Een nieuwe wereldoorlog?
Analyse Geopolitiek & Wereldorde

Een nieuwe wereldoorlog?

22 Feb 2017 - 15:44
Photo: Flickr / U.S. Department of Defense
Terug naar archief

 

Ingo Piepers

 

2020: WARning. Social Integration and Expansion in Anarchistic Systems: How Connectivity and Our Urge to Survive Determine and Shape the War Dynamics and Development of the System.
Amsterdam: IP-Publications, 2016; ISBN: 978-90-8241-181-2. In zijn geheel hier te downloaden.

 

In zijn veelbesproken boek 2020: WARning schrijft ex-marinier Ingo Piepers dat we een systeemoorlog mogen verwachten. Kars de Bruijne voorziet weliswaar veel bedreigingen, maar gaat vooralsnog uit van een niet-gewelddadige verandering van de internationale orde.

Het is een vreemde en onzekere tijd. Er lijkt hernieuwde interesse in Europese politiek en geopolitiek onder alle lagen van de bevolking. Op de opiniepagina’s van dag- en weekbladen heerst onrust als gevolg van de spanningen aan de oost- en zuidgrens van Europa, het Europese immobilisme en de verkiezing van een ogenschijnlijk onvoorspelbare president in de Verenigde Staten. Beleidsmakers en wetenschappers zoeken naar duiding en af en toe verschijnen referenties naar jaartallen – 1929, 1933, 1938 – die we meenden te hebben begraven onder het gewicht van een gewelddadige wereldoorlog. Het is te hopen dat de recente buzz in de Volkskrant en beleidskringen over het boek WARning 2020 van ex-marinier Ingo Piepers wordt ingegeven door deze onrust.

In het boek betoogt Piepers “op basis van natuurkundige en wiskundige theorieën” dat we in 2020 een systeemoorlog mogen verwachten. Jazeker, een oorlog over de fundamentele normatieve inrichting van de internationale orde, vergelijkbaar met de Dertigjarige Oorlog (1618-1648), de Napoleontische Oorlog (1792-1815) en de Twee Wereldoorlogen (1914-1945).

Om meteen aan alle onrust een einde te maken: de voorspelling van Piepers is wetenschappelijk onhoudbaar; de methodologie rammelt, de data zijn te simpel en het aantal observaties is veel te laag. Deze gebreken komen in het eerste deel van dit artikel nader aan de orde. Maar de onrust dan en het conflictpotentieel? Daarom wordt vervolgens ingegaan op enkele ideeën die Piepers – het moet gezegd – in de schijnwerpers heeft weten te zetten: de mogelijkheid tot niet-gewelddadige verandering van de internationale orde en de kans op conflict tussen grote mogendheden.

Dit artikel betoogt dat normatieve verschillen tussen de grootmachten minder groot zijn dan soms wordt aangenomen en dat een fundamenteel conflict over de inrichting van de internationale orde onwaarschijnlijk is.

Het belang van evidence-based onderzoek
In 2020: WARning verdedigt Piepers twee kernargumenten. Ten eerste meent hij dat de frequentie, intensiteit en omvang van oorlog tussen grote mogendheden een vaststaand cyclisch patroon volgen. Een set ordenende principes voor de omgang tussen ‘staten’ gaat gepaard met een steeds nauwer patroon van relaties waarin spanningen worden opgebouwd. Die spanningen uiten zich in conflict waarbij grootmachten zijn betrokken, totdat een punt wordt bereikt waarop de kosten voor conflict te groot worden en het aantal conflicten afneemt. Maar spanningen blijven zich opbouwen tot het punt waarop een onvermijdelijke grote oorlog leidt tot spanningsontlading.[1] Vanaf 1488 tot 1945 hebben zich vier van dergelijke ‘oorlogscycli’ voorgedaan. Gezamenlijk vormen ze een Europese super-cyclus.

Piepers’ tweede argument is dat we al op korte termijn, in 2020, een dergelijke ‘systeemoorlog’ kunnen verwachten (anders dan de titel doet vermoeden houdt de auteur in zijn boek enige slagen om de arm).[2] Hij stelt dat 1945 het einde markeerde van de eerste grote Europese super-cyclus; deze ging toen over naar een tweede cyclus, die niet een Europees maar een mondiaal jasje kreeg. Als omslagpunt identificeert Piepers het jaar 2011; we verkeren thans in een periode van spanningsopbouw, tot het moment van ontlading in 2020.

