Ottomaans Afrika: actuele nasleep van een miskende episode
Analyse Geopolitiek & Wereldorde

Ottomaans Afrika: actuele nasleep van een miskende episode

19 May 2020 - 16:19
Photo: Sultan Selim I in Egypte © Wikicommons
Terug naar archief

Turkije is de afgelopen vijftien jaar in toenemende mate actief in Afrika als ‘land zonder koloniale voorgeschiedenis’. Het Ottomaanse rijk overheerste echter lange tijd wel degelijk aanzienlijke stukken van Afrika. Deze historische analyse biedt een blik op een miskende episode en zijn actuele nasleep. 

Militaire interventie in Libië, investeringen, handelsovereenkomsten en ontwikkelingshulp in Soedan, Somalië en Somaliland, de opening van twintig Turkse ambassades in Afrika, en een verviervoudiging van de officiële handel met niet-Arabisch Afrika op vijftien jaar tijd. Turkije raakt steeds meer ingeplant in Afrika.1

De Turkse president Recep Tayyip Erdoğan en de diplomatieke vertegenwoordigers van Turkije benadrukken en passant graag dat hun land geen koloniale voorgeschiedenis in Afrika heeft. Maar is dat daadwerkelijk zo? Ja en neen. De republiek Turkije heeft die inderdaad niet. Zijn Ottomaanse voorganger daarentegen overheerste – in verschillende vormen – lange tijd aanzienlijke stukken van Afrika.

DeCordier-Het Ottomaanse Rijk in 1683 - Wikicommons
Het Ottomaanse Rijk in 1683. © Wikicommons

Ottomaanse opmars naar Afrika
Wat bracht de Ottomanen, wiens opmars buiten de Turkse kerngebieden langs vooral richting Zuidoost-Europa ging, eigenlijk naar Afrika?

Uitbreiding naar Arabisch Afrika kwam er pas in de vroegmoderne periode onder sultan Selim I de Onverbiddelijke. Tijdens diens heerschappij van 1512 tot 1520 kende het Ottomaanse rijk een forse gebiedsexpansie.

Als overtuigd voorvechter van de soennitische zaak wilde de sultan de drie heilige plaatsen van de islam – Jeruzalem, Mekka en Medina – en de gebieden van de middeleeuwse islamitische kalifaten bij zijn rijk voegen. Dit bracht de Ottomanen in aanvaring met de andere islamitische grootmacht uit die tijd: het sultanaat van Caïro.

Met de Ottomaanse inname van Caïro en Mekka en Medina in 1517 nam de Ottomaanse sultan de instelling van het kalifaat en de titel van kalief over

Naast Egypte regeerde dat sultanaat over Palestina, een stuk Libië en het westen van Arabië. Daarnaast was Caïro sinds medio dertiende eeuw ook de zetel van de islamitische kalief. Met de Ottomaanse inname van Caïro en van Mekka en Medina in 1517 nam de Ottomaanse sultan de instelling van het kalifaat en titel van kalief over.

Niet onbelangrijk, want hiermee verbonden hij en zijn opvolgers zich tot de bescherming van de moslims wereldwijd – dus ook in Afrika – en van de islamitische heilige plaatsen in Arabië. Dit zou een belangrijke drijfveer en rechtvaardiging worden voor de verdere Ottomaanse expansie in het noorden van Afrika – tot en met het huidige Tunesië en Algerije – van 1517 tot 1525. 

In Egypte en de rest van het gearabiseerde en geïslamiseerde noorden van Afrika nestelden de Ottomanen zich in een gebied dat voor hen lang overheerst werd door andere islamitische dynastieën. De aanhechting van die gebieden als vazalstaat, protectoraat of provincie paste bij het idee om alle moslims en gebieden van de oude kalifaten opnieuw in één gemeenschappelijk islamitisch rijk samen te brengen.

Maritieme enclaves
Met het diepe, ‘eigenlijke’ Afrika lag het anders. Aanvankelijk verliep de wisselwerking met dat deel van het continent langs oude scheepvaartwegen over de Rode Zee.

