af te dwingen, aldus Grob-Fitzgibbon, werd soms grof, excessief militair geweld gebruikt.11

Desondanks hadden de onthullingen op de publieke opinie slechts een bescheiden invloed. Hoewel een aantal Keniase slachtoffers prompt processen aanspanden die net als in Nederland uiteindelijk uitmondden in excuses van de regering en een schaderegeling, was van brede verontwaardiging geen sprake. The British people have never been terribly interested in their empire,” aldus de historicus Potter.12 Het enige protest dat was te horen, kwam van groepen migranten die in de excessen hun oordelen bevestigd zagen over de koloniale periode die toch al steeds steviger werd ingekleurd door de herinneringen aan de slavernij.

Het buitensporig geweld
Dat de dekolonisatie in een aantal gevallen een bijzonder complex verloop kende en er net als in Indonesië, Algerije en Kenia sprake was van buitensporig geweld, staat nu wel als een paal boven water. In alle drie gevallen was sprake van een gewelddadige opstand, een revolutie die uitmondde in een burgeroorlog (nationalisten versus settlers en bepaalde inheemse groepen), van een oorlog met een sterk asymmetrisch karakter. Naast frappante overeenkomsten bestaan er echter ook grote verschillen.

Terwijl het buitensporig geweld in Frankrijk en Nederland tot heftige publieke discussies leidde, was dat in Engeland vrijwel niet het geval

Wat meteen opvalt is dat dit excessief geweld zowel in het Franse als in het Britse geval onderdeel was van een systematisch, grootschalig beleid dat van bovenaf door beide regeringen werd verordonneerd; het contrasteert met Nederland waar – op Zuid-Celebes na – van bovenaf verordonneerd extreem geweld geen sprake was. Het extreem geweld in Indië was, zoals Van Doorn en Hendrix reeds in hun werkelijk briljante Ontsporing van geweld constateerden, weliswaar grootschalig, maar het beperkte zich tot bepaalde eenheden.

deJong-foto4-Minister-president Rutte inspecteert de erewacht bij het Indonesische presidentiële paleis.nov 2013-Minister-president Rutte-Flickr
Minister-president Rutte inspecteert de erewacht bij het Indonesiche presidentiële paleis tijdens zijn bezoek aan Indonesië in 2013. Bron: Minister-president Rutte / Flickr 

In alle drie landen werden vroeg of laat de schijnwerpers op deze duistere plekken in het verleden gericht, maar dat pakte wel verschillend uit. Terwijl het buitensporig geweld in Frankrijk en Nederland tot heftige publieke discussies leidde, was dat in Engeland vrijwel niet het geval. Ook de invalshoeken waren verschillend. Frankrijk en Nederland kenden een Duitse bezetting. In beide landen fungeerde de Tweede Wereldoorlog dan ook als een dominant referentiekader; in Engeland was daarvan geen sprake. Verder speelde het verschil in politieke situatie een rol. Het dekolonisatieproces was in Frankrijk en Nederland gepaard gegaan met hoog oplopende intern politieke conflicten, terwijl dit in Engeland nooit veel oppositie had ontmoet.

Desondanks pakten de debatten in Frankrijk en Nederland verschillend uit. De Tweede Wereldoorlog vormde in Frankrijk weliswaar de dominante invalshoek, maar voor de ‘pieds noirs’ en veteranen was dit allereerst de burgeroorlog in Algerije. In Nederland bleef echter de Tweede Wereldoorlog het exclusieve referentiekader. De Bersiap-periode met zijn tienduizenden Nederlandse slachtoffers en de verhalen van de veteranen speelden nauwelijks een rol. Hoewel veteranen zich tot in de jaren negentig stevig roerden, was er van een werkelijke guerre des memoires geen sprake.

In de fixatie op het buitensporig geweld stemmen Frankrijk en Nederland echter weer overeen. Er zijn in beide landen boekenplanken vol geschreven, maar het dringt allemaal niet door. Ontsporing van geweld dateert reeds van 1970! Ondanks hun moraliserende claims op hun historisch gelijk staan ook de discussianten in Nederland met hun rug naar de geschiedenis. Zij hopen dat het pas gestarte grootscheepse historisch onderzoek door drie gerenommeerde instituten “eindelijk de waarheid boven water zal brengen”. Maar geen enkele schets van het militair optreden, hoe voortreffelijk ook, kan recht doen aan de complexiteit van het Indonesische drama dat allereerst een politieke, diplomatieke en internationale toonzetting had, geen primair militaire.

  • 1. De Jong zijn dank gaat uit naar zijn zoon M.A.G. de Jong van wiens literatuuronderzoek inzake het Frans en Brits counter insurgency-beleid hij duchtig gebruik mocht maken.
  • 2. Zie H.L. Wesseling, Indië verloren, rampspoed geboren, Amsterdam, 1988, pp. 305-308.
  • 3. J.J.P. de Jong, De terugtocht. Nederland en de dekolonisatie van Indonesië, hoofdstuk 17; Remco Raben in Historici.nl , 23-12-2015. Ook de recente publicaties van R. Limpach en G. Oostindië leverden au fond weinig nieuws op, hoe uitstekend zij ook waren als samenvattingen en evaluatie van de al bestaande literatuur.
  • 4. Martin Thomas, Fight or Flight. Britain, France and Their Roads from Empire, Oxford University Press 2014.
  • 5. Onderstaande schets is, voor zover niet anders vermeld, gebaseerd op Emmanuel Brillet in: Cultures et Conflits, No. 41. 2001; Sylvie Thénault in: Vingtième Siècle. Revue d'histoire, No. 85. 2005; Dirk Petter in Internationale Schulbuchforschung, Vol. 30, No. 3. 2008; Christoph Kalter & Martin Rempe in: Geschichte und Gesellschaft, 37. Jahrg.H. 2011.
  • 6. Zie Benjamin Stora, La gangrene et l’oubli. La memoire de la guerre d’Algerie, 1991; Pierre Miguel, La Guerre d’Algerie 1954-1962. 1992.
  • 7. Raphaele Branche, "La torture et l'armée pendant la guerre d'Algérie", 2001.
  • 8. Le Monde, 30 oktober 2014.
  • 9. Emmanuel Brillet in: Cultures et Conflits, No. 41. 2001, p. 47.
  • 10. Bovenstaande schets is onder meer gebaseerd op: Martin J. Wiener in The Journal of the Historical Society, Vol 13, issue 1, 25 maart 2013; Harold Macmillan, Pointing the way, London, 1972; Lawrence James, The rise and fall of the British empire, London, 1994, p. xiv; Roderick MacFarquhar in de New York Review of Books, 24 september 2009.
  • 11. Mark Curtis, Web of Deceit: Britain’s Real Role in the World. London: Vintage, 2003; Caroline Elkins, Britain’s Gulag: The Brutal End of Empire in Kenya, London, 2005; David Anderson, Histories of the Hanged: Britain’s Dirty War in Kenya and the End of Empire, London, 2005. Voor een overzicht van de Britse historiografie zie ook Henk de Jong in ‘The Paradox of Leaving’, Netherlands Annual Review of Military Studies, 2015, pp. 32-38.
  • 12. Bernard Potter in London Review of Books, 3 maart 2005.

Auteurs

J.J.P. de Jong
Historicus