China op ramkoers met het Westen
Analysis Diplomacy and Foreign Affairs

China op ramkoers met het Westen

05 Feb 2019 - 14:05
Photo: Pixabay
Back to archive

De legitimiteit van de Communistische Partij van China valt of staat met het creëren van welvaart. Peking moet daarom wel de technologieën van de 21ste eeuw domineren. De strijd met de Verenigde Staten is nog maar net begonnen.

Niet lang voor zijn overlijden in 1997 adviseerde de iconische leider Deng Xiaoping in een ‘Richtlijn voor buitenlandse politiek' in 24 karakters hoe zijn opvolgers zich tegenover het buitenland dienden te gedragen. De bekendste daarvan luidt taoguang yanghui – ‘verberg de glans en voed het vage’. Chinese leiders bedienen zich graag van even bombastische als vage terminologie, dus wat Deng hier precies mee bedoelde blijft discussievoer voor sinologen. De gangbare uitleg is dat China zich internationaal bescheiden moest opstellen om geen reacties te ontlokken die de rechtmatige terugkeer op het hoogste podium zouden kunnen verstoren. ‘Terugkeer’, want nog in het begin van de 19e eeuw had het China van de Qing-dynastie de grootste bevolking, het grootste grondgebied en de grootste economie ter wereld.

Achteraf bezien bleek deze bloei het begin van het einde: het in zich zelf gekeerde keizerrijk kon de spectaculaire technologische en militaire revolutie in het Westen niet bijbenen, en werd vanaf de Opiumoorlog van 1840 gedegradeerd tot een vazalstaat van de Westerse mogendheden en Japan. Om het land te redden van de ondergang pleitte de zogenaamde ‘Zelfversterkingsbeweging’ aan het einde van de 19e eeuw voor het beleid van zhongti xiyong – ‘behoud van de Chinese essentie,  toepassing van Westerse technologie’. Met uitzondering van de iconoclast Mao Zedong, die de Chinese cultuur juist wilde vernietigen en alleen technologie uit de Sovjet-Unie invoerde, heeft deze slogan het denken van iedere leider van de Volksrepubliek China bepaald. Maar accentverschillen zijn er wel. Zo heeft de huidige leider Xi Jinping Dengs oproep tot bescheidenheid aan de wilgen gehangen. Tijdens zijn marathontoespraak van drie en half uur op het 19e Partijcongres van oktober 2017, pochte de grote leider dat ‘China verheven en sterk in het Oosten staat’. Hij zei zelfs dat het model van een staatgeleide economie, gesloten kapitaalmarkten en een eenpartijstaat ‘een voorbeeld kan zijn voor landen die met behoud van hun soevereiniteit (lees : afwijzing van Westerse democratie) zich versneld willen ontwikkelen’.

Beijing
Peking. © Flickr / Alexander Mueller

Chinese afhankelijkheid van de Verenigde Staten
Bescheidenheid heeft plaats gemaakt voor triomfantelijkheid. De in maart 2018 uitgebrachte documentaire Amazing China, die door de gedwongen bezichtiging van China’s tientallen miljoenen Partijleden een kaskraker werd, belicht de technologische ‘Grote Sprong Voorwaarts’ die het land dankzij het wijze bestuur van de Communistische Partij van China (CPC) heeft gemaakt. De Verenigde Staten zien dat anders: zij beweren dat grootschalige diefstal van Amerikaanse technologie deze ‘Sprong’ mogelijk heeft gemaakt en eisen de stopzetting ervan. Zo niet, dan zal Washington Peking straffen met nog hogere tarieven op het grootste deel van de invoer van Chinese goederen in de Verenigde Staten. Een rampscenario voor Peking, want ondanks stoere taal over ‘zelfvoorziening’ is China nog steeds afhankelijk van Amerika als bron van technologie en afzetmarkt van consumptiegoederen. En dus stelt de CPC zich vanaf eind 2018 bescheidener op – o.a. door Amazing China uit de bioscopen te halen.