Al in de 16e eeuw organiseerden de Ottomanen, als erfgenamen van de kalifaten, militaire interventies en wapenleveringen om islamitische bondgenoten in de Hoorn van Afrika te helpen

Weldra kreeg het ook een duidelijk politiek karakter. Zo organiseerden de Ottomanen, als erfgenamen van de kalifaten, al in de zestiende eeuw militaire interventies en wapenleveringen om islamitische bondgenoten in de Hoorn van Afrika te helpen.

Een voorbeeld is het sultanaat van Adal in het huidige Somalië, dat in 1529 een militaire jihad tegen het koptisch-christelijke koninkrijk Ethiopië begon en een groot stuk van het rijk bezette en verwoestte.2 De Ottomanen voorzagen de krijgsmacht van Adal van een aantal artilleriestukken en musketiers.

Een andere drijfveer was de wedijver met een andere opkomende maritieme macht uit die tijd, namelijk Portugal, dat in 1507 een handelspost had opgericht in Muscat, de hoofdstad van het Golf-sultanaat Oman. Tussen 1538 en 1554 probeerde de Ottomaanse vloot tevergeefs om de Portugezen uit de regio te verdrijven.

De Ottomanen bleven niet in Muscat, maar richtten in die periode wel een reeks forten op langs de Oost-Afrikaanse kust. Van daaruit organiseerden ze tussen 1556 en 1584 een reeks expedities en veldtochten naar de Afrikaanse koninkrijken Funj en Ethiopië, maar ze annexeerden deze gebieden toen niet.

Na de administratieve reorganisatie van 1795 lagen 4 van de 28 toenmalige Ottomaanse provincies in Afrika: Egypte, Tripoli, Tunis en Habes. Egypte (Misr in het Arabisch) verwierf vanaf 1798 geleidelijk ruime autonomie onder een eigen kedive (onderkoning) en werd zo een quasionafhankelijke staat binnen het Ottomaanse rijk. Habes – een oude Arabische naam voor Ethiopië – lag rond de Rode Zee en omvatte naast Mekka en Medina in Arabië ook Afrikaanse kustgebieden tot in wat vandaag Somaliland is.

Uitbesteed bestuur
De aard van het bestuur in de verschillende Afrikaanse rijksdelen varieerde sterk. Over het algemeen was het rechtstreekse Turkse gezag geconcentreerd langs de hoofdwegen en grote rivieren; in een keten van forten en militaire garnizoenen, in havens en handelsposten, en in de provincie- en districtshoofdplaatsen waar de Ottomaanse gouverneurs en districtshoofden kantoor hielden.

De Ottomaanse sultan legitimeerde als kalief de autoriteit van plaatselijke gezagsdragers in ruil voor loyaliteit, belastingen en troepen voor de strijdkrachten

Daarbuiten rustte het Turkse gezag vooral op een systeem van ‘uitbesteed bestuur’ aan plaatselijke dynastieën, tribale sjeiks, lokale islamitische ordes, en handelaars. De Ottomaanse sultan legitimeerde als kalief de autoriteit van plaatselijke gezagsdragers in ruil voor loyaliteit, belastingen en troepen voor de strijdkrachten.

DeCordier-De Grote Moskee in Khartoem, Soedan. Jordan Sitkin - Flickr
De Grote Moskee in Khartoem, Soedan. © Jordan Sitkin / Flickr

De Ottomaanse overheersing in de gebieden die nu Soedan vormen, leek nog het meest op een moderne kolonie. Ottomaans Egypte speelde daarin een centrale rol. Nubië, Kordofan, het koninkrijk Funj en het hoge Nijl-bekken waren reeds oude Egyptische invloedgebieden voor zij tussen 1820 en 1824 militair werden geannexeerd.

Vanaf 1830, toen Khartoem de hoofdstad werd van de Soedanese gewesten van Ottomaans Egypte, werd een stabielere administratie opgezet. Het negentiende-eeuwse Ottomaanse bewind over Soedan was in de praktijk vooral een Arabisch-Egyptische heerschappij waarin Arabisch meer dan Turks de voertaal was.