 

We verkeren thans in een periode van spanningsopbouw, tot het moment van ontlading in 2020. Bron: Defensie
 

Het boek – in eigen beheer uitgegeven – is soms taai, omdat Piepers zich baseert op concepten en ideeën uit de theoretische natuurkunde en wiskunde. Zo zou een oorlogscyclus het best te vergelijken zijn met een fase-transitie tussen twee internationale ordes (denk aan de overgang van water naar ijs) en volgt spanningsopbouw in het internationale systeem de logica van de tweede wet van de thermodynamica (de kwaliteit van de internationale orde neemt geleidelijk af). Wellicht het meest interessant is dat Piepers niet alleen ideeën introduceert, maar die ook empirisch test met behulp van kwantitatieve data. In de Volkskrant stelt hij: “Ik zoek in de database naar patronen, maar op een andere manier dan historici dat doorgaans doen.”[3]

Gezien de claim van Piepers is de belangrijkste vraag met betrekking tot 2020: WARning toch of de empirische analyses overtuigend en betrouwbaar zijn. Helaas is dit niet het geval. Om te beginnen is er een groot aantal methodologische problemen. De centrale concepten (internationale orde, spanningen, systeem-oorlog) zijn vaak niet gedefinieerd en dikwijls niet gemeten. Ook is de statistiek in het boek te gemakkelijk. Zo worden bijvoorbeeld slechts twee variabelen met elkaar vergeleken (bivariaat) in plaats van de normale praktijk van een groot aantal variabelen in een model (multivariaat), wordt uitgegaan van lineaire relaties tussen die variabelen (zonder uitleg) en ontbreken noodzakelijke significantie-testen, waardoor het onduidelijk is of de relatie bestaat.[4]

Ten slotte worden er te veel atypische keuzes gemaakt, zoals het aanmerken van Iran als grootmacht, het op (te) grote schaal aanpassen van de data en een gemiddelde van 1 bron per 10 bladzijden.[5] Het mag in dit licht niet verrassend zijn dat ook op de onderliggende database wel erg veel is af te dingen; met 119 waarnemingen aangevuld met 20 waarnemingen door Piepers is de database te klein.

Het bewijs voor de twee hoofdstellingen – een logica voor alle oorlogscycli en een zich herhalende super-cyclus met oorlog in 2020 – is ook niet overtuigend. De super-cyclus wordt waargenomen omdat het aantal militaire slachtoffers, de duur van vrede en conflict in systeemoorlogen allemaal exponentieel stijgen met “precies dezelfde versnellingsfactor”. Tegelijkertijd is de waarneming gebaseerd op slechts vier (!) observaties, is duidelijk dat een andere meting van slachtsoffers de logica volledig zou omdraaien (30% van de Europese bevolking stierf tijdens de Dertigjarige Oorlog, veel meer slachtoffers dan in de Tweede Wereldoorlog) en is de identificatie van tipping points gebaseerd op handmatige (en daarmee toch wat discutabele) waarneming.

De tweede stelling – dat de Europese super-cyclus van vier systeemoorlogen zich gaat herhalen op mondiale schaal – is nog minder goed onderbouwd. Piepers’ argumentatie leunt volledig op een (te) simpele gelijkenis. Tijdens de eerste fase van de Europese super-cyclus (1498 - 1567) was er sprake van jaarlijks 0,41 conflicten tussen grootmachten. Piepers merkt op dat de eerste fase van de mondiale super-cyclus (1989 - heden) een vergelijkbaar aantal conflicten tussen grootmachten kent (0,37 per jaar). Omdat deze cijfers ‘vrijwel gelijk’ zijn, verwacht Piepers een nieuwe oorlog.[6] Los van de noodzaak om op zijn minst een betrouwbaarheidsinterval weer te geven, is het volstrekt onduidelijk waarom op basis van een analogie een nieuwe systeemoorlog verwacht mag worden.

Vergelijkbare argumentatie kenmerkt het boek; er zijn teveel twijfelachtige analogieën en ogenschijnlijk toevallige verbanden. Met recht mag daarom worden geconcludeerd dat de empirische analyse in 2020: WARning niet overtuigt.

