De realiteit van het neoliberalisme
Serie Europese Zaken

De realiteit van het neoliberalisme

09 Oct 2019 - 11:02
Photo: Fraser Mummery-Flickr
Terug naar archief

Op 9 november 2019 is het precies dertig jaar geleden dat de Berlijnse Muur viel. In de serie “30 jaar na de val van de Muur: de erfenis” staat de Clingendael Spectator stil bij de vraag wat is uitgekomen van de optimistische verwachtingen direct na het einde van Koude Oorlog. In dit vierde deel besteedt Ido de Haan aandacht aan het neoliberalisme als een van de ‘winnaars’ van de Koude Oorlog. ‘1989’ versnelde het proces van een groeiend vertrouwen in de macht en moraal van de markt. Maar waar komt het neoliberalisme als concept vandaan en wat heeft het ons gebracht?1

Aan het einde van de Koude Oorlog leek er even sprake te zijn van een afgetekende overwinning van de vrije markt. Terwijl het liberale kapitalisme in Oost-Europa als bevrijdend perspectief werd gepresenteerd, werd marktwerking in het Westen gezien als ideale oplossing voor de crisis van de verzorgingsstaat.

De roes van de overwinning maakte echter al snel plaats voor de kater van de bevrijding. Vrijheid, rechtvaardigheid en voorspoed bleken in oost en west even precair na 1989 als ervoor, en na de opkomst van het populisme en de financiële meltdown van 2008 in het geheel niet vanzelfsprekend meer.

In zijn boek over de geschiedenis van Europa sinds 1989 schrijft Philipp Ther deze desillusie voor een belangrijk deel toe aan de opkomst van het neoliberalisme.2 De val van de Muur was niet alleen het einde van het communisme, maar ook het moment waarop het sociaaldemocratische keynesianisme definitief plaats moest maken voor de hegemonie van het marktdenken.3

DeHaan-foto-De val van de muur in de ogen van de schilder Kani Alavi. Fraser Mummery-Flickr
De val van de muur in de ogen van de schilder Kani Alavi. © Fraser Mummery /Flickr

In West-Europa leidde deze verschuiving tot verdere ontmanteling van de verzorgingsstaat en het machtiger worden van financiële instellingen en aandeelhouders in zowel de private als de publieke sector. In Oost-Europa veroorzaakte het de privatisering van collectief bezit en de liberalisering en deregulering van cruciale onderdelen van het economisch verkeer. Deze omslag ging tevens in alle gevallen gepaard met een fixatie op bezuinigingen op collectieve uitgaven als financieel-economische wijsheid waarvoor geen beleidsmatig alternatief bestond.

De opmars van het neoliberalisme
De lofzang op het kapitalisme van 1989 werd gezongen op een wijs die al langer rondzong. Het neoliberalisme was in het Westen al veel eerder aan zijn opmars begonnen, hoewel dat niet voor iedereen evident was. Zo betoogden in Nederland politieke denkers van liberale huize dat het neoliberalisme een ‘politieke fictie’ is: “Het neoliberalisme bestaat uitsluitend in de fantasie van (sommige?) linkse mensen; zij gebruiken het als een scheldwoord voor alles wat zij verafschuwen. Het is het hekserijgeloof van deze tijd.”4

De negatieve lading van de term neoliberalisme is voor een belangrijk deel het gevolg van de akelige associatie tussen de dictator Pinochet en zijn neoliberale adviseurs

Dat standpunt is niet houdbaar.5 Inderdaad, het neoliberalisme heeft nu overwegend een negatieve lading, maar dat doet niet af aan de realiteit ervan. In de jaren zestig gebruikten Latijns-Amerikaanse economen de term ‘neoliberalismo’ als label voor hun pleidooi voor markthervormingen. Deze economen vonden in de jaren zeventig gehoor bij meerdere dictators op het Zuid-Amerikaanse continent, waaronder bij de Chileense despoot Augusto Pinochet. De negatieve lading van de term neoliberalisme is voor een belangrijk deel het gevolg van deze akelige associatie tussen de dictator Pinochet en zijn neoliberale adviseurs.6

Het neoliberalisme zelf is echter nog ouder dan de jaren zestig. De term werd gemunt in 1938 op een bijeenkomst in Parijs waar het werk The Good Society van de Amerikaanse schrijver Walter Lippmann werd besproken. Prominente economen zoals de Oostenrijkers Ludwig von Mises en Friedrich Hayek en de Duitse Wilhelm Röpke en Alexander Rüstow waren hierbij aanwezig. Uit de discussie die zij in 1938 voerden, welke vanaf 1947 werd voortgezet in de Mont Pèlerin Society, blijkt dat onder het neoliberalisme een veelheid aan ideeën valt. Desalniettemin is er wel een aantal kernelementen aan te wijzen.