Ter plekke beschouwde men het echter in eerste plaats als Turkse overheersing, omdat de kedive van Caïro een Ottomaanse onderkoning was, er Turkse legereenheden – met ook Albanese, Koerdische en Kaukasische manschappen – waren gestationeerd, en omdat de ambtenaren in de hoogste echelons vaak Turken waren.

Slavenkolonies
De Ottomanen bouwden in Soedan een postsysteem en telegrafienetwerk uit, en in een aantal steden kwamen ook ziekenhuizen. In sommige districten werden mijnbouwconcessies afgegeven of strafkolonies ingericht.

Tussen Ottomaans Egypte en de Ottomaanse gewesten en invloedgebieden dieper in Afrika – die op hun hoogtepunt tot in het noorden van Oeganda reikten – vond handel in allerlei grondstoffen plaats, zoals ivoor, gom, goud en specifieke houtsoorten.

Het verwerven van de volledige controle over zowel de Nijl als over de slavenhandel was één van de voornaamste redenen waarom de kedive van Caïro Soedan annexeerde

De meest winstgevende branche was echter de handel in zwarte slaven uit Kordofan, de ‘heidense’ Dinka-gebieden, Oeganda en het christelijke Ethiopië. Die handel bestond al lang voor de annexatie van Egypte door de Ottomanen, maar werd in de zestiende eeuw opgenomen in de Ottomaanse grenslandeconomie en tribuutheffing.

Fragment uit een Ottomaanse kaart van Afrika uit omstreeks 1890. Het roze ingekleurde gedeelte staat aangeduid als ‘Afrika-i Osmani’ (‘Ottomaans Afrika’) .
Fragment uit een Ottomaanse kaart van Afrika uit omstreeks 1890. Het roze ingekleurde gedeelte staat aangeduid als ‘Afrika-i Osmani’ (‘Ottomaans Afrika’).

Het verwerven van de volledige controle over zowel de Nijl als over de slavenhandel was één van de voornaamste redenen waarom de kedive van Caïro Soedan annexeerde. Hij wilde met de opbrengsten hiervan de geambieerde modernisering van Egypte bekostigen en aanvankelijk ook een eigen legermacht uitbouwen met Afrikaanse slaven.

De slavenhandel kende hoe dan ook een nieuwe piek tussen de jaren 1820 en 1870. De cijfers over het aantal Afrikaanse slaven dat jaarlijks per landkaravaan of schip over de Rode Zee werd weggevoerd naar Egypte, Libië en de andere Ottomaanse contreien loopt van gemiddeld 7.000 tot 17.000.3 In de ruim zestig jaar tussen de inval van 1821 en 1882 het jaar waarin de slavenhandel sterk terugliep gaat het om 420.000 tot een miljoen mensen. 

De slavenhandel maakte deel uit van een veel groter systeem van slavenhandel naar en in het Ottomaanse rijk, waar ook het oosten van Europa zwaar door getroffen werd

Ook het sultanaat Darfoer, dat geregeerd werd door een geïslamiseerde zwarte elite voordat het in 1874 door Ottomaans Egypte werd geannexeerd, was een belangrijke invoerder van Afrikaanse slaven. Bij de handel was een hele keten van slavenjagers, handelaars en tussenpersonen uit Darfoer, Somalië en Zanzibar betrokken.

Sommige slavenhandelaars beheerden ware privégewesten. Deze slavenhandel maakte bovendien deel uit van een veel groter systeem van slavenhandel naar en in het Ottomaanse rijk, waar ook het oosten van Europa zwaar door getroffen werd.4 

Het afvoeren van Afrikaanse ‘heidenen’ en ‘ongelovigen’ als slaaf zet vraagtekens bij het in sommige kringen populaire discours dat de Ottomaanse heerschappij in Afrika – in tegenstelling tot de Europese – niet was gestoeld op superioriteitsdenken, en dat ze à priori niet zo gewelddadig was.

DeCordier-Schilderij met weergave van de Mahdi-opstand in 1885. Wikicommons
Schilderij met weergave van de Mahdi-opstand in 1885. © Wikicommons

Oplopende spanningen
De Ottomaans-Egyptische bewindvoerders in de Soedanese gebieden zetten bepaalde gearabiseerde Nubische stammen uit het noorden in om belastingen te innen onder de boerenbevolking. Dat systeem legde op termijn de kiemen voor de spanningen tussen het ‘Arabische’ noorden en het ‘Afrikaanse’ zuiden van Soedan.

