De strijd om de liberale democratie sinds 1989
Serie Diplomatie en Buitenlandse Zaken

De strijd om de liberale democratie sinds 1989

Sarah de Lange +1
29 Oct 2019 - 18:21
Photo: Stew Dean / Flickr
Terug naar archief

Op 9 november 2019 is het precies dertig jaar geleden dat de Berlijnse Muur viel. In de serie “30 jaar na de val van de Muur: de erfenis” staat de Clingendael Spectator stil bij de vraag wat is uitgekomen van de optimistische verwachtingen direct na het einde van de Koude Oorlog. In dit zevende – en tevens laatste – deel analyseren Sarah de Lange en Tom van der Meer de (on)wrikbaarheid van de representatieve democratie sinds 1989. Heeft de val van de Muur bijgedragen aan een democratische erosie?

Aan het eind van de Koude Oorlog klonk de hoop dat het Westerse model van de liberale democratie – de combinatie van meerderheidsbesluitvorming, minderheidsrechten en een door de eigen wetten ingesnoerde overheid – zou hebben overwonnen. Het was de Amerikaanse filosoof Francis Fukuyama die deze overtuiging het stelligst verdedigde. In zijn boek The End of History schreef hij over “the universalization of Western liberal democracy as the final form of human government”. Inmiddels, dertig jaar na de val van de Berlijnse Muur, is zijn stelling omstreden geworden. Verschillende wetenschappers suggereren dat de liberale democratie kwetsbaarder is dan gedacht.1

In het eerste deel van de serie “30 jaar na de val van de Muur: de erfenis” vernauwen Eleni Braat en Pepijn Corduwener deze algemene claims.2 Zij stellen dat aan het eind van de Koude Oorlog een aantal processen in een stroomversnelling is geraakt. Een van deze processen is de verankering van de getechnocratiseerde vertegenwoordigende democratie – oftewel, een democratie gekarakteriseerd door vrije verkiezingen en grijze mannen in grijze pakken. De opkomst van het populisme, karakteristiek voor de periode na 1989, zou een reactie zijn op de dominantie van deze grijze mannen in Westerse democratieën.

De vraag rijst hoe onwrikbaar de democratie nu werkelijk is. Is er ondanks een gebrek aan alternatieven inderdaad sprake van een lage of tanende steun voor de democratie in Europa? En wijzen de nieuwe bedreigingen van de liberale democratie op de tekortkomingen van de democratie zelf, of kunnen we die democratie wellicht toch niet reduceren tot één enkel model? En moeten we de populistische golf opvatten als een existentiële crisis, of eerder als een strijd om de betekenis van het begrip democratie?

Het Rijksdaggebouw in Berlijn. © Figures Ambigues / Flickr
Het Rijksdaggebouw in Berlijn. © Figures Ambigues / Flickr

Een onomstreden (liberale) democratie?
De stelling dat West-Europese burgers – en dan met name de jongeren3 –  tegenwoordig nauwelijks nog belang hechten aan de democratie, is inmiddels uitgebreid ontkracht. Weliswaar vinden jongeren de democratie vaak iets minder belangrijk dan ouderen, maar dat heeft meer met hun leeftijd te maken dan met een bepaalde generatie. Sterker nog, op het dieptepunt van de Grote Recessie (2009-2014) gaven Duitsers, Nederlanders, Polen, en Spanjaarden gemiddeld een 9⁻ als cijfer (op een schaal van 1 tot 10) voor het belang dat zij hechten aan de democratie, zo toont de World Values Survey.

Ook uit de European Social Survey blijkt dat Europeanen liberaal democratische waarden - zoals vrije en eerlijke verkiezingen, gelijke behandeling door de rechtbank, vrije media, en vrije oppositie - en masse onderschrijven. Daarbij geldt dat de steun onder burgers voor de rechtsstatelijke pilaar van de liberale democratie (bijvoorbeeld gelijke behandeling door de rechtbank) nog net iets groter is dan de steun voor haar democratische pilaar (bijvoorbeeld vrije en eerlijke verkiezingen).

De steun voor de liberale democratie is in geheel Europa min of meer gelijk. In de nieuwere liberale democratieën in Oost-Europa worden haar waarden net zo breed gedragen als in West-Europa. Wel verschillen burgers enorm in de mate waarin ze het functioneren van hun eigen democratische systeem waarderen. Burgers in West-Europa zijn beduidend contenter met dit functioneren dan inwoners van Oost- en, vooral Zuid-Europese landen.

