Revolusi is een prachtig boek dat stevig rammelt
Books & Movies Diplomacy and Foreign Affairs

Revolusi is een prachtig boek dat stevig rammelt

16 Jun 2021 - 11:11
Photo: Een Nederlandse militair beklimt in mei 1946 een poort om een bord met met de tekst Tentara Repoeblik Indonesia Tangerang te verwijderen. © Wikimediacommons
Back to archive
Author(s):

David Van Reybroucks Revolusi is prachtig geschreven en ook Indonesië-kenner Joop de Jong heeft het met plezier gelezen. Tegelijkertijd vindt de historicus dat het alom geprezen boek stevig rammelt.

bookcoverJe kunt van David Van Reybrouck zeggen wat je wilt, maar bang is hij niet. Met zijn boek Revolusi betreedt de gelauwerde auteur van het werk Congo een voor hem volstrekt onbekend terrein. Hij voegt zich zo bij de schare historici die zich met de dekolonisatie van Indonesië hebben beziggehouden.

Toen Nederland in 1949 na een traumatische periode van ups en downs vertrok uit zijn voormalige kolonie Indonesië, was er lange tijd geen behoefte aan reflectie. De afgelopen decennia kwam er echter een stroom van publicaties op gang. In feite was het één groot afscheid van het koloniaal verleden.

Van Reybroucks Revolusi is een vogelvlucht waarbij hij inhoudelijk langs al die historische producties scheert. De reactie in de media was overweldigend: loftuitingen alom. Revolusi is inderdaad prachtig geschreven en ik heb het met plezier gelezen. Tegelijkertijd vind ik dat het boek stevig rammelt.

Lof voor Van Reybroucks rode draden
Van Reybrouck verdient lof omdat hij de schijnwerpers richt op een aantal rode draden die in de meeste dekolonisatiestudies niet of zelden aan de orde komen.

Zijn invalshoek is duidelijk. In het verleden stelden historici veelal dat Nederland geen afstand kon doen van zijn kolonie en koos voor militair geweld. Op het moment heerst echter de algemene opvatting dat Nederland in het licht van de Indonesische onafhankelijkheidsverklaring op 17 augustus 1945 al gauw besefte dat alleen dekolonisatie restte en een diplomatieke oplossing noodzakelijk was. Van Reybrouck valt hen bij. Het draait bij hem allereerst om de onderhandelingen: de noeste pogingen van Indonesië en Nederland om tot een diplomatieke oplossing te komen.

Het is echter niet de diplomatie die op het moment in de publieke belangstelling staat. Sinds de publicaties van de historici Remy Limpach (in 2016) en Gert Oostindië (in 2015)1 draait het debat uitsluitend om het militair optreden van Nederland, met name om de geweldsexcessen. Onder continue aanvallen door Indische, Molukse en Indonesische organisaties, alsook door veteranen en hun nakomelingen, nadert het grote onderzoek van drie Nederlandse instituten (KITLV, NIMH en NIOD) naar het excessieve militaire geweld zijn voltooiing.2

Het militair optreden en het geweld vormen immers slechts een deel van het verhaal

Die aandacht dreigt de werkelijkheid echter eenzijdig in te kleuren, zo waarschuwt Van Reybrouck. Het militair optreden en het geweld vormen immers slechts een deel van het verhaal. Met recht een schot voor de boeg aan het adres van de drie instituten.

Het is echter niet de enige blinde vlek die Van Reybrouck signaleert. In het eilandenrijk van publicaties bestaan volgens hem meer opzichtig witte plekken. Hij wijst op de fundamentele rol die Engeland, de Verenigde Staten en de Verenigde Naties speelden, en op de continue interne conflicten in zowel Nederland als de Republiek Indonesië (‘de Republiek’). Zij vormen evenzeer rode draden in het dekolonisatieproces.

Ook dat is een juiste correctie. Nogal wat historici hadden en hebben de neiging de ingewikkelde ‘Indonesische kwestie’ te simplificeren. Zij negeren de voortdurende clashes die tussen regeringen en achterbannen woedden.