Het gerucht gaat zelfs dat de grote leider Xi Jinping - net als zijn idool Mao Zedong - tot zijn 82ste aan de macht wil blijven

De vraag is of een dergelijke symboolpolitiek de Amerikanen tevreden stelt: mensen als Trumps handelsvertegenwoordiger Lighthizer weten heel goed dat China erop uit is om technologieën als kunstmatige intelligentie en microchips te domineren. In dat proces ziet Xi Jinping zichzelf als een transformerende figuur die de droom van de 19e-eeuwse Zelfversterkingsbeweging gaat verwezenlijken. Daarvoor heeft hij de tijd, want door de grondwetswijziging van maart 2018 is de president niet langer gebonden aan een ambtstermijn van twee keer vijf jaar. Het gerucht gaat zelfs dat de grote leider - net als zijn idool Mao Zedong - tot zijn 82ste aan de macht wil blijven. Dat zou betekenen dat hij pas in 2035 is uitgeregeerd.

De nieuw gevonden ‘bescheidenheid’ is dus enkel een tactiek om de Amerikanen zand in de ogen te strooien. De CPC zal zijn eigen koers blijven varen. Zoals Xi Jinping het in december 2018 formuleerde: ‘Niemand heeft het recht om het Chinese volk te dicteren wat er wel of niet moet gebeuren.’ Helemaal juist is die opmerking niet want de CPC dicteert (een woord met dezelfde etymologische afkomst als ‘dictator’) het Chinese volk al sinds 1949 wat er wel of niet gebeurt. Om de eenpartijstaat in stand te kunnen houden moet de economie blijven groeien, want de legitimiteit van de CPC valt of staat met het creëren van welvaart. Peking moet daarom wel de technologieën van de 21ste eeuw domineren, want de industrieën die de laatste veertig jaar voor welvaart hebben gezorgd zijn te vervuilend of te verouderd (vaak beide). De strijd met de Verenigde Staten is nog maar net begonnen.

Geen bondgenoten voor China
De bekende Amerikaanse China-watcher David Shambaugh noemt China een ‘eenzame macht’. Op het eerste gezicht lijkt die benaming misplaatst, omdat China met talloze landen intense en veelzijdige relaties onderhoudt. Het land is de grootste handelsnatie ter wereld en sinds de laatste tien jaar ook een actieve buitenlandse investeerder – niet alleen in grondstofprojecten in Afrika, maar ook in havens en technologiebedrijven in Europa. Het gaat meestal om staatsbedrijven of semi-staatsbedrijven (het onderscheid is niet altijd helder) en dat betekent dat de Chinese overheid deze economische expansie actief begeleidt; met handels- en investeringsakkoorden, banken als de Aziatische Investeringsbank, exportfinancieringsconstructies en natuurlijk het troetelkind van Xi Jinping: het in 2013 gelanceerde One Belt, One Road (OBOR) programma, dat in meer dan 120 landen voorziet in de aanleg van energiecentrales, havens, bruggen, spoorlijnen en wegen. Ook op niet-economisch terrein toont China zich een steeds actievere speler. Het land werpt zich op als kampioen van het klimaat; een niet erg geloofwaardige claim gezien de staat van het milieu in China zelf, maar een die sinds Trumps uittreding uit het Verdrag van Parijs door velen met enthousiasme wordt begroet. Peking is de grootste leverancier van soldaten aan de VN-vredesmachten en heeft meer dan vierhonderd zogenaamde Confucius Instituten in het buitenland opgericht. Het doel van dit alles is de soft power van het land te versterken, en China neer te zetten als een vreedzame kolos die enkel het goede voor heeft met de mensheid. De nieuwste vondst uit de koker van de immer creatieve propaganda-afdeling van de Partij luidt dat het China gaat om ‘een gedeelde bestemming voor de mensheid’.