Catalaans protest in Barcelona, 2014. © Jordi Payà Canals - Flickr
Catalaans protest in Barcelona, 2014. © Jordi Payà Canals / Flickr

Niettemin geldt in alle landen dat de steun voor ondemocratische bestuursvormen gering is. Wanneer burgers al aangeven voorstander te zijn van een “sterk leider die zich niet druk hoeft te maken om parlement en verkiezingen”, benadrukken zij daarbij dat zij deze leider toch vooral zien optreden in de context van een democratisch politiek systeem.

1989 en de opkomst van het populisme
Uiteraard zijn in alle West-Europese landen groepen burgers te identificeren die relatief ontevreden zijn over het functioneren van de democratie, die wantrouwend staan tegenover kerninstituties (zoals parlement, politieke partijen en regering) en die voorstander zijn van meerderheidsinstrumenten als het referendum. Een van de belangrijkste manieren waarop deze groepen burgers hun onvrede en wantrouwen uiten, is door te stemmen op populistische partijen.4

Populistische partijen hangen een ideologie aan “volgens welke de maatschappij uiteindelijk verdeeld wordt in twee homogene en vijandige kampen – ‘het zuivere volk’ versus ‘de corrupte elite’ – en die stelt dat de politiek een uitdrukking zou moeten zijn van de volonté générale (algemene wil) van het volk”.5

Het gedachtegoed van populistische partijen is inherent anti-pluralistisch en anti-liberaal, in die zin dat het tegenstellingen binnen de elite en het volk, en daarmee het belang van minderheidsrechten, ontkent. Populisten benadrukken het belang van de meerderheidsdemocratie, maar wijzen de noodzaak van checks and balances af.

Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn er altijd populistische partijen vertegenwoordigd geweest in West-Europa. Al in de jaren ‘50 groeide de aanhang voor het Franse populistische Poujadisme en begin jaren ‘70 braken anti-belastingpartijen uit Denemarken en Noorwegen door. Ook Nederland kende in deze periode een populistische beweging die kiezers wist te mobiliseren in de vorm van de Boerenpartij onder leiding van Boer Koekoek.

Hendrik Koekoek ontvangt met Pierre Kartner (Vader Abraham) een Gouden Plaat op 20 februari 1974. © Collectie SPAARNESTAD PHOTO-NA-Anefo-Peters
Hendrik Koekoek ontvangt op 20 februari 1974 met Pierre Kartner (Vader Abraham) een Gouden Plaat voor hun carnavals-schlager 'Den Uyl is in den olie'. © Collectie SPAARNESTAD PHOTO-NA-Anefo-Peters

De echte electorale opmars van populistische partijen begon echter pas in de jaren ‘80, wanneer de eerste radicaal-rechts populistische partijen parlementaire vertegenwoordiging wisten te verwerven.6 Met de doorbraak van het Franse Front National in 1986 (9,8 procent van de stemmen) en die van de Oostenrijkse Freiheitliche Partei Österreichs  (FPÖ) in 1990 (16,6 procent van de stemmen) is het begin van de populistische Zeitgeist een feit.7

Sinds de jaren ‘80 is het aantal landen waarin ten minste één populistische partij in het parlement zetelt langzaam gegroeid. Nu ook in Portugal en Spanje radicaal-rechts populistische partijen voet aan de grond hebben weten te krijgen, is geen enkel West-Europees land nog gevrijwaard van het populisme.

Bovendien is de populistische partijfamilie flink uitgedijd. Bestond zij in de jaren ‘80 maar uit 10 partijen, in de jaren ‘90 waren dit er 15, in de jaren 2000 25, en in het laatste decennium 30. Landen waarin twee of meer populistische partijen zijn vertegenwoordigd, zijn geen zeldzaamheid meer. Dit is onder andere te zien in Italië (Forza Italia, Lega, Movimento 5 Stelle) en Nederland (FvD, PVV, SP).

Niet alleen het aantal, maar ook de steun voor populistische partijen is geleidelijk toegenomen. Waar populistische partijen in de jaren ‘80 gemiddeld slechts 3,2 procent van de kiezers aan zich wisten te binden, is dit percentage inmiddels gestegen tot 17,6 procent (zie Tabel 1).

Onder deze gemiddelden liggen wel uitschieters. Zo vergaarden populistische partijen in Italië bij de meest recente verkiezingen tezamen maar liefst 61,1 procent van de stemmen. In landen als Cyprus, Luxemburg, Portugal en het Verenigd Koninkrijk ligt deze steun echter nog onder de 10 procent.