En zij laten al helemaal niet doorklinken dat de kwestie in hoge mate geïnternationaliseerd was. Tot eind 1946 deelden de Britten de lakens uit en sinds de zomer van 1947 hadden de Amerikanen een grote vinger in de pap. Die internationale dimensie werd in het slotjaar 1949 zelfs allesbeslissend.

DeJong - Militaire kolonne tijdens de eerste politionele actie in 1947. Collectie Tropenmuseum via Wikimediacommons
Militaire kolonne tijdens de eerste zogenoemde politionele actie in 1947. © Collectie Tropenmuseum via Wikimediacommons

De meest opvallende rode draad in Van Reybroucks betoog vormt echter de ‘Revolusi’ zelf. De auteur brengt deze witte vlek grondig in kaart via een meeslepende ode aan de revolutionaire explosie van de Indonesische jongeren in de slotmaanden van 1945.

Het uitroepen van de Republiek Indonesië op 17 augustus 1945 en de daaropvolgende strijd om de onafhankelijkheid worden in de literatuur weliswaar herhaaldelijk betiteld als een ‘revolutie’, maar dan in de zin van een vrijheidsstrijd, gevoerd door een goed georganiseerde staat en leger.

Van Reybroucks rode draden vormen al met al een welkome correctie op een even eenzijdige als hardnekkige beeldvorming

Er was, stelt men in de literatuur, weliswaar sprake van buitensporig geweld, maar dat waren randverschijnselen die werden toegeschreven aan losgeslagen jongeren. Aldus ook de mening binnen de Indische gemeenschap, waar men doorgaans liever niet van een revolutie spreekt maar van ‘Bersiap’.3

Dat deze visie nog steeds de boventoon voert, is echter vreemd. In zijn briljante Java in a time of Revolution uit 1972 doorbrak de Amerikaanse historicus Benedict R.O.G. Anderson al het beeld van een ordelijke opstand.4 Hij wees met nadruk op het revolutionaire, chaotische en gewelddadige karakter van de gebeurtenissen. De jongeren, de zogeheten pemuda’s, vormden de motor van die revolutie; niet de uitwas.

DeJong-Aankomst in Nederlands-Indië van een nieuwe lichting Nederlandse militairen per schip in 1949. Wikimediacommons
Aankomst in Nederlands-Indië van een nieuwe lichting Nederlandse militairen per schip in 1949. © Wikimediacommons

Toen de eerste delen van de voortreffelijke bronnenpublicatie inzake de Nederlands-Indonesische betrekkingen 1945-1950 verschenen5, bevestigden zij dit beeld. Ik nam het over in mijn dissertatie Diplomatie of strijd uit 1988,6 en tot mijn vreugde volgt nu ook Van Reybrouck.

Van Reybroucks rode draden vormen al met al een welkome correctie op een even eenzijdige als hardnekkige beeldvorming. Kortom: alle lof en hulde. Het betekent echter allesbehalve dat ik geen kritiek heb.

Een onvolledige schets van het diplomatieke proces
Mijn kritiek draait vooral om het diplomatieke proces zelf. Dit kende, zoals eerder genoemd, een verwarrende complexiteit vanwege de op elkaar inwerkende actoren (de Republiek, Nederland, Engeland, de VS en de VN) en de continue conflicten tussen regeringen en achterbannen. De posities van de actors en het patroon van de onderhandelingen veranderden daardoor voortdurend

Het diplomatieke proces werd nog gecompliceerder door een in intensiteit wisselend militair conflict dat de gehele periode voortduurde en slechts af en toe door een wapenstilstand werd onderbroken. Diplomatie werd voortdurend vergezeld door perdjuangan (strijd). Van een afwisseling van diplomatieke en militaire initiatieven, zoals Van Reybrouck die schetst, was in feite geen sprake.

Die complexiteit heeft de nodige consequenties. Iedere onderzoeker die een analyse wil geven van het diplomatiek proces ontkomt er niet aan een nauwkeurige feitelijke reconstructie op te stellen waarin die factoren aan bod komen. Een meerdimensionale, geïntegreerde aanpak is absoluut een vereiste. Alleen op deze wijze is het mogelijk de grillige, vaak diep op elkaar ingrijpende ontwikkelingen te doorgronden.