Geen laisser faire
Het is allereerst een misvatting om het neoliberalisme te zien als een reconstructie van het negentiende-eeuwse laisser faire denken of als ‘marktfundamentalisme’, waarbij de gedachte centraal staat dat alle maatschappelijke problemen opgelost zouden zijn als de markt vrij spel krijgt.7 Het neoliberalisme is daarentegen de vrucht van een breed gedeelde kritiek op de veronderstelling dat markten spontaan ontstaan en inherent stabiel zijn.8

DeHaan-foto-De zogenaamde Charging Bull, ook bekend als de Wall Street Bull in het financiële district van Manhattan. © Sam Valadi - Flickr
De zogenaamde Charging Bull, ook bekend als de Wall Street Bull in het financiële district van Manhattan. © Sam Valadi / Flickr

Die veronderstelling was immers niet meer geloofwaardig na de formulering van de sociale kwestie rond 1870, het onstuimige kapitalisme van het einde van de negentiende eeuw, de krachtige tegenbeweging van het internationale socialisme, de Eerste Wereldoorlog, en bovenal de beurskrach van 1929. Toen de Britse econoom John Maynard Keynes tijdens een lezing in 1926 ‘the end of laisser faire’ behandelde, kwam hij niet met een verrassend nieuw inzicht maar gaf hij een samenvatting van vijftig jaar debat over de tekortkomingen van de vrije markt.9

Constitutionele inbedding
Neoliberalen identificeerden grotendeels dezelfde problemen als Keynes en zijn volgelingen, maar kwamen met radicaal andere oplossingen.10 Zo verwierpen neoliberale denkers bijvoorbeeld de keynesiaanse gedachte dat de staat de economie diende te stimuleren met directe investeringen, zeker als die gericht waren op de bevordering van sociale rechtvaardigheid.

Ze zagen echter wel een belangrijke rol voor de overheid weggelegd in het tot stand brengen van een constitutionele orde ter ondersteuning van het adequaat functioneren van markten. Zoals de Duitse econoom Walter Eucken betoogde, was het neoliberalisme in de eerste plaats een ‘ordoliberalisme’. De staat had volgens hem de taak om de wettelijke kaders van de markt te handhaven die gelijke kansen garandeerden, zoals het tegengaan van monopolies en het opheffen van belemmeringen voor de mobiliteit van kapitaal, arbeid en goederen.

De wereldklok op de Alexanderplatz in Berlijn. © Diego Delso - Wikimedia
De wereldklok op de Alexanderplatz in Berlijn. © Diego Delso / Wikimedia

Neoliberalen verschilden vervolgens onderling van mening over de vraag op welk niveau en op welke manier dat wettelijk kader tot stand gebracht moest worden. Volgens de Canadese historicus Quinn Slobodian waren alle neoliberalen het eens met de gedachte dat – zelfs als de staat een constitutioneel raamwerk voor de markt kon vormen – de markt nooit ingeperkt kon worden binnen de kaders van de nationale staat.11

Sommigen hadden daarbij een voorkeur voor multinationale en federale staatsverbanden en zagen de Europese gemeenschap daarbij als stap in de juiste richting. Volgens veel anderen kon de markt daarentegen slechts op mondiaal niveau gegrondvest worden. Zij beschouwden derhalve de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) als de meest aangewezen verankering voor een neoliberale constitutie.11

Vitalpolitik
Naast een constitutionele inbedding betoogden neoliberalen dat deelname aan het economisch verkeer de juiste mentale en morele gesteldheid vergt. Spaarzin, ijver, efficiëntie en verantwoordelijkheidsbesef voor gezin en samenleving waren hierbij belangrijke zaken die door Rüstow werden aangeduid als onderwerpen van ‘Vitalpolitik’.

De Franse filosoof Michel Foucault vertaalde Rüstows Vitalpolitik als ‘biopolitiek’ tijdens zijn colleges over het neoliberalisme in 1979. Hij doelt hiermee op een systeem waarin de politiek het biologische leven van mensen probeert te beïnvloeden, sturen en beschermen. Zo bezien is het neoliberalisme eigenlijk geen ideologie van de vrije markt, maar meer een vorm van staatsbestuur – wat Foucault met een neologisme aanduidde als een nieuwe ‘gouvernementalité’ (bestuurlijkheid).12

Met name de Duitse neoliberale socioloog Wilhelm Röpke zocht een middenweg tussen het laissez faire kapitalisme en een volledig door de staat geleide economie. Hij predikte derhalve een filosofie van het midden- en kleinbedrijf. Röpke vond dat de markt enerzijds beschermd moest worden tegen collectivisme door de staat en anderzijds tegen een concentratie van de economische macht in het grootbedrijf en financiële instellingen.