Ook werden veelvuldig imams en islamitische rechters geïmporteerd die waren opgeleid aan de islamitische instituten van Caïro en een orthodoxere soennitische islam propageerden die botste met de praktijk en de tradities van de lokale soefibroederschappen.

Dit werkte religieus gedreven antikoloniale weerstand tegen de Ottomanen en Egyptenaren in de hand, waarvan de Mahdi-opstand van 1881 tot 1899 de hevigste en meest legendarische was. Die weerstand, en het feitelijk samenvoegen van Nubië, Kordofan, Funj, Darfoer en de bovenbekken van de Nijl onder Ottomaans-Egyptisch bewind zouden ook de kiemen leggen voor Soedanese nationale gedachten.

Betrokken bij de Berlijnconferentie
In 1884 en 1885 nam het Ottomaanse rijk deel aan de koloniale conferentie van Berlijn, waar de Europese mogendheden Afrika onder elkaar opdeelden. Hoewel de macht van de Ottomanen toen overal al tanende was, namen ze in de nasleep van de conferentie toch actief deel aan het ‘gegrabbel om Afrika’ om gebiedsverlies op de Balkan na 1878 én het wegsmelten van het Turkse gezag over het kedivaat van Caïro te compenseren.

DeCordier-De (Koloniale) Conferentie van Berlijn, ook wel de Congo- of West-Afrikaconferentie waar vijftien Europese landen en de Verenigde Staten in Berlijn in 1884-1885 Afrika 'verdeelden'. Wikicommons
De (Koloniale) Conferentie van Berlijn, ook wel de Congo- of West-Afrikaconferentie genoemd, waar vijftien Europese landen en de Verenigde Staten in Berlijn in 1884-1885 Afrika 'verdeelden'. © Wikicommons

De kedive was sinds de jaren 1870 steeds afhankelijker geworden van Britse financiële en militaire steun om zijn eigen ambities te verwezenlijken. Daarom probeerden Ottomaanse gezanten en agenten aan het einde van de negentiende eeuw om, via het actief steunen van lokale heersers en soefi-islamitische ordes, de Berbers, Toearegs en de Peul ten zuiden van de provincie Libië en de regio rond het Tsjaadmeer in hun rijksfeer te krijgen.5

Gedurende vierhonderd jaar was de Ottomaanse overheersing – in al haar vormen – een van de belangrijkste dragers in de vroegmoderne mondialisering en kolonisering in Afrika

Maar toen waren de dagen van Ottomaans Afrika bijna geteld. Gedurende vierhonderd jaar was de Ottomaanse overheersing – in al haar vormen – een van de belangrijkste dragers in de vroegmoderne mondialisering en kolonisering in Afrika.

Nam ze in noordelijk Afrika eerder de vorm aan van een klassiek imperium dat rond een politiek beschavingsidee – het herenigen van de islamitische ideologische gemeenschap – was gevormd, dan had ze zeker in de negentiende-eeuwse Soedanese gewesten een mercantiel-koloniaal karakter. Soedan was daarbij een duidelijk geval van ‘sub-imperialisme’, waarin een deelgebied (het onder-koninkrijk Egypte) van een groter rijk een eigen invloedssfeer en eigen quasi-koloniale wingewesten had. 

DeCordier-De Turkse president Erdogan opent in 2015 samen met zijn Somalische ambtsgenoot Hassan Sheikh Mohamud een nieuw terminal van Aden Abdulle International Airport in Mogadishu. Wikicommons
De Turkse president Recep Tayyip Erdoğan opent in 2015 samen met zijn Somalische ambtsgenoot Hassan Sheikh Mohamud een nieuw terminal van Aden Abdulle International Airport in Mogadishu. © Wikicommons

Een ‘neo-Ottomaanse’ Afrikapolitiek?
Hoewel het Ottomaanse rijk op een andere manier ontstond en anders in elkaar zat dan de moderne Europese koloniale rijken, had zijn structurele relatie met bepaalde deelgebieden wel degelijk koloniale kenmerken.