Interessante vragen
Toch werpt het boek een aantal belangrijke en beleidsrelevante vragen op, juist in een tijd waarin de schaduw van het oorlogsspook soms voorzichtig de kop opsteekt. In de burelen van beleidsmakers wordt soms verwacht dat een verandering van de rules-based order niet zachtzinnig zal verlopen (en wordt gewezen op de toegenomen spanningen op het internationale toneel tussen de grootmachten). Het is inderdaad waar dat veranderingen in de normatieve ordening niet altijd geweldloos zijn verlopen; en alleen om die reden is het nadenken over de kans en mogelijkheden op een (systeem-) oorlog belangrijk.[7] Piepers noopt ons dus na te denken over de vraag of er momenteel omstandigheden zijn die wijzen op de komst van een systeemoorlog. En, zo ja, wat te doen?

Verandering binnen de orde is waarschijnlijker dan verandering van de orde

Objectieve omstandigheden niet zorgwekkend
Ondanks het gevoel van onrust, zijn de objectieve omstandigheden niet direct een reden tot zorg. Gewelddadige systeemverandering vrijwel altijd een fundamenteel conflict over de normatieve inrichting van de internationale orde. Zo ging de Dertigjarige Oorlog over fundamentele onenigheid inzake de inrichting van het statensysteem (Habsburgs vs. Soeverein), economische relaties (feodaal vs. commercieel) en het religieuze leven (katholiek vs. protestant).[8]

Vergeleken met deze fundamentele onenigheid steekt het huidige verschil van inzicht tussen de grote mogendheden schril af. Ondanks belangrijke verschillen deelt men een kapitalistische ordening (waarbij de rol van de staat een discussiepunt is), een soeverein (Westfaals) statensysteem en zelfs een inzet op internationale samenwerking. De Clingendael Strategische Monitor 2017 spreekt om die reden over een Multi-Orde; tussen grote mogendheden (en tal van andere actoren) blijft er sprake van substantiële samenwerking op diverse terreinen.[9] Hoewel normatieve veranderingen te verwachten zijn (Clingendael verwacht bijvoorbeeld een terugkeer van het denken in invloedssferen, toenemend protectionistisme en een meer ‘nationale’ EU), tasten deze conflicten niet de fundamenten van de internationale orde aan. Met andere woorden, verandering binnen de orde is waarschijnlijker dan verandering van de orde.[10]

Een andere reden waarom we ons maar beperkt zorgen moeten maken is dat geen van de prominente verklaringen/mechanismen van interstatelijk systeemconflict op dit moment erg waarschijnlijk is. Hoewel verklaringen om voorrang dringen en het om die reden altijd koffiedik kijken blijft, zijn twee veelgehoorde verklaringen dat conflict voortkomt uit (a) sterk fluctuerende machtsverhoudingen; of (b) uit onzekerheid en verkeerde inschattingen.[11] Het is onwaarschijnlijk dat een van beide op korte termijn (2020) tot systeemconflict zal leiden.

China geen conflictzoeker
Om te beginnen wordt van sterk verschuivende machtsverhoudingen verwacht dat ze leiden tot machtsonevenwicht en dito frustratie over de inrichting van de internationale orde.[12]De opkomst van China lijkt in dit licht de meest belangrijke ontwikkeling. Los van het vraagstuk of China wel in staat zal blijken zijn hoge economische groei vast te houden, een succesvolle transitie naar een dienstensector kan maken en zijn economische macht structureel weet om te zetten in militaire en politieke macht die zich laat meten met de Verenigde Staten, is het een grote vraag of China daadwerkelijk een andere ordening nastreeft. Er is verrassend veel onderzoek dat wijst op slechts een beperkte neiging bij China, alsmede een beperkt belang om de huidige orde te veranderen (de Chinese opstelling met betrekking tot TPP en het klimaatverdrag is geen uiting van pragmatisme, maar past bij een veel bredere Chinese beleidsinsteek van een gedeeltelijk andere, maar toch voortgaande internationale orde).[13]

 

Het lijkt erop dat China geen conflictzoeker is. Bron: Flickr / Poeloq

Het is bovendien belangrijk op te merken dat machtsverschuivingen niet tot geweld behoeven te leiden: er zijn diverse geweldloze orde-omwentelingen geweest. Denk bijvoorbeeld aan de overgang van een bipolaire naar unipolaire orde (Koude Oorlog) of die van een Pax Brittanica naar een Pax Americana.

