Terug naar archief
De wereld door de ogen van ons team van spectators

Steun voor de EU: kosten omlaag of baten omhoog

14 Nov 2017 - 14:33

Nexit, Frexit, Auxit, Czexit… er is het afgelopen jaar flink gespeculeerd over EU-lidstaten die het voorbeeld zouden volgen van het Verenigd Koninkrijk, waar de keuze is gemaakt om de Europese Unie te verlaten. Op het eerste gezicht lijken die speculaties gegrond. Ook buiten het Verenigd Koninkrijk heerst immers ontevredenheid over de EU.

Partijen, kiezers en regeringen verzetten zich tegen Europese inperkingen van nationale democratie, soevereiniteit, solidariteit en identiteit. Daarnaast heeft het idee dat de EU economisch voordeel biedt, met de Eurocrisis drastisch aan kracht ingeboet. Op rechts is er verder kritiek op de Europese overheidsbemoeienis met de markt, terwijl op links het verwijt klinkt dat marktwerking en overheidsbezuinigingen in de EU lang niet iedereen bevoordelen. Ondertussen ervaren mensen op nationaal niveau dat welvaartsarrangementen worden versoberd, en daarvoor geen Europese herverdeling tussen rijk en arm in de plaats komt. Compensatie voor die ontevredenheid is dus begrensd.

Marktwerking en inperking van soevereiniteit zijn bovendien lastig terug te draaien, omdat deze kernprincipes van Europese integratie verankerd zijn in moeilijk te veranderen verdragen. En daarbovenop is de ervaren verbondenheid met de EU veelal beperkt. Geen wonder dat dan de verwachting is dat kiezers, partijen en regeringen zouden kiezen voor volledige uittreding uit de EU.

Voor veel EU-lidstaten zijn de uittredingskosten hoger dan voor het VK, en dat maakt een volledige exit voor hen onaantrekkelijk

De vraag is echter of zo’n volledige exit wel ontevredenheid zou wegnemen. Volgens veel Britten wel. In hun ogen zou Brexit de last van EU-migratie en EU-bemoeienis wegnemen, terwijl hun land economisch en geopolitiek prima op eigen benen zou kunnen staan. In eigenlijk alle andere lidstaten met ontevredenheid over de EU ligt dat anders. Die zijn nauwer geopolitiek en economisch verknoopt met elkaar, mede door de gemeenschappelijke Euro. Daardoor zijn de uittredingskosten hoger; en dat maakt een volledige exit onaantrekkelijk. Geen wonder dat daarvoor niet gekozen is.

Daarmee is de ontevredenheid niet verdwenen. Die heeft haar weg gevonden in neigingen tot gedeeltelijke uittreding, zoals minder afdrachten aan de EU, het overhevelen van bevoegdheden van Europees naar nationaal niveau of het minder naleven van EU-regelgeving. Nu staan deze uittredingsneigingen op gespannen voet met recente initiatieven van onder meer de Franse president Macron om de EU te versterken op het vlak van defensie, migratie en monetair beleid. Dat betekent immers meer macht en geld naar de EU en strenger Europees toezicht op de naleving van EU-regelgeving.

Daarmee wordt de EU sowieso onaantrekkelijker voor partijen en kiezers die zich verzetten tegen Europese inperking van nationale soevereiniteit, democratie, identiteit en solidariteit. Voor de grote groep partijen en kiezers die hun steun voor de EU laten afhangen van een pragmatische kosten-batenafweging is bepalend of een versterkte EU voor hen voordeliger is. Wie steun wil werven voor meer Europese integratie moet dus kunnen uitleggen dat daarmee de kosten van het EU-lidmaatschap omlaag gaan of zelfs de baten daarvan omhoog. Anders zal de wens tot (gedeeltelijke) uittreding ook onder hen groeien.

Auteurs

Hans Vollaard
Universitair docent Nederlandse en Europese politiek aan de Universiteit Utrecht