Nederland wist ook in 1915-1917 van de Armeense genocide
Analyse Diplomatie en Buitenlandse Zaken

Nederland wist ook in 1915-1917 van de Armeense genocide

28 Apr 2021 - 10:34
Photo: De Armeense leider Papasyan kijkt naar overblijfselen na de massamoord nabij Deir-ez-Zor in 1915-1916. © Wikimediacommons
Terug naar archief
Author(s):

Meer dan honderd jaar na dato is de Armeense genocide nog steeds onderwerp van maatschappelijk en politiek debat. Er is echter weinig bekend over de reactie van het christelijke en neutrale Nederland, ruim een eeuw geleden. Vele Nederlanders waren ooggetuigen van wat in die tijd de moord “op nagenoeg een geheel volk” werd genoemd.1

Nederland was rond 1900 een klein land met een buitenproportioneel groot koloniaal rijk, met Nederlands-Indië als kroonjuweel. Het land was daarnaast hoofdzakelijk christelijk, weliswaar verzuild, met een koningin die overtuigd protestantschristelijk was. Nederland streefde tenslotte strikte neutraliteit na en had het idee een bijzonder land met een missie te zijn, zeker na de internationale vredesconferenties van 1899 en 1907 in Den Haag.

De Armeense boeren en handwerkslieden waren in de praktijk tweederangsburgers

Sinds 1612 onderhield Nederland diplomatieke en handelsrelaties met het Ottomaanse Rijk. De meerderheid van dit rijk bestond uit islamieten: soennieten, sjiieten en alevieten. De Armeniërs waren binnen het immense multi-etnische en multireligieuze rijk één van de christelijke minderheden, naast de Grieken, Nestorianen en Assyriërs. De Armeniërs onderscheidden zich met name in de handel, door hun eigen religie (de Armeens orthodoxe kerk), door hun eigen taal (het Armeens) en door hun eigen schrift.

Het Armeense dorp Bitlis Vilayet in 1901. Wikimediacommons
Het Armeense dorp Bitlis Vilayet in 1901. © Wikimediacommons

De Armeense boeren en handwerkslieden in de oostelijke vilayets (provincies van het Ottomaanse Rijk) waren in de praktijk tweederangsburgers, in het land waar zij al sinds ver voor het begin van de jaartelling woonden. De Armeense boeren zuchtten onder de dubbele belastingen van zowel de Koerdische leiders als van de Ottomaanse overheid.

Dit leidde tot groeiende spanningen tussen de Armeense boerenbevolking en de Koerdische agha’s  (stamleiders onder de Koerden) in de Turkse regio Oost-Anatolië, zag de toenmalige Nederlandse gezant in Constantinopel, Van Tets van Goudriaan, in 1889: “Het Armeensche ras is sinds mensenheugenis het lijdzame slachtoffer geweest van plunderingen door de hen omringende volken, met name de Koerden.”2 De Armeniërs verloren hun bezit, hun eer en soms hun leven.

De centralisatiepolitiek van de Ottomaanse sultan Abdul Hamid II – die de Koerden ondersteunde met de oprichting van de naar hemzelf vernoemde ‘Hamidiye regimenten’ – botste met het nationalisme van de net opgerichte Armeense revolutionaire comités, zoals de Hunchaks en Dashnaks.

Vanaf 1889 waren er verschillende incidenten die de spanningen verder deden oplopen, variërend van de ontvoering van een Armeens meisje door de Koerdische leider Moussa Bey, tot een protestactie in de Ottomaanse hoofdstad Constantinopel.