DeJong-Oorlogssituatie in 1949. De groene gebieden worden beheerst door het Koninkrijk der Nederlanden, de rode door de Republiek Indonesia. Wikimediacommons
Oorlogssituatie in 1949. De groene gebieden worden beheerst door het Koninkrijk der Nederlanden, de rode door de Republiek Indonesia. © Wikimediacommons

Op dit punt gaat Van Reybrouck helaas de mist in. Hij geeft van het diplomatieke proces aanvankelijk een schitterend diepgaand verslag en houdt dat tot aan de ondertekening van het akkoord van Linggadjati in maart 1947 vol. Daarna laat hij het echter grotendeels afweten.

In zijn schets van de onderhandelingsrondes die uitmondden in de militaire acties van juli 1947 en december 1948, is geen sprake meer van een zorgvuldige reconstructie. Van Reybrouck maakt veel werk van de omslag in het Amerikaanse beleid in 1948, maar de precieze Britse en Amerikaanse rol laat hij verder links liggen. En hoe de Republiek precies opereerde tijdens de onderhandelingen komt ook nauwelijks meer aan bod.

Van Reybrouck concentreert al zijn vuur op de Nederlandse handel en wandel. Nederland voerde volgens hem een “onredelijke” en “hysterische” politiek die door een “redelijke” Republiek terecht werd verworpen.7 Alles goed en wel, maar wat was er dan toch in hemelsnaam aan de hand? Het wordt niet duidelijk.

Spitwerk in de archieven en de hiervoor vermelde bronnenpublicatie hebben de afgelopen decennia een nauwkeurige, feitelijke en meerdimensionale reconstructie mogelijk gemaakt van wat er precies speelde. De eendimensionale benadering die Van Reybrouck hanteert en in het verleden gebruikelijk was, waarbij de actoren in het dekolonisatiedrama gereduceerd worden tot één zondebok, kan echt niet meer.

DeJong-Training van het Indonesische leger in 1949. Wikimediacommons
Training van het Indonesische leger in 1949. © Wikimediacommons

Het beeld dat aan de vooravond van beide militaire acties opdoemt, is dan ook een geheel andere. In de lente van 1947 hadden de Republiek en Nederland tot grote tevredenheid van Londen en Washington een grote mate van overeenstemming bereikt. Er resteerde nog slechts één probleem: de vorming en de inzet van een gemeenschappelijke militaire eenheid tijdens de overgangsperiode.

Dit stuitte echter op driftig Republikeins verzet. Na zware Nederlandse, Britse en Amerikaanse druk lanceerden de Republikeinse onderhandelaars in juli 1947 desalniettemin een slotcompromis. Er zou een gemengd corps komen, maar de supervisie zou bij de in te stellen – door de Republiek gedomineerde – overgangsregering worden gelegd.

Het voorstel werd door de Nederlandse onderhandelaars euforisch omarmd. Het werd echter door de Republikeinse achterban linea recta verworpen. Het vervolg is bekend: een militaire actie.

Eind 1948 waren het de VS die met een eigen plan kwamen dat door beide partijen werd bijgevallen. De premier van de Republiek, Mohammed Hatta, en de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, Dirk Uipko Stikker, kwamen eind 1948 vervolgens – onder druk en bijval van Washington – dicht bij een akkoord.

Maar ook nu was het de Republikeinse achterban die dwarslag. De Amerikanen hadden de sleutel tot een oplossing in handen, maar verzuimden te interveniëren. Wederom besloot Nederland tot militaire actie.8

DeJong - Stef Blok brengt in 2015 als minister van Buitenlandse Zaken een bezoek aan Indonesië. Ministerie van Buitenlandse Zaken
Stef Blok brengt in 2015 als minister van Buitenlandse Zaken een bezoek aan Indonesië. © Ministerie van Buitenlandse Zaken

Fraaie verhalen, maar geen compleet verslag
Kortom, na alle lof ook fundamentele kritiek. Van Reybrouck is in de eerste termijn schitterend op dreef, maar laat ons in de diplomatieke aanzet tot de eerste en tweede militaire actie en al helemaal bij het weerbarstige slotjaar 1949 in de steek.

Aan de beschikbare literatuur ligt het niet, wel aan zijn selectiemethode. Van Reybrouck kreeg op zijn vlucht langs de bronnen allerlei eilanden in het vizier. Op sommige streek hij neer, over andere scheerde hij heen zonder tekst of uitleg.