De neoliberale Vitalpolitik had vaak een racistisch aspect

Daarnaast vergde het functioneren van de markt volgens neoliberaal gedachtegoed echter ook een morele bedding in een christelijke en bovendien ook blanke beschaving. Röpke en andere neoliberalen hielden op grond hiervan een pleidooi voor een raciaal gesegregeerde samenleving. Zij zagen de Zuid-Afrikaanse apartheid dan ook als een goede oplossing voor de postkoloniale wereld die na 1960 was ontstaan. De neoliberale Vitalpolitik had dan ook vaak een racistisch aspect.13

Wantrouwen in de democratie
De beperking van politieke rechten was evenzeer ingegeven door wantrouwen in de democratie. Hoewel neoliberalen benadrukten dat de markt ‘kleurenblind’ was, vreesden zij dat de dekolonisatie een nieuwe impuls zou geven aan herverdelingspolitiek, nu op mondiale schaal. Democratische besluitvorming over sociaaleconomische kwesties zou onherroepelijk leiden tot collectieve regelingen die in zouden grijpen in eigendomsrechten.

Het sluitstuk van de neoliberale ideologie was derhalve een technocratische opvatting van politiek die bovenal tot uitdrukking kwam in een afkeer van politieke mobilisatie. Neoliberale machtsvorming vond reeds plaats vanaf de oprichting van de internationale Mont Pèlerin Society in 1947, maar vooral in denktanks en via elitenetwerken, opleidingsinstituten, adviesorganen en ambtelijke kaders.14 Dat verklaart de relatieve onzichtbaarheid van het neoliberalisme.

Neoliberalen werden vanaf de jaren zestig grotendeels onzichtbaar, om pas in de jaren tachtig weer op te duiken met andere voormannen en deels een andere boodschap

In de jaren veertig en vijftig waren er nog vooraanstaande politici lid van de Mont Pèlerin Society, zoals Luigi Einaudi, president van Italië tussen 1948 en 1955, en de Duitser Ludwig Erhard, die vanaf 1949 minister van Economische Zaken was en vervolgens van 1963 tot 1965 Bondskanselier. In Nederland stelde de VVD-partijleider Pieter Oud in 1952 tevreden vast “dat men voor het neo-liberalisme, dat wij voorstaan, meer en meer oog begint te krijgen.”15

Neoliberalen werden vanaf de jaren zestig grotendeels onzichtbaar, om pas in de jaren tachtig weer op te duiken met andere voormannen en deels een andere boodschap. Waar Eucken, Rüstow en Röpke nog de totalitaire staat als tegenbeeld van de neoliberale samenleving zagen, zetten de Amerikaanse economen Milton Friedman en James Buchanan zich af tegen de verzorgingsstaat.

Neoliberalisme in de politiek
De politieke doorwerking daarvan vertoonde ook opvallende verschillen. In Groot-Brittannië droeg de Britse premier Margaret Thatcher de neoliberale agenda met strijdlustig enthousiasme uit. Voor haar was de val de Muur de definitieve bevestiging dat zij altijd al het juiste ideologische spoor had gevolgd. In een brief aan de toen al negentigjarige Hayek schreef ze dat niets van haar succes “would have been possible without the values and beliefs to set us on the right road and provide the right sense of direction.”16

In veel andere landen werd het neoliberalisme daarentegen met veel minder fanfare – maar daarmee niet minder effectief – binnengehaald. In Nederland gebeurde dat in eerste instantie onder de noemer van het no-nonsense beleid van de christendemocratische minister-president Ruud Lubbers, gevolgd door de post-ideologische Derde Weg van de sociaaldemocratische premier Wim Kok

Potsdamer Platz in Berlijn. © Jorge Lascar - Wikimedia
Potsdamer Platz in Berlijn. © Jorge Lascar / Wikimedia

Een belangrijke reden voor het verschil tussen het Verenigd Koninkrijk en Nederland is dat de Britse civil service hardnekkig vasthield aan keynesiaanse uitgangspunten; de neoliberale wending werd daar ingezet door de conservatieve denktank Centre for Policy Studies.17 In Nederland kwam het neoliberalisme van binnenuit, gedragen door ambtenaren van de ministeries van Economische Zaken en Financiën, die een steeds prominentere publieke rol gingen spelen.