Begeleid door Turkse soldaten marcheren Armeniërs naar een gevangenis bij Mezireh in 2015 in het toenmalige Ottomaanse Rijk. Wikimediacommons.jpg
Begeleid door Turkse soldaten marcheren Armeniërs naar een gevangenis bij Mezireh in 2015 in het toenmalige Ottomaanse Rijk. © Wikimediacommons

Tussen 1894 en 1897 vonden er grootschalige pogroms3 plaats in de door de Armeniërs bewoonde vilayets en steden, waarbij meer dan honderdduizend Armeense slachtoffers vielen. Deze pogroms kregen onder meer de naam takdir (tuchtiging) van de Armeniërs. Verschillende Nederlandse getuigen – zoals consuls, toeristen, missionarissen, schrijvers en kunstenaars – zagen dat de Ottomaanse overheden, waaronder politie, leger en vali’s (gouverneurs van vilayets), betrokken waren bij de organisatie hiervan.

Nederlandse kranten omschreven wat een pogrom betekende in de Ottomaanse praktijk: “Ene menschenslachterij in het groot.”

Zo schreef de Limburgse missionaris Maternus Muré: “De Turksche ambtenaren, burgers en soldaten vertoonden zich in de straten onder het geschreeuw: ‘Dood aan de christenen’.”4 Ook de Nederlandse kranten omschreven wat een pogrom betekende in de Ottomaanse praktijk: “Ene menschenslachterij in het groot.”5 De beloofde hervormingen (met name in bestuur en de gelijkberechtiging van de Armeniërs) uit 1878, die opnieuw in 1895 een rol speelden, waren een terugkerend thema.

Er waren meerdere dadersgroepen naast de Koerden en Turken, zoals Lazen, Turkmenen, Circassiërs (Tserkessen) en muhajirs (moslimvluchtelingen van de Balkan en uit de Kaukasus). Daartegenover waren er ook moedige Ottomaanse burgers (moslims) die de Armeniërs onderdak boden en redden van een wisse dood.

De Nederlandse reacties beperkten zich tot het inzamelen van geld vanuit Nederland en Nederlands-Indië voor de slachtoffers, het redden van enkele Armeense levens door Nederlandse diplomaten en de woorden van medeleven in de Tweede Kamer. Meer was ook niet mogelijk, omdat Nederland geen ondertekenaar was van het Verdrag van Berlijn uit 1878, dat de grootmachten het recht verleende in te grijpen als de Armeniërs bedreigd werden.

Na de mislukte aanslag op sultan Abdul Hamid II in 1905 door de Armeense Dashnaks en de Belgische anarchist Edward Joris, waren het de Jong-Turken die in 1908 een staatsgreep pleegden. Zij maakten aldus een einde aan het dertigjarig autoritair bestuur van Abdul Hamid II, die sinds 1876 het immense rijk regeerde met ijzeren hand. Spontaan gingen alle bevolkingsgroepen de straat op om dit heugelijke feit te vieren.

In Cilicië (een landstreek in hedendaags Turkije) bracht dit nieuws over de komende veranderingen echter veel onrust teweeg, met name onder de conservatieven die de gelijkheid van de Armeniërs vreesden. Dit leidde tot bijzonder gewelddadige pogroms jegens de Armeniërs, die het nieuwe regime van de Jong-Turken ondersteunden.

Armeense vluchtelingen in 2015. Wikimediacommons
Armeense vluchtelingen in 1915. © Wikimediacommons

Meer dan twintigduizend Armeniërs waren het slachtoffer van deze pogroms, die tweemaal drie dagen lang woedden in de vilayets Adana en Aleppo. “Adana geleek een abattoir”, ofwel een slachthuis, schreef een Nederlandse krant.6

De teleurstellende verliezen in de Balkanoorlogen (1912-1913) waren voor de Jong-Turken aanleiding om het roer ideologisch om te gooien. In plaats van Ottomanisme (plaats voor meer volken) kwam het engere Turkisme (plaats voor één volk) naar voren. De aanstelling van Louis Westenenk in 1914 (voormalig bestuursambtenaar in Nederlands-Indië) als inspecteur-generaal in Armenië namens de grootmachten deed de hoop opleven dat er in positieve zin veranderingen voor de Armeniërs zouden komen.