Sommige verhoudingen en structuren die onder Ottomaans bewind waren ontstaan, werden later overgenomen of ingepast door de Europese koloniale regimes die erop volgden. Er is desalniettemin geen rechtstreekse historische continuïteit tussen de Ottomaanse en postkoloniale tijdperken, omdat daar tussenin nog de Britse, Franse en andere Europese kolonisaties van de betrokken gebieden plaatsvonden.

Hoewel het vandaag de dag gaat om zachte macht, is ‘neo-Ottomanisme’ wel degelijk aanwezig

Hoe zwaar wegen de erfenis van Ottomaans Afrika en ‘neo-Ottomanisme’ vandaag de dag eigenlijk in de Turkse Afrikapolitiek? Hoewel het nu gaat om zachte macht, en niet om gebiedsannexatie, slavenhandel en het herstel van het oude rijk, is ‘neo-Ottomanisme’ wel degelijk aanwezig, zij het naast andere kaders zoals handelsrelaties en humanitarisme.6

Daarbij wordt veelal verwezen naar een behoorlijk geïdealiseerde versie van het Ottomaanse rijk als een succesvolle veelvolkerenstaat waarin talrijke etnische en religieuze groepen eeuwenlang vreedzaam samenleefden. Het moet meer een idee onderbouwen van gelijkwaardigheid in de relaties tussen Turkije als één van de leidende islamitische landen en de Afrikaanse landen en samenlevingen.

Het Ottomaanse tijdperk duikt ook op bij verwijzingen naar een oude traditie van Turks-Afrikaanse culturele uitwisseling, wat belangrijk is in de religieuze diplomatie en in de culturele samenwerking. Een voorbeeld hiervan is de restauratie van Ottomaans erfgoed in Afrika door het Turkse agentschap voor ontwikkelingssamenwerking.

In een tijd waarin de Ottomaanse geschiedenis een van de referentiekaders is van de Turkse eigenheid, maakt Ottomaans Afrika als historische ervaring dus deel uit van de psychologische ruimte waarin Turkije een primordiale invloedssfeer in Afrika aanlegt.

  • 1. Voor een kernachtig overzicht, zie Joséphine Dédet, ‘Infographie : la Turquie en Afrique, une influence grandissante’, Jeune Afrique, 1 augustus 2018.
  • 2. Robert Ferry, ‘Quelques hypothèses sur les origines des conquêtes musulmanes en Abyssinie au XVIe siècle’, Cahiers d'études africaines,  2 (5), 1961, pp. 24-36,  www.persee.fr/doc/cea_0008-0055_1961_num_2_5_2961
  • 3. Voor een uitgebreid overzicht van de schattingen van de omvang van de slavenhandel, zie Reda Mowafi, Slavery, slave trade and abolition attempts in Egypt and the Sudan, 1820-1882, Scandinavian University Books, Lund Studies in International History, 1981, pp. 32-35. Zie ook Ehud R. Toledano, ‘Enslavement in the Ottoman Empire in the early modern period’, in: David Eltis and Stanley L. Engerman (red.), The Cambridge World History of Slavery, volume 3 (1420-1804), Cambridge University Press, 2011, p. 26.
  • 4. Hayri Gökşin Özkoray, ‘La géographie du commerce des esclaves dans l’Empire ottoman et l’implication des marchands d’Europe occidentale’, Rives méditerranéennes, 53, 2016, journals.openedition.org/rives/5150
  • 5. Een grondige analyse van deze periode vindt men in Mostafa Minawi, The Ottoman scramble for Africa: empire and diplomacy in the Sahara and the Hijaz, Stanford University Press, 2016.
  • 6. Voor een analyse van de invloed en relevantie van de ‘neo-Otttomaanse’ idee in de Turkse Afrikapolitiek, zie Gökhan Bacik en İsa Afacan, “Turkey discovers Sub-Saharan Africa: the critical role of agents in the construction of Turkish foreign-policy discourse”, Turkish Studies, 14(3), 2013, vooral pp. 495-496.

Auteurs

Bruno De Cordier
Verbonden aan de Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen van de Universiteit Gent