Van minstens even groot belang was dat ambtelijke organisaties steeds meer marktbeginselen in hun functioneren verwerkten.18 Zo vond de managementfilosofie New Public Management breed ingang. Dit was een neoliberale biopolitiek gericht op de moraal van ambtenaren die niet langer het algemeen belang ten goede van burgers moesten dienen, maar targets dienden te halen voor het aanbieden van diensten en goederen aan cliënten en consumenten.19

Op dezelfde technocratische wijze is ook elders in Europa na 1989 het neoliberalisme aan de man gebracht; niet als een door een politieke beweging gedragen ideologie, maar als onvermijdelijk en noodzakelijk bezuinigingsbeleid. Het meest krachtige wapen van het neoliberalisme was dan ook de zogeheten ‘TINA-doctrine’, herhaaldelijk vertolkt door Margaret Thatcher: “There Is No Alternative.”20

De crisis van 2008
De financiële crisis van 2008 legde de gebreken van de neoliberale constitutie en de uitputting van de neoliberale biopolitiek bloot. Je zou verwachten dat de neoliberale depolitiseringsstrategie als gevolg hiervan werd doorgeprikt en de realiteit van het neoliberalisme onder ogen kon worden gezien. Dat bleek echter maar in zeer beperkte mate het geval.

In de Verenigde Staten werd met de Dodd–Frank Wall Street Reform and Consumer Protection Act van 2010 een poging gedaan de financiële sector aan banden te leggen door rommelhypotheken en giftige financiële beleggingsinstrumenten te verbieden. Tegelijkertijd bleef in Europa vergelijkbare regulering grotendeels achterwege.

Het neoliberalisme verkeerde in een ‘strange non-death’

De Europese regeringen volhardden onder aanvoering van Duitsland en Nederland ook in een bezuinigingsbeleid. Dit beleid verstikte met name de economieën van Zuid-Europese landen, maar ook in West-Europa droeg het bij aan achterblijvende groei, aanhoudende werkloosheid, groeiende sociale ongelijkheid en persistente armoede.21 De al snel weer stijgende winsten van bedrijven en aandeelhouders vonden hun weg niet alleen naar nieuwe financiële producten, maar via de opnieuw snel groeiende hypotheekmarkt vooral naar sterk stijgende huizenprijzen.

Zoals de Britse politiek-econoom Colin Crouch in 2011 betoogde, verkeerde het neoliberalisme in een ‘strange non-death’.22 In zombiegestalte leefde het voort, omdat ieder alternatief voor neoliberaal beleid werd afgeschilderd als irrationele ontkenning van eenduidige economische waarheden.

Occupy protest in Austin 2011. © Charlie Llewellin - Flickr
Occupy protest in Austin 2011. © Charlie Llewellin / Flickr

Een einde aan de neoliberale zegetocht
Vanaf 2015 lijkt het tij te keren. In de eerste helft van dat jaar werd de Griekse minister van Financiën Yanis Varoufakis, die zich verzette tegen de neoliberale voorwaarden voor voortzetting van Europese steun aan de Griekse economie, nog weggezet als onverantwoordelijke onruststoker. Maar in 2016 verscheen in het IMF-magazine Finance & Development een opvallend stuk met als titel ‘Neoliberalism: Oversold?’ Daarin werd betoogd dat de “strong and widespread global trend toward neoliberalism since the 1980s” weliswaar had geleid tot groei van de wereldhandel, daling van de armoede, grotere efficiëntie van de overheid en lagere belastingen, maar daartegenover stond groeiende ongelijkheid en een weinig duurzame economie.23

Sindsdien is de kritiek op het neoliberalisme steeds luider geworden. Tijdens de algemene politieke beschouwingen in de Tweede Kamer op 19 september 2019 constateerde CDA-fractieleider Pieter Heerma dat “nog nooit in dit huis door zo veel partijen afscheid is genomen van doorgeschoten individualisme en te veel neoliberalisme en macht van de markt. Ik denk dat dat heel goed is. Laten we daar ook mee doorgaan.”24 Zo lijkt er dertig jaar na de val van de Muur, veertig jaar nadat Margaret Thatcher in het Verenigd Koninkrijk de macht overnam, en ruim tachtig jaar na zijn conceptie, een einde te komen aan de zegetocht van het neoliberalisme.