Daar staan echter fraaie verhalen tegenover waarbij de grote lijnen van het historische verloop magnifiek worden gecombineerd met schetsen van het wel en wee van individuele participanten. Van Reybroucks schets van de guerrilla-oorlog die na de tweede militaire actie losbarstte en het militair excessief geweld is overtuigend. Het behoort tot het beste wat tot dusverre over de materie is geschreven.

Eindelijk komen nu eens de veteranen zelf aan het woord. Al blijft het teleurstellend dat Van Reybrouck het Indonesische geweld niet het volle pond geeft en dat Indische Nederlanders nauwelijks in het verhaal voorkomen.

Ik hoop dat Revolusi vele lezers zal krijgen. Maar ik hoop ook dat zij zich zullen afvragen wat er nu precies is gebeurd. De antwoorden zijn gelukkig te grijp. Er zijn, zo stelt Van Reybrouck, prachtige boeken geschreven over Indië die bij het grote publiek nog grotendeels onbekend zijn.9

 

bookcoverDavid Van Reybrouck
Revolusi: Indonesië en het ontstaan van de moderne wereld
Uitgeverij De Bezige Bij, 2020
ISBN: 9789403183404
Pagina's: 640
Prijs:€ 39,99

  • 1. Remy Limpach, De brandende kampongs van Generaal Spoor, Amsterdam: Boom uitgevers, 2016; Gert Oostindië, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis, Amsterdam: Prometheus/Bert Bakker, 2015. Zie voor een bespreking van beide boeken: J.J.P. de Jong, ‘Het buitensporig geweld in Indonesië’, Internationale Spectator, december 2016.
  • 2.Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945-1950 is een gezamenlijk onderzoeksprogramma van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV), het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) en het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust en Genocidestudies. Over de kritiek die op het project is losgebroken, zie onder meer de artikelen van Harriet Salm in Trouw: ‘Het onderzoek naar de dekolonisatie van Nederlands-Indië veroorzaakt al sinds de start onrust’, 20 juni 2019; ‘Dekolonisatie-onderzoekers Niod worden uitgemaakt voor NSB’er en racist. “Dit gaat over de grens”’, 14 augustus 2020. Zie ook de reactie van NIOD-directeur Frank van Vree in Checkpoint, juni 2021.
  • 3.Siap’ (wees paraat) was de kreet waarmee de revolutionaire jongeren ten strijde trokken. De periode van extreem revolutionair geweld (oktober tot en met december 1945) wordt in de Indische gemeenschap dan ook veelal betiteld als de ‘Bersiap-periode’.
  • 4. Benedict R.O’G. Anderson, Java in a time of revolution, New York: Ithaca, 1972.
  • 5. In januari 1969 veroorzaakte de psycholoog dr. J. Hueting grote opschudding met zijn onthullingen over Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië. Het leidde tot grote commotie in de media en hoog oplaaiende debatten in het parlement. De regering zegde een nota toe over het extreme geweld en gaf tegelijkertijd de Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis opdracht tot een bronnenpublicatie over het beleid dat Nederland tussen 1945 en 1950 voerde. Het resulteerde in een twintigtal delen die tussen 1971 en 1995 verschenen: S.L. van der Wal, P.J. Drooglever en M.J.B. Schouten (eds), Officiële Bescheiden betreffende de Nederlands-Indonesische Betrekkingen 1945-1950, Delen I t/m XX, ’s-Gravenhage: Marinus Nijhoff, 1971-1995.
  • 6. J.J.P. de Jong, Diplomatie of strijd. Het Nederlandse beleid tegenover de Indonesische revolutie 1945-1947, Amsterdam: Boom Meppel, 1988.
  • 7. David Van Reybrouck, Revolusi, Amsterdam: De Bezige Bij, 2020, pagina 398.
  • 8. J.J.P. de Jong, De terugtocht. Nederland en de dekolonisatie van Indonesië. Uitgeverij Boom: Amsterdam 2015. Zie met name de hoofdstukken 5 en 8.
  • 9. Interview met David van Reybrouck, De Tijd, 5 december 2020.

Authors

Joop de Jong
Historicus