China zag en ziet zichzelf nog steeds als een ontwikkelingsland

En toch heeft Shambaugh een punt. Om te beginnen heeft Peking geen bondgenoten. Ooit behoorde het land tot het socialistische blok, maar na de breuk met de Sovjet-Unie in 1960 is China nooit meer een nieuw bondgenootschap aangegaan. De relaties met het Rusland van Poetin zijn hecht, maar worden vooral gedreven door een afkeer van het Westen en het complementaire karakter van beide economieën: de gigantische maakindustrie van China heeft een onverzadigbare behoefte aan de olie en het gas van zijn noorderbuur. Van hun kant zijn de Russen diep verontrust door het grote verschil in economische macht en grootte van de bevolking. Alleen al in de drie noordoostelijke provincies van China leven meer dan 100 miljoen mensen, in het Oosten van Siberië niet meer dan 5 miljoen Russen. Niet zonder reden is het Russische deel van het traject van de hoge snelheidslijn die Hunchun in de provincie Jilin met Vladivostok moet verbinden, nog niet aangelegd.

Verboden Stad
De Verboden Stad. © Xiquinho Silva

Het andere blok waar Peking na de Tweede Wereldoorlog graag bij wilde horen was de beweging van niet-gebonden landen. China zag en ziet zichzelf nog steeds als een ontwikkelingsland. Maar deze identiteitsverklaring stuit op twee problemen. Door hun hoeveelheid en onderlinge verschillen zijn de ontwikkelingslanden er nooit in geslaagd om effectief samen te werken. Ook kleinere verbanden als die van de BRICS-landen (Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika) vormen allesbehalve een eenheid.  De verschillen in economische macht zijn te groot, de politieke relaties dikwijls te gespannen. Zo laait het sinds de jaren zestig van de vorige eeuw smeulende grensgeschil in de Himalaya tussen India en China met de regelmaat van de klok weer op; in 2017 kon een escalatie van de laatste aanvaring tussen beide landen (in de buurt van Bhutan) slechts door een topontmoeting tussen Xi en Modi worden voorkomen.

China als centrum van de beschaving
Maar er is een diepere oorzaak waarom Peking geen bondgenootschappen aan gaat: zijn premoderne kijk op interstatelijke relaties. De keizers die het land tweeduizend jaar lang regeerden beschouwden China als het centrum van de beschaving - ver verheven boven andere volken of culturen. Relaties met andere politieke entiteiten waren enkel mogelijk in de vorm van het tribuutsysteem, waarbij ‘barbaarse’ vorsten naar Peking kwamen om in het aanzien van de keizer negen maal het hoofd op de grond te slaan. Alleen na deze rituele onderwerping was handel met het Hemelse Rijk mogelijk. Na de val van het keizerrijk in 1911 moest China zich aanpassen aan de Westfaalse wereldorde van gelijkheid tussen soevereine staten, maar van een innerlijke aanvaarding ervan is nooit sprake geweest. Dat blijkt uit de pompeuze wijze waarop buitenlandse leiders door ‘keizer’ Xi in audiëntie worden ontvangen, maar vooral uit de omgang van China met zijn buurlanden. Landen als Pakistan, Cambodja en Nepal zijn gereduceerd tot vazalstaten, en op basis van ‘historische rechten’ claimt Peking soevereiniteit over 90% van de Zuid-Chinese Zee – ook al heeft het Hof van Arbitrage in 2016 geoordeeld dat die aanspraak in strijd is met het internationale recht. In Oost-Azië streeft Peking in feite naar een herstel van de orde van de Ming (1368-1644) en Qing (1644-1911)-dynastieën, toen Mongolië , Java, Korea en vele andere ‘barbaarse naties’ onderhorig waren aan de Chinese keizer . In Xi Jinping-taal heet dat streven de ‘Grote Verjonging van de Chinese Natie’. 