Verkeerde inschattingen en een systeemoorlog
Ook van de andere overbekende conflictoorzaak (onzekerheid) kan niet op korte termijn worden verwacht dat ze leidt tot een oorlog over de inrichting van de orde. Deze traditie stelt dat onzekerheid over capaciteiten, intenties en allianties maakt dat partijen hun macht overschatten.[14] Vanwege deze overschatting stellen onzekere staten te veel eisen en is een conflict denkbaar.

In deze tijd, waarin onduidelijkheid bestaat over de bedoelingen en de bereidheid tot militaire inzet van spelers zoals Rusland, over de richting van het beleid van de nieuwe Amerikaanse president en over de mate waarin Europa als eenheid zal kunnen blijven optreden, lijkt conflict als gevolg van onzekerheid tussen een of twee grootmachten niet ondenkbaar (overigens is de inschatting van schrijver dezes ook onzeker, omdat percepties zich zeer moeilijk laten meten).[15] Maar een systeemoorlog waarbij alle grootmachten betrokken zijn, is dat wel, zeker omdat een partij als de Verenigde Staten een dusdanige militaire dominantie heeft dat andere partijen er wel extreem naast moeten zitten om te denken dat ze hun politieke doelen kunnen verwezenlijken.

Wat te doen bij dreigende systeemoorlog?
Dan de laatste vraag: zouden we iets kunnen doen in het geval er wel een systeemoorlog dreigt? Ook over deze vraag bestaat een stevig wetenschappelijk debat. Sommige wetenschappers menen van niet en onderschrijven Piepers’ pessimisme: fundamentele veranderingen zijn altijd gepaard gegaan met een systeemoorlog tussen grote mogendheden.[16] Andere wetenschappers zijn positiever. Zo stelt een relatief recente traditie in de Internationale Betrekkingen, met wortels in de sociologie, dat de belangen van staten kunnen veranderen door socialisatieprocessen (denk bijvoorbeeld aan de integratie van Duitsland en Japan in de internationale orde).[17] Maar zelfs de meer traditionele stromingen wijzen op een aantal maatregelen die conflictrisico’s kunnen beperken of zelfs wegnemen.

De Koude Oorlog, waar onzekerheid over de inzet van kernwapens als belangrijke conflictoorzaak werd gezien, heeft ons tal van beleidsmaatregelen opgeleverd. Te denken valt aan voorspelbare en helder gecommuniceerde militaire en strategische doctrines, internationale instituties die helpen bij het uitwisselen van informatie (zoals de START-, ABM-, Space Arms- en Conventional Armed Forces in Europe-verdragen en de OVSE), een sterk inlichtingenapparaat en een reeksvertrouwenwekkende maatregelen (hot lines, ontmoetingen). Bij verschuivende machtsverhoudingen moeten we denken aan andersoortige maatregelen. De eerste prioriteit lijkt het tegengaan van verschuivingen, waarbij het aangaan/uitbreiden/hernieuwen van allianties, militaire capaciteitsopbouw, investeren in kenniseconomie en bescherming van technologie in principe passende beleidsmaatregelen zijn.

De Koude Oorlog heeft ons tal van beleidsmaatregelen opgeleverd

Maar zelfs als verschuivingen niet tegengegaan kunnen worden, zijn er strategieën denkbaar die conflict vermijden, zoals het verminderen van internationale commitments, reduceren van twistpunten en beperken van alliantieafspraken (een zogenoemde strategie van retrenchement).[18] Een bekend voorbeeld in dit verband is de strategie van het Verenigd Koninkrijk vanaf 1892: in rap tempo losten de Britten allerlei lopende conflicten op en beperkten hun verantwoordelijkheden om zich te concentreren op vitale (maritieme) belangen. Met andere woorden, beleidsmakers zijn niet machteloos, zelfs als we tekenen van naderend conflict denken waar te nemen.

Conclusie
Iedereen die bekend is met forecasting begrijpt dat elke inschatting van de toekomst met een aantal slagen om de arm moet worden gemaakt. Sociale processen zijn complex, vaak afhankelijk van context specifieke omstandigheden en de reflexiviteit van beleidsmakers/staten maakt dat eerder waargenomen patronen zich om strategische redenen niet behoeven te herhalen. Alleen daarom al zouden er twijfels moeten rijzen bij de deterministische voorspelling die Piepers in zijn boek 2020: WARning doet. Maar een klinische blik leert dat – ondanks interessant ideeën – de methode, het datagebruik en de statistische analyse, de toets der kritiek niet kunnen doorstaan. Met alle slagen om de arm is een grote systeemoorlog zeer onwaarschijnlijk (zeker op relatief korte termijn).