Protest in Sheffield tegen de Tory/DUP-coalitie in 2017. © Tim Dennell - Flickr
Protest in Sheffield tegen de Tory/DUP-coalitie in 2017. © Tim Dennell / Flickr

Opvallend aan de opkomst van populistische partijen is dat deze op het eerste gezicht ongerelateerd aan de val van de Muur lijkt zijn. Wanneer alle indicatoren in ogenschouw worden genomen (aantal landen met populistische partij, totaal aantal populistische partijen, gemiddelde steun voor populistische partijen), lijkt het populisme sinds haar doorbraak in de jaren ‘80 een min of meer lineaire groei door te maken.

Deze groei accelereert niet eenduidig in de jaren ‘90, noch in de jaren 2000 waarin 9/11 en de eurocrisis plaatsvonden, of in de jaren 2010 met daarin de vluchtelingencrisis. Wel is er een specifieke vorm van het populisme die pas na 1989 aan een opmars begint, namelijk het zogenaamde sociaal populisme. Door het populisme te omarmen, heeft een aantal voormalige communistische partijen zich ook na de val van de Muur weten te handhaven.8

Tabel
Tabel 1: Steun voor populistische partijen sinds jaren ‘80. Bron: www.parlgov.org; www.popu-list.org; eigen berekeningen van de auteurs

In de landen buiten West-Europa waar populisten aan de macht zijn, staat de liberale democratie onder druk. Populistische presidenten en premiers beknotten de vrijheid van de media, niet-gouvernementele organisaties (ngo’s), politieke tegenstanders en de rechterlijke machte. Ze passen de spelregels – zoals het kiesstelsel – zo aan dat zij hun meerderheid kunnen bestendigen.

Een voorbeeld hiervan is te vinden in Hongarije, waar premier Viktor Orbán de rechtsstaat knecht en het kiesstelsel in zijn voordeel heeft aangepast. Of in de Verenigde Staten, waar met name de Republikeinen democratische normen met voeten treden in de benoemingsprocedure voor het Hooggerechtshof en de wijze waarop grenzen tussen kiesdistricten met een mathematische precisie worden getrokken uit opportunistische redenen. Ook in Brazilië, Polen, Turkije en Venezuela is deze democratische erosie evident.

Opvallende overeenkomst
Er zit een opvallende overeenkomst tussen deze uiteenlopende landen. Stuk voor stuk zijn het landen waar het kiesstelsel een meerderheid voor een politieke minderheid creëert, waardoor deze minderheid de macht in handen krijgt. Als gevolg van deze kunstmatige meerderheden kunnen de populistische machthebbers hun meerderheidsdemocratie ongehinderd vormgeven. Ze worden immers niet gedwongen om coalities te vormen en compromissen te sluiten. Bovendien weten ze dat ze, wanneer ze niet proberen hun eigen macht te continueren door het aanpassen van de spelregels, het risico lopen dat hun electorale rivalen dat wel doen wanneer zij ooit aan de macht komen.

De aanhang van populistische partijen, die essentiële onderdelen van de liberale democratie afwijzen, groeit in bijna alle Europese democratieën

In de meeste West-Europese landen ontberen machthebbers zowel de middelen als de prikkels om de liberale democratie op deze manier in te perken. In deze landen wordt immers een evenredig kiesstelsel met een lage of afwezige kiesdrempel gehanteerd, zoals Nederland, Duitsland en Denemarken. De evenredigheid van deze kiesstelsels heeft als voordeel dat zij de diversiteit aan opvattingen in de samenleving accuraat vertaalt in een pluralistisch parlement, waarin samenwerking door coalitievorming noodzakelijk is. Hierdoor kunnen populistische partijen niet onverkort hun meerderheidsdemocratie realiseren.

Bovendien hoeven politici in deze landen minder angstig te zijn voor volledige uitsluiting in tijden van oppositie. Ook wanneer zij in de oppositiebankjes moeten plaatsnemen kunnen zij nog invloed uitoefenen. Hierdoor zijn ook de prikkels voor populistische partijen om de spelregels aan te passen beperkt. Uitzonderingen op deze regel zij Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, waar deze prikkels sterker zijn. Het is dan ook niet verrassend dat in de context van Brexit de eerste tekenen van democratische erosie waargenomen worden.