De Jong-Turken, in de persoon van Talaat Pasja, beëindigden de missie van Westenenk naar aanleiding van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Zij maakten zo ook een einde aan de gehate hervormingen, die sinds 1878 als een molensteen om de nek van de (Jong-)Turken hing. De hervormingen op bestuurlijk gebied om de Armeniërs gelijkberechtiging te geven waren volgens de Jong-Turken een inmenging in de binnenlandse zaken van het rijk.

Het begin van de Eerste Wereldoorlog bleek een voorbode van wat er zou kunnen komen. Het waren eerst de Grieken aan de westkust van Anatolië, een gedeelte van hedendaags Turkije, die met geweld door de Jong-Turken verdreven en gedeporteerd werden van de kusten waar ze al meer dan tweeduizend jaar woonden. De Nederlandse diplomaten waren hier getuige van.

Er zou in het rijk van de Jong-Turken geen plaats meer zijn voor christelijke minderheden zoals de Armeniërs

De Jong-Turken kozen bewust voor oorlog na een geheim pact met Duitsland. Ze hadden grote dromen over een hernieuwd rijk tot achter de Kaukasus; een groot rijk waar een meerderheid van soennitische moslims zou heersen. In dat rijk zou geen plaats meer zijn voor christelijke minderheden als de Armeniërs en de Nestorianen of afvallige moslims als sjiieten en alevieten.

De nederlagen in het begin van 1915, in de sneeuw bij Sarikamish tegen de Russen en in de hitte bij het Suezkanaal tegen de Britten, ontketenden een radicalisering onder de Jong-Turken. Dit leidde tot harde maatregelen met onverbiddelijke consequenties voor de Armeniërs.

Dit begon met het doden van de ongewapende Armeense mannen in de zogeheten Amele Tabouri, de werkbataljons. Hiervoor was onder andere de Teşhkilat-i Mahsusa verantwoordelijk, de geheime dienst van het Ottomaanse Rijk die bestond uit speciaal opgeleide troepen die eerder tegen de Grieken optraden. Daarna werden de vrouwen, kinderen en ouderen in de zomer van 1915 naar de Syrische woestijn gedeporteerd, met een bijna zekere dood als gevolg.

Overlevenden van de Armeense genocide, ontdekt in Salt en naar Jeruzalem gestuurd in april 1918. © Wikimediacommons
Overlevenden van de Armeense genocide, ontdekt in Salt en naar Jeruzalem gestuurd in april 1918. © Wikimediacommons

De werkelijke omvang van de gebeurtenissen werd voor de buitenwacht, waaronder het Nederlands gezantschap, pas na 24 april 1915 duidelijk. Toen werden de Armeense intelligentsia op ‘Rode Zondag’ massaal zonder aanklacht opgepakt in Constantinopel. Ze werden gedeporteerd naar het binnenland van Anatolië, waar weinigen levend van terugkeerden.

Het Nederlands gezantschap ontving informatie over de Medz Yeghern (‘het grote kwaad’) van de Duitse en Amerikaanse ambassadeurs, vertegenwoordigers van het Vaticaan en neutrale getuigen die het land doorkruist hadden.

De Nederlandse gezant Van der Does de Willebois concludeerde in september 1915 dat de Armeniërs werden uitgeroeid: “Men kan zeggen dat het Armeensch vraagstuk is opgelost in overeenstemming met het beruchte la tranquilité règne à Varsovie" (er heerste stilte in Warschau).7 Dit was een verwijzing naar het bikkelharde optreden van de Russische troepen tegen de Polen in Warschau in 1830-1831. Het was ook stil geworden in Armenië.