Als we iets kunnen leren van het enthousiasme waarmee een boek als dat van Piepers wordt ontvangen, is het vooral dat er een voedingsbodem van onrust bestaat die beter moet worden begrepen. Uiteraard zijn er spanningen tussen grote mogendheden en blijft het verstandig dat beleidsmakers zich voorbereiden op onverwachte gebeurtenissen zoals een systeemoorlog. Maar zoals de Clingendael Strategische Monitor 2017 laat zien, is de aard van de problemen waar we voor staan veel complexer en meer intern van aard: de druk op de EU, het vrijhandelsregime, migratiedruk, toenemend geweld in fragiele staten en zelfs de terrorismedreiging zijn stuk voor stuk vooral een gevolg van interne en vaak politieke ontwikkelingen.

Interne veiligheid is volledig verknoopt geraakt met externe veiligheid. Dit stelt ons voor nieuwe uitdagingen waarin we niet langer kunnen teruggrijpen op oude systeemtheorieën, 19de-eeuws denken of klassiek geopolitieke waarheden. Tijd om het strategisch denken in Nederland weer een flinke duw in de rug te geven.

Hoe ontwikkelt de wereldorde zich in de komende periode? Wie zijn de belangrijkste spelers? In de Clingendael Strategische Monitor 2017 worden toenemende dreigingen en tegelijkertijd voortgaande samenwerking inzichtelijk. De tien deelstudies van de Monitor concentreren zich op de verwachte dreigingen en eventuele ordeverschuivingen binnen een specifiek thema. Het syntheserapport biedt een complete vooruitblik.

Kars de Bruijne is research fellow bij Instituut Clingendael en een van de auteurs van de Clingendael Strategische Monitor 2017.

 
 

[1] 2020 WARning, p. 123.

[2] 2020 WARning, p. 567.

[3] ‘Er Komt Oorlog in 2020, Reken Maar Na’, de Volkskrant, 3 december 2016, Sir Edmund; pp. 48, 49.

[4] Zie bijv. pp. 40, 45, 46, 545, 551 en 552.

[5] Pp. 132, 542, 301Blz.

[6] P. 558.

[7] Richard N. Rosecrance, Action and Reaction in World Politics; International Systems in Perspective, Boston: Little, Brown, 1963; George Modelski, ‘The Long Cycle of Global Politics and the Nation-State’, Comparative Studies in Society and History, jrg. 20 (1978), no. 2, pp. 214-235; Robert Gilpin, ‘The Theory of Hegemonic War’, The Journal of Interdisciplinary History, jrg. 18 (1988), no. 4, pp. 591–613, doi:10.2307/204816.

[8] Robert Gilpin, ‘The Theory of Hegemonic War’, The Journal of Interdisciplinary History, jrg. 18 (1988), no. 4, p. 606.

[9] Kars De Bruijne & Minke Meijnders, Multi-Orde, The Hague: Clingendael Institute, 2017.

[10] Robert G. Gilpin, War and Change in World Politics, Cambridge [etc.]: Cambridge University Press, 1981, p. 42.

[11] Voor een overzicht van conflictoorzaken, zie: Stephen Van Evera, Causes of War: Power and the Roots of Conflict, Ithaca: Cornell University Press, 1999. Andere verklaringen zijn: de mogelijkheid om als eerste toe te slaan, conflict over gebied dat de relatieve machtsverhouding van de winnende partij versterkt (denk aan ‘besmetting’ via bestaande samenwerkingsverbanden; zie ook: Douglas M. Gibler & John A. Vasquez, ‘Uncovering the Dangerous Alliances, 1495-1980’, International Studies Quarterly, jrg. 42 (1998), no. 4, 1 december 1998, pp. 785-807, doi: 10.1111/0020-8833.00106. Voor de twee standaardverklaringen, zie: James D. Fearon, ‘Rationalist Explanations of War’, International Organization, jrg. 49 (1995), no. 3, p. 379 (36).

[12] Robert G. Gilpin, War and Change in World Politics, Cambridge [etc.]: Cambridge University Press, 1981; Paul Kennedy, The Rise and Fall of the Great Powers: Economic Change and Military Conflict from 1500 to 2000, London: Fontana Press, 1989; Robert Powell, ‘War as a Commitment Problem’, International Organization, jrg. 60 (2006), no. 1, pp. 169-204; James D. Fearon, ‘Rationalist Explanations of War’, International Organization, jrg. 49 (1995), no. 3.