Koreaanse vrouw legt Democracy uit tegenover de regeringsgebouwen met stukjes brood
Een vrouw spelt het woord Democracy met stukjes brood tegenover de regeringsgebouwen in Den Haag, 2015. © Roel Wijnants / Flickr

De balans 30 jaar na de val van de Muur
Dertig jaar na de val van de Muur blijkt Francis Fukuyama het bij het verkeerde eind te hebben gehad. De liberale democratie is niet langer onomstreden en onoverwinnelijk, en het einde van de geschiedenis is niet in zicht. De aanhang van populistische partijen, die essentiële onderdelen van de liberale democratie afwijzen, groeit in bijna alle Europese democratieën. Zij vertegenwoordigen op dit moment in een in de meeste landen tussen de 10 en 15 procent van het electoraat.

In landen waar populisten de meerderheid hebben, erodeert de liberale democratie. De checks and balances en minderheidsrechten worden in deze landen vervangen door een meerderheidsdemocratie, waarin (minder dan) de helft van de bevolking het voor het zeggen heeft.

Deze ontwikkeling vindt echter met name plaats in de ongeconsolideerde democratieën in Oost-Europa. In West-Europa vormen deze partijen geen directe dreiging voor liberale democratie. Door het pluralisme dat ten grondslag ligt aan de meeste politieke systemen in dit deel van Europa, worden populisten gedwongen compromissen te sluiten en kunnen zij de meerderheidsdemocratie niet eenvoudig verwezenlijken.

Wel moet hierbij worden aangetekend dat gevestigde partijen zich in toenemende mate lijken te laten beïnvloeden door het populistische vertoog over de meerderheidsdemocratie. Dit zou er toe kunnen leiden dat ook in West-Europa de liberale democratie onder druk komt te staan.

Er kan niet geconcludeerd worden dat de val van de Muur als een katalysator heeft gewerkt voor de opkomst van het populisme

Het is echter te kort door de bocht om op basis van deze ontwikkelingen te concluderen dat de val van de Muur zelf op enigerlei wijze heeft bijdragen aan deze democratische erosie. In tegenstelling tot de auteurs van de openingsbijdrage9 zien wij geen aanwijzingen voor acceleratie van de hierboven omschreven trends in de periode rond 1989.

De groei van het populisme start in elk land op een ander moment, soms jaren voor 1989 (in Denemarken en Noorwegen bijvoorbeeld al in 1973) en soms jaren daarna (in Spanje bijvoorbeeld pas in 2015). Bovendien neemt de steun voor populistische partijen gestaag toe in de decennia na de val van de Muur. En alhoewel de opkomst van het populisme in kiezersonderzoek gerelateerd wordt aan gebrekkige politieke vertegenwoordiging en met name het functioneren van politieke partijen, is de relatie met de toegenomen technocratisering omstreden. Wat ons betreft kan dus niet geconcludeerd worden dat de val van de Muur als een katalysator heeft gewerkt voor de opkomst van het populisme.

Niettemin geeft de opkomst van het populisme wel aan dat de liberale democratie niet door alle burgers en politieke partijen omarmd wordt. De strijd om haar toekomst gaat dus ook 30 jaar na de val van de Muur onverminderd voort.

  • 1. Zoals onder meer beargumenteerd wordt in boeken als How Democracies Die (Livitsky en Ziblatt 2018), How Democracy Ends (Runciman 2018), en The People vs Democracy (Mounk 2018).
  • 2. Lees hier hun bijdrage: 1989: Het einde of de versnelling van de geschiedenis?
  • 3. Zoals Mounk bijvoorbeeld beweert in The People vs Democracy: Why our Freedom is in Danger and how to Save it. Cambridge MA: Harvard University Press 2018.
  • 4. Rooduijn, M. (2018) “What Unites the Voter Bases of Populist Parties? Comparing the Electorates of 15 Populist Parties”, European Political Science Review, 10(3): 351-368. 
  • 5. Mudde, C. en C.R. Kaltwasser (2017) Populisme. Amsterdam: Amsterdam University Press.
  • 6. Mudde, C. (2019) The Far Right Today. Londen: Polity Press.
  • 7. Mudde, C. (2004) “The Populist Zeitgeist”, Government and Opposition, 39: 541-563.
  • 8. March, L. (2007) “From Vanguard of the Proletariat to Vox Populi: Left-Populism as a ‘Shadow’ of Contemporary Socialism”, SAIS Review of International Affairs, 27(1): 63-77. 
  • 9. Lees hier hun bijdrage: 1989: Het einde of de versnelling van de geschiedenis?.

Auteurs

Sarah de Lange
Bijzonder hoogleraar Politicologie
Tom van der Meer
Hoogleraar Politicologie