Daarnaast zag hij ook planmatigheden in het optreden van de Jong-Turken: “Duizenden Armenische families worden weggejaagd en uit hunne woonplaatsen verdreven om plaats te maken voor Mohammedanen.”8

De Nederlandse pers zag de gewelddaden voor wat ze waren, ‘de moord op een volk’

Een onbekend Armeens meisje van vijftien uit Deir-es-Zor in hedendaags Syrië beschreef, bijna literair, wat een volkenmoord betekende en wat de krachten van Amalek (het kwaad) teweegbrachten: “Deir-es-Zor, een groot kerkhof, waar men de levenden begroef. Deir-es-Zor, een vervloekt oord, waar men een volk van honger liet sterven. Deir-es-Zor, de hel op aarde, waar het kwaad zijn grootste macht ontvouwde, waar het menschelijk hart in al zijn slechtheid liet zien, waartoe het in staat was. Deir-es-Zor, ik weet niet, wat te zeggen.”9

De Nederlandse pers zag de gewelddaden voor wat ze waren, ‘de moord op een volk’. Zo schreef de Tilburgsche Courant in oktober 1915: In naam der menschelijkheid, houdt op!”10 Alleen van het Duitse en Turkse gezantschap kwamen berichten die ontkenden dat de Armeniërs enig onrecht was aangedaan.

De kritische tekeningen van de Nederlandse spotprenttekenaar Louis Raemaekers werden, nadat hij uit Nederland was vertrokken naar Groot-Brittannië en later naar de Verenigde Staten, een krachtig wapen voor de propaganda van de Entente – het bondgenootschap van Groot-Brittannië, Frankrijk en Rusland, later ook met andere landen. Raemaekers tekende ook prenten voor het Lord Mayor of London Fund, een steunfonds om de Armeense slachtoffers te ondersteunen.11

Drost-Het Genocidemonument in Almelo is een monument ter gedachtenis aan de Armeense Genocide van 1915 tot 1917 in het voormalige Ottomaanse Rijk. Het monument is opgericht op 24 april 2014. Wikimediacommons
Het Genocidemonument in Almelo is een monument ter gedachtenis aan de Armeense genocide. Het monument is opgericht op 24 april 2014. © Wikimediacommons

In 1917 kwamen er, onder invloed van een heus propagandaoffensief van de Entente, meer directe en meer open reacties uit Nederland. Er werd een nationaal comité opgericht om de Armeniërs te ondersteunen: het Nederlandsch comité tot hulpbetoon aan de noodlijdende Armeniërs.

In dit comité gaven bekende politici een stem aan hen die de vervolgingen van de Armeniërs veroordeelden: “Het is nauwlijks te gelooven, dat in de twintigste eeuw de uitroeiing van nagenoeg een geheel volk onder zoo ontzettende omstandigheden, op onze aardbodem nog mogelijk was.”12

Tevens kwam het tot een openlijke twist tussen Abraham Kuyper, Nederlands politicus van de Anti-Revolutionaire Partij, en Alexander de Savornin Lohman, Nederlands politicus van de Christelijk-Historische Unie. Kuypers volgde Duitsland trouw in de opvatting dat de Armeniërs zelf schuld droegen aan het geweld.

Daartegenover stond De Savornin Lohman achter Johannes Lepsius, de protestantse zendeling en oriëntalist uit Duitsland die uitgeweken was naar Nederland in juli 1916 om zijn activiteiten ten bate van de Armeniërs voort te zetten, en de schuld aan de Jong-Turken en hun aanhangers gaf.

De twee grootmachten, Groot-Brittannië en Duitsland, zagen graag dat Nederland hun zijde zou kiezen en spendeerden veel geld om dit doel te verwezenlijken. Duitsland meende dat de Armeense gruwelen, de Armeniergreuel, uit de Britse koker kwamen: “Englands Armenier-Bluff.”13

Toch vonden de Duitsers het moeilijk antwoord te geven op de Greuelpropaganda (gruwelpropaganda). Ze waren vanzelfsprekend goed op de hoogte van de werkelijkheid in het Ottomaanse Rijk, maar probeerden alles in de doofpot te stoppen om maar niet van Mitschuld (medeplichtigheid) beschuldigd te worden.