[13] Daniel W. Drezner, ‘The New New World Order’, Foreign Affairs, 1 March 2007, https://www.foreignaffairs.com/articles/2007-03-01/new-new-world-order; David Lake, ‘Dominance and Subordination in World Politics: Authority, Liberalism, and Stability in the Modern International Order’, in:  Power, Order, and Change in World Politics, 2014, pp. 80 ev.; Randall L. Schweller & Xiaoyu Pu, ‘After Unipolarity: China’s Visions of International Order in an Era of U.S. Decline’, International Security, jrg. 36 (2011), no. 1, 1 juli 2011, pp. 41–72, doi:10.1162/ISEC_a_00044; Stefan A. Halper, The Beijing Consensus: How China’s Authoritarian Model Will Dominate the Twenty-First Century, New York : Basic Books, 2010; Chris Alden & Daniel Large, ‘On Becoming a Norms Maker: Chinese Foreign Policy, Norms Evolution and the Challenges of Security in Africa’, The China Quarterly 221, maart 2015, pp. 123–142, doi:10.1017/S0305741015000028; Mark Beeson & Fujian Li, ‘China’s Place in Regional and Global Governance: A New World Comes Into View’, Global Policy, jrg. 7 (2016), no. 4, 1 november 2016, pp. 491–499, doi:10.1111/1758-5899.12348; A.I. Johnston, ‘How New and Assertive Is China’s New Assertiveness?’,  International Security, jrg. 37 (2013), no. 4, voorjaar 2013, pp. 7–48, doi:10.1162/ISEC_a_00115.

[14] Waltz, ‘The Origins of War in Neorealist Theory’, The Journal of Interdisciplinary History , jrg. 18 (1988), no. 4, 1 april 1988, pp. 615–628, doi:10.2307/204817; Geoffrey Blainey, The Causes of War, New York: Free Press, 1973; Hans J. Morgenthau & Kenneth W. Thompson, Politics among Nations: The Struggle for Power and Peace, 6th ed. , New York [etc.]: Knopf, 1985, p. 172, http://www.gbv.de/dms/bowker/toc/9780394335643.pdf.

[15] De lengte van een dergelijk conflict is waarschijnlijk beperkt, omdat na een periode van geweldgebruik men elkaars kracht wel redelijk kent: Branislav L. Slantchev, ‘The Power to Hurt: Costly Conflict with Completely Informed States’, American Political Science Review, jrg. 97 (2003), no. 1, p. 369; James D. Fearon, ‘Why Do Some Civil Wars Last So Much Longer Than Others?’, Journal of Peace Research, jrg. 41 (2004), p. 209; Robert Powell, ‘Persistent Fighting and Shifting Power’, American Journal of Political Science, jrg. 56 (2012), no. 3, 1 juli 2012, p. 45; voor een andere lezing, zie: Zachary C. Shirkey, ‘Uncertainty and War Duration’, International Studies Review, jrg. 18 (2016), no. 2, 1 juni 2016, pp. 244–267, doi:10.1093/isr/viv005; David Lindsey, ‘Military Strategy, Private Information, and War’, International Studies Quarterly, jrg. 59 (2015), no. 4, 1 december 2015, pp. 629–640, doi:10.1111/isqu.12208; Kars De Bruijne, ‘Bullets and Bargaining: Rationalist Decision-Making in Sierra Leone and Slovenia’ (Unpublished PhD manuscript, Groningen, 2016).

[16] Richard N. Rosecrance, Action and Reaction in World Politics; International Systems in Perspective, Boston: Little, Brown, 1963.

[17] David Lake, ‘Dominance and Subordination in World Politics: Authority, Liberalism, and Stability in the Modern International Order’, in:  Power, Order, and Change in World Politics, 2014, pp. 80 ev.; Alexander Wendt, ‘Anarchy Is What States Make of It: The Social Construction of Power Politics’, International Organization, jrg. 46 (1992), no. 2, maart 1992, pp. 391-425, doi; 10.1017/S0020818300027764.

[18] Robert G. Gilpin, War and Change in World Politics, Cambridge [etc.]: Cambridge University Press, 1981.

 

Auteurs

Kars de Bruijne
Clingendael Research Fellow