Great Hall of the People, Beijing
Grote Volkshal, Peking © Flickr / OZinOH

Pekings machtsexpansie blijft niet beperkt tot de regio. Om de Amerikaanse hegemonie te breken, de aanvoer van grondstoffen te verzekeren en zijn gigantische export- en bouwsector blijvend te laten groeien, wil China zo veel mogelijk landen onder zijn invloed brengen. Een rapport van het Center for Global Development van maart 2018 stelt vast dat 23 landen die OBOR-steun ontvangen in hoge mate kwetsbaar zijn voor debt distress, omdat ze de Chinese projectleningen niet terug kunnen betalen. Als uitweg worden leningen dikwijls omgezet in aandelen. Zo kwam in 2017 de belangrijkste haven van Sri Lanka, Hambantota, voor 99 jaar in handen van het Chinese staatsbedrijf China Merchants - een resultaat dat onmiddellijk doet denken aan het verdrag van 1898 tussen China en Engeland om de New Territories in de buurt van Hong Kong aan de Britten te pachten voor een even lange periode. Omdat China te zwak was om zich ertegen te verzetten, wordt die overdracht door de CPC gehekeld als een imperialistische misdrijf. Gevoel voor historische ironie is de huidige machthebbers blijkbaar niet eigen.

Om aan de macht te blijven, moet China de technologieën van de 21ste eeuw domineren

Ook Europa is het onderwerp van Chinese pogingen om steeds meer invloed te krijgen in de binnenlandse aangelegenheden van andere landen. Door te investeren in havens en spoorwegen in landen als Griekenland, Servië, Hongarije en Polen is Peking erin geslaagd die landen tot ‘China-vriendelijke’ standpunten te bewegen. Zo weigerde Athene in 2017 een EU-verklaring te steunen die de mensenrechten situatie in China veroordeelde. Door haar innerlijke verdeeldheid lijkt de EU machteloos te staan tegen deze verdeel en heers-politiek, ook al is er sinds ruim een jaar duidelijk sprake van een kentering: sinds de overname in 2016 van Kuka, een producent van industriële robots, is Berlijn zeer terughoudend geworden om nog meer kroonjuwelen van de Duitse industrie in Pekings handen te laten vallen, en verdere Chinese investeringen in de Britse nucleaire industrie zijn voorlopig on hold gezet. Los van zorgen om nationale veiligheid, zijn de Europeanen in toenemende mate verontwaardigd over het gebrek aan een gelijk speelveld: buitenlandse investeringen in sectoren als infrastructuur, energie en telecommunicatie zijn in China uitgesloten; waarom zou Europa dat omgekeerd wel aan Chinese bedrijven toestaan? 

Toekomst van Chinees beleid
Zolang de CPC in het zadel zit, zal Pekings buitenlandbeleid niet wezenlijk veranderen. Om aan de macht te blijven, moet China de technologieën van de 21ste eeuw domineren. Anders zal de economische groei afvlakken en de afhankelijkheid van Amerika alleen maar toenemen. Bovendien kan door verzameling en verwerking van big data de eigen bevolking beter onder de duim worden gehouden. Pekings ambities leveren inherente spanningen met het Westen op; met Amerika, maar in  toenemende mate ook met Europa. Het besef dringt steeds dieper door dat het land geen welwillende pandabeer is, maar een machtige eenpartijstaat met een totaal andere culturele achtergrond die grote schade kan toebrengen aan de welvaart en zelfs de politieke duurzaamheid van het vrije Westen.

Een ander, hoopvoller scenario is dat Peking kiest voor een ander politiek model. Een copy-paste van de Westerse parlementaire democratie valt niet te verwachten (en is, vanwege de chaos die het met zich mee zou brengen, ook niet te prefereren), maar over een ‘derde weg’ tussen de huidige eenpartijstaat en een Westers democratisch model wordt door Chinese intellectuelen intensief nagedacht. De legitimiteit van het nieuwe regime zou dan niet langer rusten op de ‘Grote Verjonging van de Chinese Natie’, maar op het leveren van minder corruptie, meer gelijkheid en een schoner milieu – zaken die zorgen voor een democratisch draagvlak onder de bevolking. De spanningen met het Westen zouden dan structureel verminderen, en China’s buurlanden zouden minder bang hoeven te zijn voor een herstel van de keizerlijke orde van ongelijkheid tussen staten. Tot die tijd moet het Westen Peking positief doch krachtig engageren door economisch een gelijk speelveld te eisen en infiltratie in onze vrije samenlevingen te bestrijden.         

Authors

Henk Schulte Nordholt
Sinoloog en schrijver