We concluderen dat de Nederlandse regering op de hoogte was van de vervolgingen van de Armeniërs in het Ottomaanse Rijk

Zo werd ook de Nederlandse parlementariër Graaf van Bijlandt, toen hij informeerde naar de waarheid omtrent de ‘Armeense gruwelen’, met een kluitje in het riet gestuurd door de Duitse gezant en het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken. Een steunpilaar in Nederland voor de Duitsers was de belangrijke politicus Abraham Kuyper: “Ein aufrichtiger Freund und Verehrer der Mittelmachte”14 – oftewel, een echte vriend en bewonderaar van de Centraal-Europese machten.

Tot slot kunnen we concluderen dat de Nederlandse regering op de hoogte was van de vervolgingen van de Armeniërs in het Ottomaanse Rijk. Nederland wist van de pogroms tussen 1894 en 1897 en van die in 1909 in Cilicië. Daarnaast was Nederland op alle niveaus op de hoogte van de Armeense genocide tussen 1915 en 1917.

De eminente geschiedschrijver van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog, dr. Lou de Jong, schreef in de jaren zeventig dat de moord op één miljoen Armeniërs “in ons land nagenoeg onbekend” was.15 Daarin had hij zich dus vergist.

Op 24 april was er zoals elk jaar een wereldwijde herdenking van de Armeense genocide, van Dzidzernakaberd in Jerevan tot plaatsen in Uruquay en Australië, en ook in Nederland. Ze herdachten dus de gebeurtenissen waarvan ook de Nederlanders destijds goed op de hoogte waren.

De Armeense gruwelenDeze bijdrage is deels gebaseerd op het boek ‘De Armeense Gruwelen’ van Dirk Roodzant.  

  • 1. ‘Marteling der Armeniërs in Turkije’, Het Nederlands Comité tot hulpbetoon aan de noodlijdende Armeniërs, Haarlem, 1918, pagina 6.
  • 2. Gezant Van Tets van Goudriaan aan minister van Buitenlandse Zaken Hartsen, 19 juli 1889, Pera, No. 829/143, Nationaal Archief 2.05.19/44.
  • 3. Pogroms zijn gewelddadige aanvallen op een bepaalde bevolkingsgroep.
  • 4. ‘De Nederlandse missionarissen in Armenië’, Tilburgsche Courant, 2 februari 1896.
  • 5. ‘Buitenland’, Leeuwarder Courant, 31 augustus 1896.
  • 6. ‘De opstand in Turkije’, Algemeen Handelsblad, 23 april 1909.
  • 7. Gezant Van der Does de Willebois aan de minister van Buitenlandse Zaken Loudon, 1 september 1915, Pera, No. 914/302, Armenische gruwelen, Nationaal Archief 2.05.18/742.
  • 8. Gezant Van der Does de Willebois aan de minister van Buitenlandse Zaken Loudon, 23 juni 1915, Pera, No. 663/229, Nationaal Archief 2.05.29/45 en Nationaal Archief 2.05.18/605.
  • 9. Levensgeschiedenis ‘Gebroken levens’ anoniem (handgeschreven), Morgenlandzending Archief, No. 547 in Utrechts Archief. Deir-es-Zor ligt in de Syrische woestijn en was het eindstation van de Armeense deportatie en vormde dus het Armeense Golgotha.
  • 10. ‘In naam der menschelijkheid houdt op!’, Tilburgsche Courant, voorpagina, 14 oktober 1915.
  • 11. Het Lord Mayor of London Fund was in oktober 1915 opgericht en de eerste donaties dateerden van 21 oktober 1915. ‘First list of donations’, 21st of October 1915, British National Archives, Foreign Office, 96/205.
  • 12. ‘Marteling der Armeniërs in Turkije’, Het Nederlandsch Comité tot hulpbetoon aan de noodlijdende Armeniërs, 1918, Haarlem, pagina 6.
  • 13. Hamburger Nachrichten, 9 oktober 1915.
  • 14. Abraham Kuyper, Lebensläufe 1915-1918, Politisches Archiv des Auswärtiges Amts, Berlin, Gesandschaft Haag, No. 23, Abraham Kuyper.
  • 15. Lou de Jong, ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’, NIOD, Deel VII, p. 308, noot 2.

Auteurs

Dirk Roodzant
Historicus