  • 1. Dit stuk is het product van gesprekken en inzichten gedeeld in de onderzoeksgroep Market Makers. De geschiedenis van het neoliberalisme in Nederlands 1945-2008; zie www.neoliberalisme.nl.
  • 2. Philipp Ther, Europe since 1989. A History (Princeton: Princeton University Press, 2016).
  • 3. Het keynesianisme stelt dat de markt niet altijd zelfregulerend is en dat overheden in tijden van recessie moeten ingrijpen.
  • 4. Martin van Hees, Patrick van Schie & Mark van de Velde, Neoliberalisme. Een politieke fictie (Amsterdam: Boom, 2014), p. 73.
  • 5. Merijn Oudenampsen en Bram Mellink, ‘Voorbij de controverse: het Nederlandse neoliberalisme als onderwerp van onderzoek’, Beleid en Maatschappij 46 (2019) 2, pp. 235-254.
  • 6. Taylor C. Boas en Jordan Gans-Morse, Neoliberalism: From New Liberal Philosophy to Anti-Liberal Slogan Studies in Comparative International Development 44 (2009) 2: 137-161.
  • 7. Damien Cahill, The End of Laissez Faire? (Cheltenham: Elgar, 2014); Hans Achterhuis, De utopie van de vrije markt (Rotterdam: Lemniscaat, 2010), Maarten van Rossem, Kapitalisme zonder remmen. Opkomst en ondergang van het marktfundamentalisme (Amsterdam: Nieuw Amsterdam, 2011).
  • 8. Een handzaam overzicht van relevante titels wordt gegeven in het inleidende hoofdstuk van Quinn Slobodian, Globalists. The End of Empire and the Birth of Neoliberalism (Cambridge MA: Harvard University Press, 2018).
  • 9. John Maynard Keynes, ‘The end of laisser faire’ [1926], in: E. Johnson & D. Moggridge (eds.), The Collected Writings of John Maynard Keynes Volume 9: Essays in Persuasion (London: Royal Economic Society, 1978) pp. 272-294.
  • 10. Ben Jackson, ‘At the origins of neo-liberalism: the free economy and the strong state, 1930-1947’, The Historical Journal 53 (2010) 1, pp. 129-151.
  • 11. a. b. Zie Slobodian, Globalists.
  • 12. Michel Foucault, Naissance de la biopolitique. Cours au Collège de France (1978-1979), F. Ewald, A. Fontana et M. Senellart (eds.) (Paris: Gallimard-Le Seuil, 2004).
  • 13. Zie Slobodian, Globalists, hoofdstuk 5 ‘A World of Races’.
  • 14. Philip Mirowski en Dieter Plehwe (eds.), The Road from Mont Pèlerin: The Making of the Neoliberal Thought Collective (Cambridge MA: Harvard University Press, 2009).
  • 15. Geciteerd in Bram Mellink, ‘Politici zonder partij. Sociale zekerheid en de geboorte van het neoliberalisme in Nederland (1945-1958)’, BMGN - Low Countries Historical Review 132 (2017) 4, pp. 30-57.
  • 16. Geciteerd in Stephen Metcalf, ‘Neoliberalism: the idea that swallowed the world’, The Guardian 18 augustus 2017.
  • 17. Zie hierover Peter Hall, ‘Policy paradigms, social learning, and the state. The case of economic policymaking in Britain’, Comparative Politics 25 (1993) 3, pp. 275-296.
  • 18. Oudenampsen en Mellink, ‘Voorbij de controverse’
  • 19. P.W. Zuidhof, Imagining Markets: The Discursive Politics of Neoliberalism (Academisch proefschrift, Erasmus Universiteit, 2012).
  • 20. Colin Hay, ‘The normalizing role of rationalist assumptions in the institutional embedding of neoliberalism’, Economy and Society 33 (2004) 4, pp. 500-527. Claire Berlinski, ‘There is No Alternative’: Why Margaret Thatcher Matters (London: Basic Books, 2010).
  • 21. Zie voor een gedetailleerde beschrijving van de Europese reacties op de crisis van 2008 Adam Tooze, Crashed. How a Decade of Financial Crisis Changed the World (New York: Penguin Books , 2019), pp. 321-446.
  • 22. Colin Crouch, The Strange Non-Death of Neoliberalism (Oxford: Polity, 2011).
  • 23. Jonathan D. Ostry, Prakash Loungani, and Davide Furceri, ‘Neoliberalism: Oversold?’, Finance & Development, juni 2016, pp. 38-41.
  • 24. Pieter Heerma, Algemene Politieke Beschouwingen Tweede Kamer der Staten-Generaal, zie verslag, geraadpleegd op 24 september; stenoverslag p. 155.

Auteurs

Ido de Haan
Hoogleraar aan de Universiteit Utrecht